Goed nieuws voor architectuuraficionado’s, nu een reeks ontwerpen van de legendarische architect Léon Stynen heruitgebracht wordt. De meubels werden oorspronkelijk ontworpen voor het Kursaal in Oostende – een paradijs voor liefhebbers. ‘Je voelt en ziet zijn hand hier overal.’
‘De deuren van het paradijs gingen open.’ Architect Luc Vincent is niet vies van wat drama wanneer hij het over het door Léon Stynen ontworpen Kursaal van Oostende heeft. Hij beheert samen met Tania Wolski, de kleindochter van de architect, Stynens nalatenschap, en zij kregen een paar jaar geleden een telefoontje uit Oostende. Er waren interessante dingen gevonden in een kelder van het Kursaal, zo bleek. ‘Het was een geweldig moment. Ook al was het een rommeltje van opeengestapelde meubels, het was alsof je teruggevoerd werd naar de jaren 50.’
Voor Vincent en Wolski was het meteen duidelijk wat ze zouden doen. ‘Net zoals met meubels van toparchitecten Le Corbusier, Mies van der Rohe, Walter Gropius en Ricardo Bofill gebeurde, willen we de ontwerpen van Leon Stynen opnieuw uitbrengen’, legt hij uit. ‘Omdat ze mooi en waardevol zijn, en bovendien prima in onze hedendaagse interieurs passen. Stynen was een humanist, de noden van de mens stonden centraal in zijn werk, en dat voel je aan zijn ontwerpen.’
Frisse zeventiger
De vrouw die de deur naar het paradijs openmaakte, is Els Degryse. Zij werkt ondertussen twintig jaar in het Kursaal van Oostende, kent de plek als haar broekzak en bestudeerde het werk van de man die het ontwierp. ‘Laten we eerst naar de loges gaan’, stelt ze voor, terwijl we haar volgen door een doolhof van gangen en trappen. Van uit een gang bekleed met witte tegels lopen we een kleedkamer vol bouwmateriaal in.

‘Het is chaos omwille van de verbouwingen van de concertzaal, maar hier maakten artiesten als Charles Aznavour en Sharleen Spiteri van Texas zich klaar voor hun optredens. En je ziet overal de toetsen van Stynen. De spiegels, de lampen errond, deze planken…’
In de gang staat een strakke bank met ronde openingen in de ruggensteun. ‘Dit is een van de meubels die hij ontwierp, en die vandaag opnieuw worden uitgebracht. Architecten en antiquairs Charles Leonet en Ngoc Hoang brachten de originele én een kleinere versie op de markt. Geef toe, dit ziet er niet uit als een ontwerp van meer dan zeventig jaar oud.’
Ongelofelijk veel van de inboedel en details werden ook door Stynen ontworpen. Ik vond tekeningen van klokken, deurklinken en zelfs sleutelhangers.
Iets verder staat een ietwat gedateerdere bank. ‘Die komt vermoedelijk uit de leeszaal, al is dit duidelijk niet de originele bekleding, en heeft ze een heel andere stijl. Toen Stynen dit gebouw eind jaren veertig ontwierp, zat hij in een tussenperiode, tussen de vooroorlogse stijl en het modernisme en brutalisme van de jaren zestig. Hij werd geboren aan het einde van de negentiende eeuw en stierf in 1990, in een kleine eeuw tijd zag hij de architectuur spectaculair evolueren. Een stoel als deze zou hij voor de Singel, een gebouw dat in de jaren zestig gebouwd werd, nooit meer getekend hebben.’
Verborgen schatten
Ook al bouwde Léon Stynen de casino’s van Knokke en Oostende, paviljoenen van Expo ‘58, de Singel en de BP Building in Antwerpen, en werkte hij samen met grote namen als Le Corbusier, Camille Huysmans, Henry Van de Velde en Renaat Braem, hij is geen naam die op het puntje van ieders tong ligt.
‘Hij was een bouwer, geen schrijver’, vertelt Degryse. ‘Hij had een duidelijke visie en een filosofie, dat zie je aan zijn werk, maar hij schreef er niet over, en als je niet in de bibliotheek te vinden bent, speelt dat in je nadeel. Architectuurcritici zijn in ons land bovendien vaak niet lovend over de naoorlogse bouwstijl. Gelukkig zijn we de laatste jaren aan een inhaalbeweging bezig en worden modernisme, brutalisme én Léon Stynen weer echt op prijs gesteld.’

Nu was hij ook niet helemaal in obscuriteit verdwenen, want in 1998 werd het Kursaal van Oostende een beschermd monument. ‘In de jaren 60 en 70 werd het gebouw drastisch verbouwd, maar veel van die verminkingen werden na de erkenning teruggedraaid. Meubels, dat is een andere zaak.’

Degryse bestudeerde de inventarissen en ontdekte hoe ongelofelijk veel van de inboedel en details ook door Stynen ontworpen werden. ‘Ik vond tekeningen van klokken, deurklinken en zelfs sleutelhangers. Ik denk dat die man dagen van dertig uur had, aan zijn productiviteit te zien.’
Meubels werden opgeborgen en vergeten, of ze werden weggegooid. Vorig jaar nog vond een technicus een keramische sculptuur verstopt tussen toneeldoeken onder het podium.
Dat was ook nodig, want het Kursaal is een groot gebouw. ‘Een hectare, dat is bijna twee voetbalvelden. De speelzaal, de immense foyer, de concert- en heel wat andere zalen, verschillende bars, hij tekende voor elke ruimte meubels en details, en legde ook de kleuren van schilderwerk, tapijten en gordijnen vast. Sommige ontwerpen, zoals de stoel met buisprofiel en de SL53-lamp, vond je overal, maar dan telkens in een andere versie. Op die manier bracht hij eenheid én verscheidenheid in zijn design. In zijn brieven lees je hoe overstuur Stynen raakte als zijn meubels niet gebruikt werden zoals hij het voor ogen had.’

Jammer genoeg verdwenen heel wat van zijn ontwerpen. ‘Meubels werden opgeborgen en vergeten, ze verdwenen of werden weggegooid. Zelfs toen vorig jaar de verbouwing van de concertzaal begon, vond een van de technici een keramische sculptuur verstopt tussen toneeldoeken onder het podium. Wij hebben alle meubels die we ontdekten, en waarvan we zeker weten dat ze van Stynen zijn, verzameld.’
Geen gemakkelijk man
We zijn ondertussen naar de grote inkomhal gewandeld. Hiernaast had Stynen een nachtclub voorzien, mét zebrastof op de stoelen. ‘We kennen de interieurs van de jaren 50 hoofdzakelijk van op zwart-witfoto’s, maar toen we sommige stoelen in verschillende kleuren weer in hun oorspronkelijke locatie zetten, op de groene tapijten en bij de paarse gordijnen in de Delvauxzaal bijvoorbeeld, beseften we dat dit gebouw een echt kleurrijk interieur had.’
Een interieur vol kunst ook, legt Degryse uit in de ingang van het gebouw. ‘Neem deze zes sculptuurtjes in de ingang. Ze zijn perfecte voorbeelden van hoe Stynen tapisserie, keramiek, monumentaal schilderwerk en beeldhouwkunst een essentieel deel van het gebouw maakte.’

‘Hij was ook directeur van het befaamde Hoger Instituut voor Sierkunsten in Ter Kameren of kortweg La Cambre, toen hij dit gebouw tekende, en vroeg veel collega’s en studenten om een bijdrage te leveren. Dat was niet makkelijk, want het Kursaal werd gebouwd net na de oorlog, in een van de meest gehavende steden van het land, dus hij moest een strijd voeren voor die kunst. Maar hij vond het belangrijk, en dreigde dat als ze de kunst en de meubels die hij had getekend niet zouden goedkeuren, er geen Kursaal zou komen.’ Degryse lacht. ‘Ik denk niet dat hij een makkelijk man was, hij verdroeg geen inmenging of improvisatie.’
Leuk detail, Degryse ontdekte dat een aantal van deze keramische figuren door vrouwelijke beeldhouwers gemaakt werden. Iets wat in haar boek dat dit jaar bij MER (een onderdeel van Borgerhoff & Lamberigts) over het gebouw zal verschijnen, zeker aan bod zal komen.

Opzij van de Erehal gaat een brede trap omlaag, tot aan de zeedijk. ‘Wat veel mensen verbaast, is hoe transparant Stynens ontwerp was. Van bijna overal zie je de zee, en na de verbouwing zal het grote raam in de concertzaal opengemaakt blijven. De lampen hier aan de trap, die je overal in het gebouw ziet, zijn vandaag weer te koop in een heruitgave van Dark. In deze grote versie, maar ook in kleinere exemplaren. Ook het tapijt onder onze voeten werd opnieuw uitgebracht. De mensen van Ashtari Carpets deden hun research heel grondig en hebben naast het originele groen geweldige variaties op Stynens ontwerp bedacht.’
Ontroerend
Dat het tapijt in het Kursaal iets van een Schotse ruit heeft, is niet omdat Léon Stynen iets had met Schotland, vertelt zijn kleindochter Tania Wolski even later. ‘Het is omdat hij van rechte lijnen hield. Ik denk niet dat hij ooit iets met een bloemenmotief ontworpen heeft. (lacht) Hij hield zelfs niet van bloemenjurken.’
Het beeld dat ik van hem heb, is dat van een man die zich over een plan buigt met een lat en een potlood in de hand. Hij werkte tot het einde van zijn leven, en hij werd 91.
Ik spreek Wolski samen met Luc Vincent in een geweldig vuurkamer in een hoekje van wat nu de Lounge heet. Deze ruimte met metershoge ramen en dus fantastisch zeezicht, begon zijn bestaan als een leeszaal in 1953, werd vanaf begin 2000 een restaurant en nachtclub, maar is vandaag gerestaureerd naar Stynens plannen.

‘Dat hij een leeszaal ontwierp, is omdat er in het vorige Kursaal, een opzichtig gebouw naar een ontwerp van Alban Chambon, ook een leeszaal zat’, vertelt Degryse. Deze lounge is vandaag een prachtige ruimte, en de vuurkamer is de perfecte plek voor een gesprek met Wolski en Luc Vincent, over de nalatenschap van Stynen. Ook omdat de stoelen-met-kroontjes die Stynen tekende voor de koninklijke loge, hier een plek vonden.
Stynen vroeg zich af wat een mens nodig heeft om gelukkig te zijn, en gebruikte dat als basis voor zijn design.
‘Het is de eerste keer dat ik de Lounge zie na de restauratie’, vertelt Wolski. ‘De eenvoud van zijn ontwerpen, die tegelijk ook iets complex hebben, verbaast me elke keer weer.’
Ze wijst om zich heen. ‘De tegels, de keramiek, hoe de haard over de hele ruimte doorloopt, de afronding van de houten details, de essentie zit hem in de lijnen en de materialen. Hij vereenvoudigde complexiteit tot duidelijke lijnen, maar de details maken het net weer complex. Een trapleuning lijkt heel eenvoudig, en pas als je je hand erop legt, voel je hoe het ontwerp perfect voor die aanraking ontworpen is. Dat is altijd een plezier om te ontdekken.’

Voor Wolski was Léon Stynen lang gewoon haar grootvader. ‘Ik was niet echt geïnteresseerd in zijn werk als kind. Maar we woonden in een huis dat hij getekend had in La Hulpe en omdat ik het geluk had veel tijd met mijn grootouders door te brengen, kon ik niet missen hoe gepassioneerd hij was door zijn vak. Hij toonde me graag zijn tekeningen en legde uitgebreid uit wat hij deed. Het beeld dat ik van hem heb, is dat van een man die zich over een plan buigt met een lat en een potlood in de hand. Hij werkte tot het einde van zijn leven, en hij werd 91.’

Wolski is blij dat haar grootvader vandaag de erkenning krijgt die hij verdient. ‘Dat mee uitdragen is geen opdracht maar een privilege. Daarom is het ook zo ontroerend om dit gebouw te bezoeken. Hij was een man met een duidelijke visie, en ik voel en zie zijn hand hier overal. Ik ben blij dat deze plek zijn ziel terugkrijgt dankzij een authentieke restauratie.
Mijn grootvader was een man met een duidelijke visie, en ik voel en zie zijn hand hier overal. Ik ben blij dat deze plek zijn ziel terugkrijgt.
Misschien vraagt dit gebouw gewoon wat geduld. Of zoals auteur Eric de Kuyper in 2004 in zijn boek Villa Zeelucht schreef: ‘Het Kursaal is geen bouwwerk waar je op slag verliefd op raakt. Maar als je het eenmaal beter hebt leren kennen, kun je ervan houden. Ja, zelfs hartstochtelijk van gaan houden.’
Op hotel bij Stynen
Stynen was niet erg actief buiten België, maar zijn ideeën gaan terug naar het Bauhaus, vertelt Luc Vincent. ‘Het integreren van kunst en ambacht in architectuur stond centraal, en in dit gebouw is dat uitstekend gelukt.’
‘Dat een aantal meubels en ontwerpen die bewaard bleven of terug opdoken nu weer gemaakt worden, is omdat zijn werk waarde heeft, maar ook omdat ze naadloos te integreren zijn in een hedendaags interieur. Stynen vroeg zich af wat een mens nodig heeft om gelukkig te zijn, en gebruikte dat als basis voor zijn design.’
En in dit salon, zittend op de koninklijke stoelen, met zicht op de storm die boven de zee woedt, kun je alleen maar concluderen dat hij dat uitstekend deed.

Dat wil niet zeggen dat producenten zaten te wachten op de vraag om Stynens ontwerpen opnieuw te produceren. ‘Het vraagt soms heel wat overtuigingskracht,’ geeft Vincent toe, ‘maar ik hou wel van die uitdaging. Praten, discussiëren, overtuigen, de visie van Stynen uitleggen en samen kijken hoe je die naar vandaag kunt vertalen en toch de essentie kunt behouden, het is veel werk, maar zeer boeiend. Het is dan ook altijd een geweldig moment als je een ‘nieuw’ voorwerp voor het eerst ziet. De eerste keer dat we de Expo ‘58 stoel die Bulo heruitbracht zagen, of de Casina-stoel die Marie’s Corner en de lamp die Marnick Smessaert van Dark weer maken voelde als een ontmoeting met Stynen.’

Vincent is ambitieus. ‘Er zijn heel wat meubels en objecten die we kunnen doen herleven. Er is een bedrijf bezig met het herwerken van de houten lambriseringen die je overal in het Kursaal ziet, zowel in hout als in plaaster. Zeer mooi. En we hebben ook een grote droom. In Kopenhagen is een hotel dat door Arne Jacobsen ontworpen werd min of meer in originele staat behouden. Wij hebben in België ook een hotel van Stynen, het Crown Plaza in Antwerpen. Hoe mooi zou het zijn om het interieur weer een echte Stynen-stempel te geven? Dat is nog niet voor morgen, maar een mens mag dromen.’
Léon Stynen
– Geboren in 1899 in Antwerpen, gestorven in 1990.
– Architect, stedenbouwkundige en docent.
– Tekende o.a. de casino’s van Knokke, Blankenberge en Oostende, de BP Building, paviljonene van de Expo ‘58, het Crown Plaza Hotel en de Singel in Antwerpen.
– Werd geïnspireerd door Le Corbusier, Van de Velde en het Bauhaus.
– Was de eerste nationale voorzitter van de Orde voor Architecten.
– Was vanaf 1950 vijftien jaar directeur van het Hoger Instituut voor Decoratieve Kunsten La Cambre in Brussel.
Meer lezen: