Ik begin vandaag mijn vierde week in afzondering, weg van de wereld die ik gewoon was - precorona. Ik woon op de achtste en hoogste verdieping van een appartementsgebouw uit 1954, vlak bij het metrostation Jasmin, in de wijk Auteuil in het 16de arrondissement van Parijs. Als ik naar buiten kijk, lijkt alles normaal.
...

Ik begin vandaag mijn vierde week in afzondering, weg van de wereld die ik gewoon was - precorona. Ik woon op de achtste en hoogste verdieping van een appartementsgebouw uit 1954, vlak bij het metrostation Jasmin, in de wijk Auteuil in het 16de arrondissement van Parijs. Als ik naar buiten kijk, lijkt alles normaal. De Eiffeltoren is gewikkeld in twee gigantische donkere pleisters voor renovatiewerken, maar flikkert 's avonds als vanouds. De Tour Montparnasse staat er nog. De horizon kleurt bij zonsopgang niet opeens appelblauwzeegroen. Maar niet alles is hetzelfde als vroeger. Sinds de wedstrijd PSG-Borussia Dortmund achter gesloten deuren werd gespeeld, op 11 maart, heb ik geen wolken van licht meer zien hangen boven voetbalstadion Parc des Princes. Er is ook geen vuurwerk meer afgestoken. De sliert van vliegtuigen op weg naar Orly is ook verdwenen. De tweede luchthaven van Parijs zit sinds begin april achter slot en grendel. Er zoemen wel nog helikopters door de lucht. De helihaven ligt aan de overkant van de Seine, op de grens van het 15de arrondissement met Issy-les-Moulineaux. 's Avonds, stipt om 19u58, verzamelt de wijk in vensterramen, op balkons en terrassen, om te applaudisseren voor het verplegend personeel. Laten we de caissières niet vergeten, denk ik er dan telkens bij. Het uitzicht op mijn terras doet een klein beetje denken aan Rear Window, de film van Alfred Hitchcock waarin James Stewart zijn buren bespiedt. Ergens aan de overkant heeft een man achter zijn raam een loopband geïnstalleerd. Een andere buur draagt tijdens het applausmoment altijd dezelfde rode trui. Alsof gisteren dag na dag op herhaling speelt (de vergelijking met Groundhog Day is al voldoende gemaakt). Maar kijk, ik heb ook elke avond hetzelfde aan, en misschien maakt die buur precies dezelfde overweging: daar is ie weer met zijn purperen sweatshirt. Meer valt er niet te signaleren. Volgens The New York Times heeft vijftien à twintig procent van de inwoners van het 16de arrondissement Parijs verlaten. In veel appartementen zijn de luiken neergelaten. In Frankrijk geldt sinds midden maart de 1-1-1-regel: je mag 1 keer per dag maximaal 1 uur buiten, binnen een cirkel van 1 kilometer rondom je woning. Je moet een officieel formulier bij je hebben waarop je je naam, adres, datum, uur en reden van verplaatsing dient in te vullen. Wie geen printer heeft, kan het formulier met de hand kopiëren, en er is ook een app. De politie patrouilleert. Om niet hoorndol te worden, ren of stap ik elke dag een rondje in mijn cirkel, gewapend met mijn coronapaspoort en mijn mondmasker. Je genereert je cirkel door je adres in te geven op een website. De mijne ligt netjes tussen het Bois de Boulogne en de Seine. De onderkant flirt met de troosteloze boulevard Exelmans, waar Claude François geëlektrocuteerd werd door een gloeilamp in zijn badkamer. De bovenkant loopt deels samen met rue de Passy, een winkelstraat. La Grande Epicérie de Paris, een luxesupermarkt, ligt half in mijn cirkel en half eruit. Mijn cirkel reikt tot ongeveer het midden van Pont Mirabeau. Dichter bij de linkeroever geraak ik niet. Op die plek, halverwege de Seine, voel ik me misschien nog het meest gevangen. Ik mag niet op de 35 andere bruggen over de Seine. Dan maar op en af langs Voie Georges-Pompidou, de nu bijna lege expresweg langs de rivier. Ik maak rechtsomkeer langs rue Eugène Poubelle, allicht een van de kortste straten van Parijs (ik tel één voordeur). Poubelle introduceerde in 1883 de vuilbak in Parijs. Hij liet elk gebouw aansluiten op de stadsriolering en zorgde er later ook voor dat vrouwen dokter en chirurg konden worden. Tijdens de grote overstroming van een paar jaar geleden stond rue Poubelle bijna volledig onder water. Nu looit de grijze kassei zachtjes richting Seine. Er drijft, een tikje dramatisch, een feloranje reddingsvest voorbij. Mijn cirkel telt acht metrostations en twee RER-stations. Dat is in feite best veel voor een lap grond met een diameter van een kilometer. Misschien omdat lijn 10 in lusvorm door Auteuil trekt: de treinen rijden er slechts in één richting. Als ik in Saint-Germain-des-Prés moet zijn, neem ik de metro in station Mirabeau en op de terugweg stap ik uit in Eglise d'Auteuil. Enfin, op dit moment heb ik dus geen paspoort voor Saint-Germain-des-Prés.Ik mis de metro en de rest van Parijs - en de wereld achter de Périphérique. Het lijkt alsof we gekatapulteerd zijn naar de periode vóór de industriële revolutie, toen het leven zich rond het dorpsplein afspeelde en de aarde nog officieel plat was. Auteuil hoort pas sinds 1 januari 1860 bij Parijs. Toen werd de hoofdstad uitgebreid van twaalf naar twintig arrondissementen. Het seizième werd geboetseerd uit drie landelijke gemeentes, Auteuil, Passy en Chaillot. In de daaropvolgende decennia kreeg het arrondissement een stedelijker allure. Architect Hector Guimard introduceerde de art nouveau in Parijs, na ontmoetingen met Paul Hankar en Victor Horta in Brussel. Hij ontwierp tijdens zijn lange carrière bijna twintig gebouwen in Auteuil, te beginnen met het verdwenen café Le Grand Neptune, op de Seinekaaien, in 1888. Castel Béranger, in rue Jean de La Fontaine, dateert van tien jaar later en is zijn meesterwerk: een appartementsgebouw met organisch gevormd ijzerwerk en bijna psychedelische interieurs. In 1900 ontwierp Guimard de beroemde luifels in groen en geel staal voor de Métropolitain, de gloednieuwe metro. Ik woon naast een van zijn laatste projecten, een sierlijk appartementsgebouw uit 1925, in rue Henri-Heine. Guimard overleed in New York in 1942. Toen zijn Amerikaanse weduwe Adeline na de oorlog een laatste keer naar Parijs terugkeerde om zijn erfenis te regelen, informeerde ze bij de overheid of er een museum kon worden gemaakt van hun eigen, kasteelachtige woning langs avenue Mozart. Er bleek geen interesse voor. Art nouveau was voorbijgestreefd en Guimard al min of meer vergeten. Vanop mijn terras kijk ik binnen bij een absoluut monument van de moderne architectuur: de huizen La Roche en Jeanneret van Le Corbusier, uit 1923-25, het eerste ontwerp waar de architect zijn vijf basisprincipes voor een nieuwe architectuur uitwerkte. Maison Roche, destijds gebouwd voor een kunstverzamelaar, is in normale omstandigheden open voor publiek. Maison Jeanneret dient als hoofdkwartier van de Fondation Le Corbusier. De twee woningen, die langs buiten een geheel vormen, zijn als historisch monument beschermd sinds 1966 en Unesco werelderfgoed sinds 2016.Vlakbij is er nog de adembenemende rue Mallet Stevens, waar de architect met dezelfde naam in 1927 een handvol witte modernistische gebouwen neerplantte. Mijn moeder is er ooit David Lynch tegengekomen. En ik herinner me dat ik als tiener in het Brusselse Filmmuseum naar de stille film L'Inhumaine ging kijken, met decors van Mallet Stevens. Ik moet toegeven dat er weinig 'leuke adresjes' zijn in Auteuil, zelfs geen uitzonderlijke restaurants. Het is een conservatief, rijk, weinig divers stadsdeel, waar je in normale tijden nog priesters in soutanes en boyscouts in uniform kruist. Avenue Mozart telt een stuk of tien nagelsalons en twee of drie bontwinkels. Dat maakt mijn tijdelijke, relatieve gevangenschap op de een of andere manier meer draaglijk. Ik hoef niet zo nodig een nieuwe bontjas. Mijn nagels knip ik zelf wel. Wel mis ik de natuur. Het zestiende is het groenste arrondissement van Parijs. Van rue Mallet Stevens stap je in een zucht naar de promenade op de voormalige spoorlijn van de Petite Ceinture, een lineair bos van ongeveer een kilometer waar je in normale tijden zelden iemand tegenkomt, maar dat nu gesloten is. Nog iets verder ligt de hippodroom van Auteuil. Die is deels getransformeerd tot een modern park met vijvers en uitstekende sportinfrastructuur. Ik ga er graag lopen, of wandelen, of kijken naar de - vrije - vogels die er nu en dan neerstrijken. Maar ook de renbaan is dicht. Het Bois de Boulogne dan maar. De voorbije weken rende ik nu en dan rond het kleine Lac Supérieur, aan de achterkant van de hippodroom. Ik luisterde naar Gimmie Dat, een tien jaar oude hit van Ciara. De kerselaren stonden in volle bloei. En hoewel ademen met een mondmasker terwijl je loopt niet bijzonder aangenaam is, genoot ik van die korte races. Zondag stond er plots een politieman te paard op mijn weg. Hij meldde dat de vijver sinds 1 april niet langer toegankelijk is en gebood me vriendelijk rechtsomkeer te maken. Hij voegde eraan toe dat ik eventueel wat verder het bos in kon, zo mijn cirkel dat toeliet. Helaas: ik schurkte al tegen de rand aan. Sindsdien zijn de regels nog strenger geworden: je mag nu alleen joggen tussen zeven uur 's avonds en tien uur 's ochtends. Tussen het bos en mijn appartement staan tientallen elegante appartementsgebouwen uit de jaren 50, 60 en 70. De lobby's doen me denken aan Milaan: tropische planten, organische sculpturen, fauteuils van Saarinen of Mies van der Rohe. Twee van mijn favorieten liggen naast elkaar in rue Raffet: eentje zit half verstopt onder straatniveau, met donkerblauwe tegelmuren en twee lichtblauwe vierkanten vijvers met fonteinen die 's avonds sfeervol worden verlicht. In de inkomhal ernaast - een en al aluminium en plexiglas uit de late jaren 70 - leidt een marmeren wenteltrap naar wie-weet-waar. Tijdens mijn laatste wandeling, gisterenavond, zag ik een zeldzaam teken van leven. Niet in een van die opulente lobby's, maar voor het halfopen raam op de gelijkvloerse verdieping van een eerder gewoon appartementsgebouw, in de rue George Sand. Iemand had tussen de tralies een kindertekening gekleefd: een regenboog, een zonnetje en een handvol vrolijk glimlachende wolkjes. Ç a va bien aller, stond erbij geschreven.