Op 6 februari wordt in Italië de Olympische wintervlam aangestoken. Net zoals in 1956, toen in de schaduw van de Spelen het utopische, modernistische Villaggio ENI werd opgetrokken.
In 1956 keek de wereld toe hoe Italië een spectaculaire comeback maakte in Cortina d’Ampezzo. Camera’s rolden over de vernieuwde wegen van het bergdorp, ammoniak koelde het ijs dat glinsterde onder de schijnwerpers van het stadion, en de Winterspelen werden voor het eerst live uitgezonden in heel Europa. Een investering van twee miljard lire maakte van Cortina definitief de ‘koningin van de Dolomieten’. Zeventig jaar later steken de kranen opnieuw boven het dal uit en verrijzen er weer tijdelijke tribunes, nu voor Milaan–Cortina 2026.

Terwijl Toni Sailer in 1956 drie keer goud veroverde door de hellingen boven Cortina aan een razend tempo af te dalen, werd enkele kilometers zuidelijker, in Borca di Cadore, aan een ander project gebouwd. Buiten het bereik van de televisiecamera’s ontstond een sociaal model dat de Olympische Spelen zou overleven, zonder medailles of toeschouwers. De CEO van een van de grootste bedrijven van Italië werkte er aan zijn modernistische utopie: het vakantiedorp Villaggio ENI, verscholen in de Dolomieten nabij Cortina d’Ampezzo.


Enrico Mattei was van bescheiden komaf, maar werd een van de invloedrijkste Italianen. Als topman van ENI, de nationale energiereus, loodste hij het door de oorlog verscheurde land het moderne tijdperk in en bezorgde hij Italië een plaats aan tafel tussen de wereldmachten. Maar zijn naoorlogse carrière was stormachtig en omstreden en hij maakte machtige vijanden. Mattei belichaamde de tegenstellingen van zijn tijd: een sluwe industrieel met utopische idealen, een sociaal bevlogen bedrijfsleider.
Iedereen gelijk
Mattei’s visie was niet alleen industrieel of geopolitiek. Ze was ook cultureel. De Olympische Winterspelen van 1956 toonden de wedergeboorte van Italië aan de wereld. ENI maakte deel uit van dat verhaal: de door de staat gesteunde energiereus bewees dat het land weer op eigen benen kon staan. De Spelen verkochten mobiliteit en overvloed; ENI belichaamde precies dat idee. Het logo, de zespotige hond, vergezelde de Italianen langs de wegen en over de bergpassen. Het merk beloofde dat de toekomst zou draaien op binnenlandse energie, niet op Amerikaanse.

Als de Spelen de etalage van Italië naar de wereld waren, was Borca di Cadore de backstage waar de nieuwe Italiaanse middenklasse haar rol instudeerde. Het was een nieuwe manier van samenleven, ingebed in een spectaculair landschap en gedragen door het idee dat economisch succes ook recht gaf op vrije tijd voor iedereen. Mattei’s industriële imperium rustte op de arbeid van duizenden medewerkers, maar hij weigerde hen te zien in een rangorde van bazen en arbeiders; voor hem vormden ze één collectief. Villaggio ENI speelde daarin een centrale rol.

Hoewel het in de eerste plaats het vakantieoord van het bedrijf was, was het niet voorbehouden aan managers, maar een plek waar alle medewerkers, met hun families, elkaar konden ontmoeten. Hier brachten arbeiders en managers hun vakantie zij aan zij door, in identieke chalets, studio’s en hotelkamers: even groot, volgens hetzelfde ontwerp, met dezelfde inrichting. De klassieke tekens van sociale klasse werden er doelbewust uitgewist. In de plaats kwam een egalitaire gemeenschap waar families elkaar troffen in dezelfde bar, dezelfde banken deelden in de kerk en samen een levensstijl proefden die was gebouwd op de Italiaanse vernieuwing en creativiteit: Agip-benzine, Vespa’s, Fiat 500’s en het opgewekte optimisme van de naoorlogse renaissance.


Italiaans modernisme
Om deze visie te realiseren, had Mattei een architect nodig die niet alleen vorm, maar ook het doel begreep. Dat was Edoardo Gellner, de lokale pionier van het modernisme. Mattei kende hem al als de architect van het Agip-motel in Cortina, in beton en hout opgetrokken voor de Winterspelen van 1956. Hij had de stad mee hertekend voor haar afspraak met de televisie. Zijn gebouwen staan er nog altijd: het postkantoor en het aangrenzende Telve-telefoongebouw zijn recent gerestaureerd, en het vernieuwde plein, Largo delle Poste, zet ze opnieuw in de kijker.

Ca’ del Cembro, Gellners eigen woning en atelier hoog boven de vallei, was het laboratorium waar hij zijn nieuwe alpiene vormentaal voor het eerst uitprobeerde. Toen Mattei bij hem aanklopte, was de architect allang geen belofte meer, maar de man die het moderne, Olympische Cortina al in gebouwen had omgezet.

Voor Gellner was Villaggio ENI geen gewone opdracht, maar een totaalproject. In de traditie van de Bauhaus-architecten nam hij alles samen in aanmerking: de ligging van het dorp in het landschap, de gebouwen zelf en de interieurs – tot in de kleinste details, van meubels en verlichting tot serviesgoed. Hij ontwierp een gemeenschap waarbij de architectuur spontane ontmoetingen bijna vanzelf uitlokte. De chalets, in modulaire groepen over de hellingen verspreid, boden tegelijk geborgenheid en bewegingsvrijheid. De bar, de kerk en de tabacchi werden precies zo ingeplant dat ze uitgroeiden tot de natuurlijke knooppunten van het dorp.

De chalets liggen als hoekige sculpturen tussen de dennen. Door de zuidelijk gerichte ramen in sobere houten kaders komt het Dolomieten-landschap binnen – ruw, majestueus, bijna opdringerig. Deze huizen waren niet ontworpen om de natuur te temmen, maar om haar te tonen, alsof ze bezoekers wilden herinneren aan hun bescheiden plaats binnen haar grootsheid.

Binnen frappeert het contrast met de omgeving. Felgele betonvloeren zetten zich af tegen blauwe en rode wanden, de levendige aanrechten in formica en meubels van bijna strenge eenvoud. Samen vormen ze een nauwkeurig gecomponeerd spel van tegenstellingen: gedurfd en rustig, natuurlijk en gemaakt.

Voor zijn tijd was Gellners architectuur radicaal. Hij schoof de zware, versierde alpenstijl van Italië opzij en koos voor onverbloemde moderniteit: scherpe volumes, schuine puntdaken en sobere interieurs. De materialen bleven lokaal en eerlijk – steen, hout, beton – het kleurpalet ingetogen, op de felle accenten na.
Nieuwe droom
In 1956, toen de eerste chalets klaar waren, moet het effect schokkend zijn geweest: een vreemd geometrisch landschap tegen het grillige reliëf van de Dolomieten. Toch bood Villaggio ENI wie er verbleef iets visionairs: een model voor de nieuwe Italiaanse manier van leven. Villaggio ENI was meer dan een ontwerpverhaal. Het was een sociaal experiment: een bedrijfsoord gevoed door hetzelfde naoorlogse optimisme dat Cortina’s Olympische droom aandreef. Een samenlevingsmodel voor de moderne tijd.


Maar de tijd is niet mild geweest voor dit ideaal. Wat in de jaren vijftig vooruitgang heette, noemen we nu erfgoed, om vervolgens een paar kilometer verderop de geschiedenis te negeren. Het symbool van die hedendaagse hybris is de nieuwe bobsleebaan: het ‘Cortina Sliding Centre’. Het is een project dat leest als de antithese van Mattei’s sociale droom. Terwijl het Internationaal Olympisch Comité smeekte om uit te wijken naar een bestaande baan in het buitenland om kosten en natuur te sparen, drukte de Italiaanse regering het project door uit nationaal prestige.

Voor een bedrag van 118 miljoen euro wordt een betonnen slang door het eeuwenoude lariksbos van Ronco getrokken. Honderden bomen sneuvelden voor een infrastructuur die dreigt te eindigen als een verkommerd karkas in de bergen. De werf heeft intussen ook de historische Bob Bar opgeslokt, de plek waar locals hun broodjes porchetta aten. De volkse ontmoetingsplaats moest wijken voor een prestigeproject.
Vliegtuigbom
Van Mattei’s nalatenschap blijft weinig over. Veel chalets zijn opgekocht als tweede verblijf; hun interieurs werden leeggehaald en opnieuw gevuld met IKEA-meubilair. De felle kleuren zijn verbleekt, het majestueuze uitzicht verdwenen achter kanten gordijnen. De bar en de tabacchi, ooit het kloppende hart van het gemeenschapsleven, zijn gesloten. De architectuur blijft achter als een stil monument voor een ideaal dat nooit echt tot ontplooiing kwam.


Toch kwamen enkele chalets in handen van designliefhebbers, die ze tot in de details hebben bewaard. De kerk is nog altijd het pronkstuk van Villaggio ENI. Voor dat ontwerp haalde Gellner zijn vriend en mentor Carlo Scarpa erbij. De ruwe, monumentale vorm rijst als een stille wachtpost op uit de berghelling. Het licht valt door smalle spleten naar binnen en strijkt over kale betonnen muren en houten balken met een bijna sacrale intensiteit. Religieuze diensten zijn er zeldzaam, maar het gebouw blijft open voor sporadische evenementen. De kerk is onuitwisbaar aanwezig – een herinnering aan wat Villaggio ENI had moeten worden, maar nooit helemaal is geweest.

Enrico Mattei’s ideeën en initiatieven zouden hem uiteindelijk het leven kosten. Voor zijn bewonderaars was hij een visionair, voor zijn vijanden was hij een schurk die te veel macht had. In 1962 reisde hij van Sicilië naar Milaan, maar zijn vliegtuig bereikte die oktobernacht de luchthaven van Linate nooit. Volgens later onderzoek ging er een bom af toen het landingsgestel uitklapte; het toestel viel in brokstukken uit elkaar. Het was een schimmig, bijna filmisch einde voor een man van wie de ambities tot in elke uithoek van het naoorlogse Europa reikten.

Tijdscapsule
Wanneer de wereld de Spelen online volgt, zal Cortina er anders uitzien dan toen. De camera’s zullen blijven hangen op de nieuwe bobsleebaan, het gerenoveerde ijsstadion en de branding van sponsors op de tribunes van de Tofane tijdens het alpineskiën voor vrouwen. Persberichten zullen spreken van duurzame investeringen, vernieuwde infrastructuur en een toekomstbestendige bergeconomie. Enkele weken lang zal de vallei opnieuw dienen als showroom voor de versie van vooruitgang waarin we nu willen geloven.

Borca di Cadore komt in dat verhaal niet voor. Het dorp blijft liggen waar het altijd lag, half slapend tussen de bomen, zijn strakke geometrie verzacht door sneeuw en achterstallig onderhoud. De Olympische Spelen komen en gaan, zoals altijd. De bobsleebaan zal verloederen. De reclameboodschappen zijn tegen de lente alweer gedateerd. Maar ergens in Borca di Cadore valt het roze ochtendlicht nog steeds op een gele betonvloer en blijft het licht haken aan de rand van een architectonisch experiment dat nooit helemaal heeft gewerkt, maar koppig weigert te verdwijnen.
Doen in Cortina
La Cooperativa di Cortina
In 1893 opgericht als consumentencoöperatie is dit nog steeds hét warenhuis op de Corso Italia, de winkelwandelstraat van Cortina. Heel de stad komt er voor lokale kazen, autobatterijen, thermisch ondergoed of het laatste boek van Paolo Cognetti. Je loopt er binnen op je skischoenen of in je nieuwste pels.
Corso Italia 40. Meer informatie op de website.
El Brite de Larieto
Eten doe je naast de melkkoeien van Nanda en Flavio, hoog boven het dal. Riccardo Gasparini stelt het menu samen met de producten van de eigen boerderij. Hij staat ook achter het fornuis in zusterrestaurant San Brite, dat intussen een eerste Michelinster behaalde.
Località Larieto. Meer informatie op de website.
Enoteca Cortina
Rond zes uur is het drummen in deze zaak, sinds 1965 dé wijnbar van de stad. Elegante habitués praten er bij met een glas Lagrein of een Sauvignon Blanc van Manincor. De huisbereide tramezzini zijn onweerstaanbaar.
Via del Mercato 5. Meer informatie op de website.
Rifugio Dibona
Vanaf de ingang van het Parco Naturale delle Dolomiti d’Ampezzo wandel je in zo’n twee uur omhoog naar deze berghut, vlak onder de imposante Tofana-rotswand. Je eet er de vermaarde casunzei: lokale ravioli met ricotta, rode biet en papaverzaadjes. En veel boter, uiteraard.
Vallon di Tofana. Meer informatie op de website.
Franz Kraler
Zonder Franz Kraler was er heel wat minder mode in Cortina. Je vindt hier Italiaanse en buitenlandse luxemerken in winkels die elk seizoen opnieuw worden ingericht. Exclusief, maar met een uiterst vriendelijke ontvangst en zeer hulpvaardig meertalig personeel.
Verschillende locaties. Meer informatie op de website.
Caffè Royal
De plek voor een laatste cappuccino voor je gaat skiën. Al banco, aan de bar, zoals het hoort.
Piazza Silvestro Franceschi 12
Meer lezen: