Linda Evangelista, Naomi Campbell, Christy Turlington: begin jaren negentig prikkelden supermodellen zowel de verbeelding van fashionista's als van garagisten. Het fenomeen kwam niet uit de lucht vallen, het werd gemaakt. Door magazine- en reclamemakers die afscheid wilden nemen van de met toeters en bellen versierde power woman van de jaren tachtig, maar nog meer door Peter Lindbergh, de fotograaf die - lang voor Evangelista en co internationale sterren werden, in videoclips verschenen en kledingcollecties lanceerden - een ander vrouwbeeld voorstelde. Hij fotografeerde modellen niet als naamloze vehikels voor kleding en accessoires, maar als natuurlijke schoonheden: zelfbewuste vrouwen die ook zonder versierselen fascineren en een volwaardig portret verdienen.
...

Linda Evangelista, Naomi Campbell, Christy Turlington: begin jaren negentig prikkelden supermodellen zowel de verbeelding van fashionista's als van garagisten. Het fenomeen kwam niet uit de lucht vallen, het werd gemaakt. Door magazine- en reclamemakers die afscheid wilden nemen van de met toeters en bellen versierde power woman van de jaren tachtig, maar nog meer door Peter Lindbergh, de fotograaf die - lang voor Evangelista en co internationale sterren werden, in videoclips verschenen en kledingcollecties lanceerden - een ander vrouwbeeld voorstelde. Hij fotografeerde modellen niet als naamloze vehikels voor kleding en accessoires, maar als natuurlijke schoonheden: zelfbewuste vrouwen die ook zonder versierselen fascineren en een volwaardig portret verdienen. De supermodellen prijken vanaf volgende maand in de Kunsthal Rotterdam op Peter Lindbergh. A Different Vision of Fashion Photography, samen met talloze beroemdheden en Lindberghs hommages aan dansers en choreografen als Sergei Diaghilev en George Balanchine. Ook inspiratiebronnen als de vroege Duitse film, de Bauhausschool, avant-garde schilders en genderbender avant la lettre Marlene Dietrich komen aan bod in de expo, die een 250-tal, vaak ongepubliceerde en in korrelig zwart-wit gedrenkte foto's aanvult met polaroids, contactafdrukken, films en rekwisieten. Persoonlijke aantekeningen en storyboards tonen er de coulissen van Lindberghs verhalende modereportages - begin jaren negentig al even vernieuwend als 's mans humanistische benadering. "Ik bedenk op voorhand nooit hoe foto's eruit zullen zien", vertelt Lindbergh (71) op het dak van zijn riante appartement in het zesde arrondissement van Parijs. "Daarvoor lijkt fotograferen te zeer op schaken: een onvoorspelbaar proces waarbij ik vooral op het moment zelf reageer. Maar voor een reportage van tientallen bladzijden kun je maar beter weten welk verhaal je wilt vertellen." Zijn werk voor titels als Vogue en Harper's Bazaar en campagnes voor modehuizen, labels als Marc O'Polo en beautymerken maakten van Lindbergh een gerespecteerde modefotograaf. Tegen wil en dank, zo blijkt: "Vroeger verontschuldigde ik me voor wat ik deed. Omdat het 'maar' modefotografie is, en omdat er zoveel domme voorbeelden van zijn: zaken die buiten de context van de mode al hun betekenis verliezen. Veel collega's gaan onverantwoord met hun vak om en praten mensen schuldgevoelens aan. Hun enige nut is dat ze de mode-industrie een handje helpen. Nu mijn eigen rol in modefotografie duidelijker is geworden, stoort de term modefotograaf me minder." Ik weet dat mijn Engels niet tiptop is, maar dat heb ik nooit gezegd. Het klopt dat ik al jaren geen modeshows meer bezoek en afstand hou van het wereldje, maar ik heb veel respect voor de creativiteit en vaardigheden van ontwerpers. Je moet me alleen niet vragen wat de trends dit seizoen zijn of van wie de kleding in mijn modereportages is. Ik fotografeer in de eerste plaats mensen. Zolang hun kleding niet in de weg loopt, ben ik tevreden. Jonge fotografen hebben zelden verweer tegen hun opdrachtgevers en worden uitgeperst voor ze hun eigen stempel kunnen drukken. Ik stond wellicht al steviger in mijn schoenen. Maar mijn geluk was vooral dat ik weinig verstand had van de geschiedenis van de fotografie, en nog minder van de mode. Veel fotografen leven al op jonge leeftijd in die wereld. Ze gaan naar de shows en verslinden modebladen, waardoor ze een tunnelvisie ontwikkelen en iedereen gelijkaardige beelden maakt, op basis van dezelfde prikkels. Dan is het moeilijk om je eigen ideeën te vormen en iets te doen dat uit jezelf komt. Alleen zo kun je iets doen dat een verschil maakt en losstaat van de tijdgeest: door je eigen ideeën en gevoelens te verkennen en je eigen inspiratiebronnen aan te spreken, niet door vluchtige trends te volgen of stylingideeën van catwalkshows te kopiëren. Het gevolg van de eerste aanpak is dat je soms achterloopt of te vroeg komt, maar dan heb je tenminste een basis om af te wegen of wat je doet ook overeenstemt met wat je in gedachten had. Ik ben maar tot mijn vijftiende naar school gegaan, destijds het minimum in Duitsland, en ik had vooral werk nodig. Mijn eerste baantje als etalagist was trouwens in een warenhuis in Duisburg dat ook koelkasten en porselein verkocht. Als je daar groen en blauw combineerde, stond de zaak op stelten. Maar ik keek wel op naar die etalagisten in witte stofjassen. Het leek me de beste baan ter wereld, zeker voor een jonge kerel uit een arbeidersgezin. Mijn enige band met mode was dat mijn moeder kleren naaide op basis van patronen uit magazines. Verder speelden creativiteit en kunst thuis geen rol. Mijn eigen passie in mijn kindertijd was sport. Ik was jarenlang de doelman in een handbalteam, het was mijn hele leven. Dat was halverwege de jaren zestig, toen ik een kunstopleiding volgde in Krefeld. Destijds wist ik niet zo goed wat ik wilde doen, fotograaf worden kwam niet in me op. Dat gebeurde pas jaren later, toen ik via via aan de slag ging als assistent van Hans Lux, en ik bedacht: dat kan ik ook. Had een bloemist me toen werk gegeven, dan leidde ik nu een ander leven. Destijds wilde ik gewoon kiekjes maken van kinderen, maar de ervaring beïnvloedt me tot op vandaag. Omdat kinderen eerlijk zijn en zichzelf blijven. Volwassenen daarentegen hebben een muur rond zich opgebouwd en tonen je wat ze willen tonen. Wat boeit de persoon achter al die laagjes zelfbewustzijn. Ik voel het meteen wanneer iemand een masker draagt. Een geslaagd portret kijkt daar doorheen en legt de ziel van een persoon bloot. Iets wat naar mijn gevoel vaker lukt in zwart-wit dan in kleur. Ik had Vogue gewaarschuwd dat ik me niet kon vinden in hun chique en overperfecte dames. De vrouw die ik voor ogen had, was een mens van vlees en bloed, niet overladen met make-up, big hair en accessoires. Ze bedankten me voor mijn tijd en borgen de serie op in een lade. Tot Anna Wintour de leiding kreeg, me alsnog inhuurde en ik ook voor de Britse Vogue een cover met supermodellen schoot. Dat bracht alles in een stroomversnelling, een verandering waar andere magazines, modehuizen en beautybedrijven aan wilden deelnemen. Nu word ik soms aangesproken door merken die met mij totaal uit hun comfortzone stappen. Soms vragen ze me uitdrukkelijk om geen rekening te houden met hun imago en vooral mijn eigen ding te doen. Maar het moest wel eerst bewezen worden dat een ander vrouwbeeld gesmaakt werd. Iemand als Rei Kawakubo van Comme des Garçons daarentegen vroeg me al in 1981 om haar imago vorm te geven. Niet om me op haar visie te baseren, maar om er zelf een uit te drukken - een vrijheid die fotografen zelden genieten. Er zijn geen gouden regels. Normaal doen en zelf geen masker opzetten helpt, net als tijd om wederzijds vertrouwen op te bouwen en modellen met wie je vaker samenwerkt. Hoe dan ook moet je openstaan voor wat er op het moment zelf gebeurt en een zekere intimiteit creëren. Een voordeel is dat ik nooit geïntimideerd ben, wie er ook voor de lens staat. De dalai lama, daar zou ik van onder de indruk zijn, maar die zou vast zelf het ijs breken. Voor veel fotografen zijn de werkomstandigheden ontzettend veranderd. De camera is vaak verbonden met een computer, er staat veel volk op de set en zelfs de assistenten voor haar en make-up geven commentaar op wat ze zien. Grote digitale schermen zijn de ultieme belediging: dan dienen fotografen enkel nog om op de knop te duwen, tot de idioot die over hun schouder meekijkt "You got it!" roept. Voor een model als Lara Stone werken te drukke sets trouwens niet. Een andere gruwel is het werk van andere fotografen waar opdrachtgevers mee uitpakken. "Ter inspiratie", tot ze je dezelfde beelden opdringen op de set. "Maar hoe weten we dan wat je gaat doen?" vragen klanten me soms, en dan zeg ik: "Dat zie je morgen, als we klaar zijn en ik de beelden gekozen heb." Hoe meer mensen hun zeg hebben, hoe slechter het eindresultaat. Er zijn veel voordelen op technisch vlak. Alles gaat makkelijker en sneller, je kunt zonder veel extra kosten een massa foto's maken en ik kan enorme billboardbeelden schieten die vroeger moeilijker te realiseren waren. Anderzijds zijn digitale foto's brutaal scherp, waardoor ze de emotionaliteit van analoge beelden missen. Dat kun je opvangen met Photoshop. Vaak bewerken magazines foto's echter met heel andere bedoelingen, vanuit een idee van schoonheid dat niets met de werkelijkheid te maken heeft en geen imperfecties verdraagt. De consensus is dat een synthetisch lijkende huid mooier is dan the real thing. Maar een prachtige vrouw als Jeanne Moreau kun je toch niet retoucheren? Ongewenste bewerking van mijn foto's gebeurt zelden, maar het is een continu gevecht. Ik vind het vreselijk hoe we schoonheid reduceren tot uiterlijke kenmerken, en intelligentie, karakter en talent negeren. Reclame ontmenselijkt vrouwen door ze onophoudelijk te retoucheren, en zadelt wie niet aan de normen voldoet op met schuldgevoelens, praktijken die amper aan de kaak worden gesteld. Maar wie ben ik om anderen te beoordelen? Spreek over jezelf en zwijg over de rest - aan die regel probeer ik me te houden. Het was ook nooit mijn bedoeling om mensen wakker te schudden of de wereld te veranderen. Al roept de expo in de Kunsthal hopelijk meer op dan alleen "wow" of "bah". Begrippen als schoonheid, leeftijd en genderrollen zijn niet in steen gebeiteld. Het is in ieder geval een ander soort plezier, zonder de spanning die ik als heteroseksuele man voel bij vrouwen. Dat speelt zeker, want iedereen wil aantrekkelijk voorkomen. Pina Bausch noemde het niet voor niets de motor voor alle creativiteit. Bovendien gedragen mannen zich anders voor de camera. Vrouwen nemen al eens risico's, terwijl mannen wat zelfbewuster zijn en meer vasthouden aan hun imago. Ze zijn over het algemeen een hardere noot om te kraken (lacht). Wat je mooi vindt en aantrekt, steunt dat niet altijd op de visuele ervaringen van je kindertijd? De haven van Rotterdam bijvoorbeeld: die sfeer herken ik meteen. En Parijs, dat was eind jaren zeventig gewoon een must, een artistiek en creatief bolwerk met een enorme aantrekkingskracht. Hier zaten de beste fotografen en de beste modellen. Zoiets was in een gedecentraliseerd land als Duitsland ondenkbaar. In het begin betoverde elke straat me en fotografeerde ik alles, nu zie ik vooral clichés. Parijs is mooi zoals romantische postkaartjes dat zijn, meer niet. Ik ben hier gelukkig, daar niet van. Maar voor een shoot in een wat ruwere buurt met een ziel trek ik naar New York. Daar raak ik nooit op uitgekeken. Het gevaar voor fotografen is altijd dat ze hun eigen foto's iconiseren. Omdat telkens maar enkele beelden de selectie overleven, terwijl duizenden andere beelden meteen in een lade belanden. En door het herhalingseffect gaan zelfs slechte, maar niettemin populaire foto's min of meer acceptabel lijken. Nu ik die vergeten beelden herontdek, wil ik soms totaal andere keuzes maken. Hoe kon je die foto over het hoofd zien en denken dat die andere beter was, heb ik me al verschillende keren afgevraagd.