Een verre zeiltocht stond al lang op de bucketlist van onze reisjournalist. Spitsbergen – dus net niet de Noordpool – leek haar wel ver genoeg. Ze zette koers van Noorwegen naar het land van zee en ijs.
Juli 2024. De middernachtzon kleurt de lucht in zachte tinten terwijl ik op het dek sta. In het noorden van Noorwegen, waar de zon ’s zomers nooit ondergaat en de natuur regeert, stapte ik in aan boord van de Mencia, de zeilboot van Sammy en Robin. Het Belgische koppel leeft van avontuur naar avontuur – skiënd, surfend, hikend, duikend – en nodigt anderen uit om dat mee te beleven. Ik kende hen enkel via Instagram, een week later waren we van vreemden in vrienden veranderd. Samen zagen we walvissen, sprongen we in ijskoud water, voeren we langs verlaten fjorden. Bij het afscheid lachten we: ‘Volgend jaar naar de Noordpool?’

Die grap werd al snel een plan. Op 2 juli 2025 hijsen we de zeilen in het Noorse Bergsfjord en varen we de wijde Noorse Zee op. Het land verdwijnt achter ons en het kompas staat op nul graden noord, recht naar Spitsbergen, onze bestemming. Zodra de motor uitgaat, daalt er een bijzondere stilte neer. Enkel het geklapper van zeilen, het zachte gekraak van hout en het ritmische deinen van golven blijven over.
De nachtwacht
Deze keer zijn we met vier: Sammy, Robin, ik en fotograaf Zeger. Het idee om een maand met relatief onbekenden op een kleine boot door te brengen voelt wat eng, maar al snel ontstaat er een gedeeld ritme. We zitten dicht op elkaar, soms ook figuurlijk, en de boot verandert in een kleine gemeenschap.

We spreken af om ’s nachts beurtelings de wacht te houden. Mijn eerste wacht voelt spannend. Andere schepen zijn zeldzaam, de koers ligt vast en toch blijft het een speciaal gevoel: alleen op het dek, gedragen door de uitgestrekte watermassa, terwijl de rest van de bemanning slaapt. Minder romantisch is het als ik om drie uur ’s nachts gewekt word voor de volgende wacht. Gelukkig blijft de horizon helder onder het middernachtlicht.

De dagen worden een soort van tijdscapsule: een wereld van slapen, eten, lezen, mijmeren, babbelen, en plots alle hens aan dek om de zeilen aan te passen. Af en toe doe ik een dutje, gewiegd door het klotsende water. Ik word wakker met de geur van vers brood. Sammy weet precies op het juiste moment een kommetje chips of een bord pasta tevoorschijn te toveren om de bemanning goed gezind te houden. Daarna poetsen we onze tanden, schouder aan schouder in de kleine kombuis, en kruipen we weer in bed. Dit lome zomerkampgevoel ga ik straks missen, dat weet ik nu al.

De zee lijkt leeg, maar er komt geregeld leven voorbij. Witsnuitdolfijnen zwemmen met ons mee, vogels cirkelen boven de mast, heel af en toe verschijnt er een vrachtschip en soms drijft er een stuk hout voorbij, als herinnering aan het vasteland. Dat ligt ver achter ons, maar halverwege de reis duikt het eiland Bjørnøya op. Alsof dat nog niet genoeg is, volgt er een walvissenshow. Bultruggen en dwergvinvissen zwemmen door elkaar, en maar spuiten en springen.
Hoe noordelijker we komen, hoe indrukwekkender de gletsjers worden. Je voelt dat dit een speciale plek is.
De verraderlijke Noorse Zee is tijdens onze overtocht wel opvallend kalm. Té kalm zelfs: we moeten meer dan eens de motor inschakelen, terwijl we bidden dat de brandstoftank groot genoeg is. Uiteindelijk brengt een gunstige wind ons verder en op de vijfde dag varen we de haven van Longyearbyen binnen. Na dagen van niets dan water en lucht voelt het onwerkelijk om weer huizen te zien, mensen die honden uitlaten en toeristen op de balkons van cruiseschepen. Net zo vreemd is het om niet meer te schommelen, maar stil te liggen in de haven.

IJsbeerterritorium
Spitsbergen, het voornaamste eiland van Svalbard, ligt op bijna duizend kilometer van Noorwegen en valt onder Noors bestuur. Het is ruig, verlaten en grotendeels ontoegankelijk. Behalve in de dorpen zijn er geen wegen. In de winter verplaats je je er met een sneeuwscooter, in de zomer per boot, en altijd met een geweer, want dit is ijsberenterrein. Longyearbyen, met zijn vijf straten de grootste stad van de archipel, oogt zonder sneeuw industrieel. Sneeuwscooters wachten er op de winter en de felgekleurde huizen steken af tegen de restanten van de mijnen.

We zijn op een van de meest noordelijke plekken ter wereld, verder kan bijna niet. Maar dan blijken er nog twee Antwerpse zeilboten in de haven te liggen. Even klinkt er meer Nederlands dan Noors om ons heen. Er stapt bovendien een gestrande Belg bij ons aan boord: Mathijs, die als machinist met een onderzoekschip naar Spitsbergen is gekomen en ons de komende weken zal vergezellen.
Na het eerste en enige restaurantbezoek hijsen we de zeilen en varen we verder noordwaarts. Het is gek hoe een mens aangetrokken wordt tot het uiterste noorden, en wil blijven gaan tot er niets meer overblijft.

We glijden door mistige, koude golven, zien de eerste flarden van gletsjers en vinden een ankerplaats in de St. Johnsfjord. Wanneer ik ’s ochtends aan dek ga, besef ik opnieuw waar we zijn, en hoe verlaten het hier is.
De walrussen liggen te zonnen; voor hen is vijf graden zomer, voor ons betekent het drie broeken.
Met een klein motorbootje gaan we aan land. Zeehonden steken nieuwsgierig de koppen op. We wandelen langs een oude jagershut naar de Osbornebreengletsjer, die doorloopt tot in zee. Als we stilstaan en de gletsjer horen stromen en kraken, lijkt die nog machtiger.

Het is paradoxaal: we voelen ons kwetsbaar tegenover de natuur, terwijl het omgekeerde waar is. Het zijn wij, de mensen, die de macht hebben om de gletsjers al zo ver te doen terugtrekken. Ooit was deze fjord een grote ijsmassa; het is confronterend om te zien. Zelfs met een zeilboot blijven we immers toeristen die hier eigenlijk niet zouden moeten komen, net zoals de cruiseschepen die een vreemd beeld vormen in deze wildernis.

Later die dag stoppen we in de Engelsbuktabaai, maar al na een halfuur keren we op onze passen terug, omdat we andere voetsporen ontdekt hebben: diepe pootafdrukken van ijsberen in de modder. De sporen herinneren ons eraan dat dit niet ons territorium is.
Zonnende walrussen
Verder noordwaarts varen we langs kapen gehuld in de mist, de zee is bezaaid met drijvend ijs. Dan verschijnt een bonte verzameling huizen: Ny-Ålesund, de noordelijkste permanente nederzetting ter wereld. Vandaag is het een onderzoeksbasis met wetenschappers uit onder meer Italië, China, Nederland, Frankrijk en Korea.

Voor ons betekent het ook: een haven, elektriciteit en een douche. Maar eerst is er chaos. Een Poolse zeilboot vaart de haven in en dreigt tegen ons te botsen. Uiteindelijk raken ze zonder kleerscheuren aangelegd en om het goed te maken, vragen ze of we de volgende dag mee willen wandelen naar een nabijgelegen gletsjer. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, en hoe meer geweren, dus gaan we mee.

’s Avonds belanden we samen in de bar van Ny-Ålesund. Die is slechts een dag per week geopend en de ramen zijn verduisterd om een avondgevoel op te roepen. We drinken bier op onze sokken, samen met de onderzoekers, Noorse medewerkers en Zweedse zeilers. Als we na middernacht weer buiten stappen, knipperen we met onze ogen, want het is nog steeds klaarlicht. De middernachtzon lacht ons uit en het lijkt alsof de tijd is blijven stilstaan in de namiddag.

Hoe noordelijker we komen, hoe indrukwekkender de gletsjers worden. De Lilliehöökbreen strekt zich kilometers breed uit, met diepe, felblauwe groeven en afgescheurde ijsblokken die in het water drijven. We manoeuvreren door een zee van brokken, die van veraf een muur lijken te vormen, maar waar toch telkens een opening in ontstaat. Aan alles voel je dat dit een speciale plek is. Ook omdat dit met 79°N het meest noordelijke punt van onze reis zal worden.

Hierna keren we het kompas weer om, naar het zuiden. ‘We gaan naar huis!’ lacht Zeger. Al zal dat nog wel even duren. Gelukkig maar, want er zijn nog zeehonden, beluga’s en walrussen te spotten. Die laatste liggen in een grote stapel te zonnebaden; voor hen is vijf graden zomer, voor ons betekent het drie broeken.
In de avondzon varen we opnieuw Engelsbukta binnen, de ankerplaats waar we op de heenweg de beruchte ijsbeersporen zagen. Matthijs scant de kustlijn met de verrekijker. Moeder ijsbeer en haar jong wandelen rustig op het strand. We staan ademloos te kijken naar de kanjers van dieren, dankbaar dat we veilig aan boord zijn.
Opnieuw de oversteek
We zijn nu bijna een maand onderweg en het ritme van de zee zit in ons lijf. Na een tankbeurt in Longyearbyen nemen we afscheid van Matthijs en is het tijd voor de terugtocht naar Noorwegen. De oversteek voelt inmiddels vertrouwd, al blijft het pijnlijk om midden in de nacht gewekt te worden. Zo’n wacht is wel een van de zeldzame momenten dat je de zeilboot helemaal voor jezelf hebt: alleen met de zee, staren naar de horizon en beseffen hoe bijzonder het is om dit noordelijkste stukje aarde – het territorium van walvissen en ijsberen – te mogen ervaren.

Spitsbergen verdwijnt uit beeld en er verschijnen weer gracieuze dolfijnen. Deze keer willen we wel stoppen bij Bjørnøya, maar we zien steeds minder door de dichte mist. Het eiland verschijnt pas wanneer we bijna geankerd zijn. Dan tekenen zich een paar rode huizen af, waaronder het weerstation waarvan de crew elke zes maanden wisselt omdat je anders gek wordt op deze geïsoleerde brok land zo ver noordwaarts. We krijgen een korte rondleiding, vangen nog een vis voor de voorraad en zetten verder koers.

Opnieuw toont de ruwe Noorse Zee zich van haar zachtste kant. Er is geen zuchtje wind en de vogels scheren rakelings over het spiegelgladde water. De zon breekt door de nevel en zet alles in een mysterieuze gloed. Dit is de ultieme plek om je hoofd leeg te maken. Zo leeg dat ik weken later de foto’s bekijk en me afvraag of ik het allemaal gedroomd heb. In het land van zee en ijs is het nog moeilijk te zeggen waar de werkelijkheid eindigt en de verbeelding begint.
Meer info: menciaadventuresailing.com
Dit artikel werd gerealiseerd met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.