Palmolie is een wonderproduct in de industrie. Het is goedkoop te produceren, de opbrengsten liggen tot tien keer hoger dan bij bijvoorbeeld soja, het bewaart lang en het is multi-inzetbaar. Daarom wordt het goedje niet alleen gebruikt in allerlei soorten voedsel, diervoeder en cosmetica, maar ook voor de productie van elektriciteit en als biodiesel. Die laatste toepassing is overigens nog flink in de groei. Maar liefst 46 procent van alle in Europa ingevoerde palmolie wordt uiteindelijk omgezet in biodiesel, zes keer meer dan in 2010.
...

Palmolie is een wonderproduct in de industrie. Het is goedkoop te produceren, de opbrengsten liggen tot tien keer hoger dan bij bijvoorbeeld soja, het bewaart lang en het is multi-inzetbaar. Daarom wordt het goedje niet alleen gebruikt in allerlei soorten voedsel, diervoeder en cosmetica, maar ook voor de productie van elektriciteit en als biodiesel. Die laatste toepassing is overigens nog flink in de groei. Maar liefst 46 procent van alle in Europa ingevoerde palmolie wordt uiteindelijk omgezet in biodiesel, zes keer meer dan in 2010. We gebruiken dus massaal palmolie. Met een wereldwijde productie van 62 miljoen ton per jaar wint ze dan ook ruimschoots de race van andere plantaardige oliën, zoals soja (54 miljoen ton), koolzaad (29 miljoen ton) en zonnebloem (17 miljoen ton). De oppervlakte die palmolieplantages innemen in Indonesië is tussen 1990 en 2010 met maar liefst zeshonderd procent toegenomen en nog steeds blijft de teelt jaar na jaar groeien, ook al worden we continu met verhalen om de oren geslagen over de zware impact ervan. Door de steeds groter wordende vraag naar de goedkope en multi-inzetbare olie verdwijnen hele stukken regenwoud in de gebieden waar palmplantages goed gedijen, zoals Indonesië en Maleisië. Die zijn echter de habitat van onder andere de orang-oetan, de bedreigde apensoort die is uitgegroeid tot symbool van de gevolgen van een industriële palmolieteelt. Ook andere bosbewoners zoals tijgers, olifanten en verschillende vogels hebben zwaar te lijden onder de oprukkende oliepalmwouden. Misschien iets minder mediageniek, maar evenzeer een slachtoffer van de wereldwijde vraag naar palmolie, zijn daarbij nog de lokale gemeenschappen die van hun land verjaagd worden of onder bedenkelijke omstandigheden aan het werk worden gezet.Erg schoon is het blazoen van de sector dus niet. Betrokken consumenten kiezen er dan ook regelmatig voor palmolie te mijden of enkel nog producten met duurzaam geproduceerde palmolie te kopen: een kleine moeite voor wie graag bewust leeft, een groot verschil voor de wereld. Helaas: zo simpel is het niet. Meer zelfs: je kan nooit zeker weten wat er precies in jouw producten zit, blijkt nu uit een studie die werd uitgevoerd door de Belgische ngo's Oxfam-in-België, CNCD-11.11.11, FIAN, AEFJN, Justice et Paix en 11.11.11. Niet dat de sector niet probeert: sinds het begin van de jaren 2000 doen grote internationale producenten pogingen om hun imago op te kuisen. Zo ontstonden initiatieven die een duurzame(re) palmolieteelt hoog in het vaandel dragen, zoals de Rondetafel over Duurzame Palmolie (RSPO) en op eigen bodem de Belgische Alliantie voor Duurzame Palmolie (BASP). Het doel is telkens ambitieus. Zo wil de RSPO de hele mondiale palmoliesector vertegenwoordigen, door zowel producenten als verwerkers te bundelen onder één set duurzame principes zonder in te boeten op economisch vlak. De BASP zet dan weer de standaarden om te spreken over duurzame palmolie erg hoog.De jaren werk van deze organisaties heeft zijn vruchten al afgeworpen. Zo telt de RSPO vandaag maar liefst 2941 leden, verspreid over 85 landen. In 2017 werd 11,46 miljoen ton palmolie geproduceerd volgens de RSPO-principes, goed voor negentien procent van de wereldwijde productie. Het bijhorend logo met het palmboompje is al lang geen onbekende meer in de winkelrekken.België speelt volgens het rapport een belangrijke rol in de wereldwijde handel in palmolie, met haar invoer van veertig kilogram per inwoner per jaar. Dat maakt ons land de op een na grootste importeur van Europa, na Nederland. In 2012 richtten onder andere Ferrero, Lotus Bakeries, Unilever, Vandemoortele en enkele vakfederaties dan ook de Belgische Alliantie voor Duurzame Palmolie op, met als doel tegen 2020 enkel nog duurzame palmolie te gebruiken in hun producten. Als tussenstap werd 2015 aangekruist in de agenda als het jaar waarin enkel nog RSPO-gecertificeerde palmolie gebruikt zou mogen worden op de Belgische markt, een doelstelling die volgens de BASP-leden ook daadwerkelijk is gehaald. Zowel de cijfers die de RSPO verspreidt als de eerste resultaten van de BASP klinken erg mooi, maar betekenen ze ook dat de palmoliesector daadwerkelijk aan het verduurzamen is? Klopt het dat alle palmolie in België gecertificeerd is, zoals verschillende Belgische media in 2015 verkondigden? En kan een bewust voor duurzaam kiezende consument vertrouwen op een RSPO-label? Dat waren de vragen waarop de Belgische ngo's antwoord zochten. Het dossier dat ze erover samenstelden, toont de situatie een pak minder rooskleurig dan ze werd voorgesteld door beide duurzaamheidsorganisaties. De leden van de Belgische Alliantie voor Duurzame Palmolie stelden het erg mooi voor in 2015: de Belgische palmoliemarkt was volledig duurzaam. Dat blijkt nu echter niet te kloppen, volgens het rapport van Oxfam-in-België, CNCD-11.11.11, FIAN, AEFJN, Justice et Paix en 11.11.11. Zo ging enkel de voedingssector engagementen aan binnen de BASP. De cosmeticasector is wel aangesloten, maar heeft zich nergens toe verbonden. De transportsector, die de laatste jaren de grootste opslorper is van palmolie door de groeiende vraag naar biobrandstoffen, is helemaal niet vertegenwoordigd. Spreken over een 100 % duurzame Belgische markt lijkt dan ook bij de haren getrokken. Ook wanneer de ngo's aannemen dat de BASP enkel de Belgische voedingssector bedoelde, blijft de claim twijfelachtig. Zo is COMEOS, de federatie van handelszaken, restaurantketens en cateringbedrijven, niet aangesloten bij de alliantie en blijven de meeste supermarktketens gewoon producten met niet-gecertificeerde palmolie op de markt brengen.Bovendien worden enkel de bedrijven die rechtstreeks aangesloten zijn verplicht de doelstellingen van de alliantie te volgen, maar diezelfde verplichting geldt (logischerwijs) niet voor de leden van aangesloten federaties. Van hen wordt enkel verwacht dat ze hun leden stimuleren om meer te kiezen voor duurzaam, niet dat ze al hun leden doen aansluiten. Dat verklaart meteen waarom de onderzoekers verschillende in België geproduceerde producten aantroffen zonder of met maar een klein percentage aan RSPO-gecertificeerde palmolie. Tenslotte richt de BASP zijn pijlen enkel op producten bestemd voor de Belgische markt. De vier grote palmolie producerende ondernemingen met hun hoofdzetel in België blijven grotendeels buiten schot. Enkel het bedrijf SIPEF heeft zich geëngageerd en dan nog 'is die participatie veeleer van morele waarde, aangezien de engagementen van de BASP vooral betrekking hebben op de eindproducten bestemd voor de Belgische markt'. De Belgische producenten wedijveren (nog) niet met Aziatische reuzen, maar beheren samen wel al meer dan één miljoen hectare land en zullen naar alle verwachtingen blijven groeien. Een 100 % duurzame Belgische markt? Dat blijkt nogal relatief.Daarbij namen de schrijvers van het rapport ook onder de loep wat juist onder 'duurzaam' begrepen wordt en hoe wordt gecontroleerd of die voorwaarden wel worden nageleefd. Ze concluderen dat, zelfs wanneer een verpakking vermeldt dat het product gemaakt werd met duurzame palmolie, je als consument eigenlijk nooit zeker kan weten wat je in handen hebt. De Belgische organisatie die palmolie hier duurzaam wil maken, steunde tot 2015 helemaal op de internationale standaard die RSPO bood. Het vertrouwen in die standaard is niet onlogisch, want de acht principes die het hanteert - van transparantie tot respect voor het milieu -, klinken veelbelovend. Toch blijkt de RSPO-norm niet waterdicht te zijn, aldus het rapport. Je kan nog zoveel mooie principes lanceren, het eindresultaat staat er pas wanneer die ook worden gerealiseerd. En daar knelt het schoentje, zo zeggen de ngo's. Aangesloten bedrijven worden wel verplicht om controles te laten uitvoeren, maar die zijn lang niet altijd objectief en onafhankelijk. De externe auditeurs - bedrijven die betaald worden door de bedrijven die ze moeten controleren - baseren zich bij hun controle vaak op bedrijfsdocumenten en zullen niet snel de hand die hen voedt uit het oog verliezen. Zelfs wanneer een controle toch negatief zou uitdraaien, is de kans op een sanctie vervolgens erg laag: 'Van bij de aanvang toonde de RSPO zich bijzonder terughoudend om zijn leden die de norm niet naleven te bestraffen,' aldus het rapport. 'Het probleem om sancties op te leggen schuilt in de vrijwillige aard van het lidmaatschap.' Een van de doelen van de RSPO is om zoveel mogelijk bedrijven aan boord te krijgen en mainstream te worden, iets wat verhinderd zou kunnen worden wanneer de drempel te hoog wordt. Verder onderscheidt de RSPO vier verschillende modellen van duurzaam werken. Het ene uiterste is een model waarbij de palmolie kan worden getraceerd tot in de afzonderlijke plantages, de andere kant is een virtueel platform waarop producenten hun overaanbod aan gecertificeerde palmolie aanbieden via een uitwisselingssysteem van certificaten, vergelijkbaar met hoe Europese landen 'schone lucht' aankopen om milieudoelstellingen te halen. Dat laatste model werd uitgewerkt om het bedrijven die de overstap wilden maken gemakkelijker te maken, maar het is vandaag nog steeds het meest gebruikte certificeringsmechanisme. De traceerbaarheid van de bewuste palmolie is miniem. Niemand kan garanderen dat de palmolie in een product afkomstig van een bedrijf dat volgens het laatste systeem werkt, ook daadwerkelijk duurzaam is geteeld. De Belgische Alliantie voor Duurzame Palmolie begrijpt de tekortkomingen van de RSPO en ziet het systeem daarom voorlopig als tussenstap. Vanaf 2020 worden de regels voor haar leden een pak strenger. Zo mag bijvoorbeeld de olie vanaf dat jaar enkel nog uit de RSPO-categorie komen waarbij de oorsprong volledig bekend is ('Identity Preserved'), mag de oliewinning op geen enkele manier bijdragen aan ontbossing en moet er ook met kleine onafhankelijke producenten gewerkt worden. De doelstellingen zijn dus ambitieus, maar de groep ngo's achter het rapport over duurzame palmolie is kritisch: 'De BASP heeft nog geen mechanisme ingevoerd om te controleren of de leden de verplichtingen nakomen en, zo nodig, het niet naleven ervan te bestraffen.' Daarbij hekelt de groep het gebrek aan transparantie. Ondanks het engagement van de leden om hun concreet actieplan te publiceren, is er nu te weinig informatie beschikbaar om na te gaan of de bedrijven hun beloftes omzetten in daden. De conclusie is hard: 'Net als bij de RSPO zijn de verant­woordingsmechanismen van de BASP nog steeds onvoldoende ontwikkeld en spitst de alliantie zijn inspanningen meer toe op de communicatie met het publiek.'Praktisch niemand in België kan dus volledig zeker zijn van waar de palmolie in zijn producten vandaan komt, luidt het verdict. De organisaties achter het rapport zijn vragende partij voor meer overheidsregulering en doorgedreven controles door onafhankelijke organisaties, maar de eventuele komst van wetgeving kan nog lang duren. Wat dan als je in tussentijd absoluut wil verhinderen dat je bijdraagt aan de ontbossing, verdringing van dieren- en plantensoorten en mensonwaardige werkomstandigheden? Is er helemaal niets wat je kan doen? Helaas: niet echt. Dat zegt 11.11.11-medewerker Lien Vandamme, gevolgd door de boodschap dat je enkel zeker kan zijn dat je geen ongecertificeerde palmolie eet als je geen palmolie eet. 'Al hangt er een label op, de Belgische consument kan vandaag nooit weten of de palmolie in een product echt van een duurzame plantage komt. Dat wil ook niet zeggen dat het niét kan, maar niemand kan het met zekerheid stellen. Daarom raden wij vooral om aan minder verwerkte producten te eten en meer zelf te koken.'