Column

Jean-Paul Mulders

‘Schrijvers zijn zoals witte sokken in sandalen: wat modieus is, is daarom niet welriekend of smaakvol’

Jean-Paul Mulders Columnist voor Knack Weekend en schrijver

Ik lees een roman van een beroemde schrijver die sporen van de tand des tijds vertoont. Er staan zinnen in als ‘De geitenhoeder nam het geld van de vrouw aan, bedankte haar en liep pijpend verder de straat in.’

Daar moet ik om lachen, want vandaag vereenzelvigen we pijpen met een blowjob. Dat is een bizarre benaming voor een activiteit waar weinig blaaswerk aan te pas komt. Volgens sommigen heeft het daarmee niets te maken, maar komt het koudweg van below job.

Ik laat de etymologie voor wat ze waard is en fiets naar de stad, waar het heet is voor de tijd van het jaar. Het asfalt zindert en de lucht drukt als gelatine op de mensen en hun geliefde auto’s. Er passeert een man met witte sokken in sandalen. Na decennialang verguisd te zijn geweest, is die combinatie onverwachts weer hip geworden. “Tweeduizend jaar geleden liepen de Romeinen al zo rond”, las ik ergens. De Romeinen waren ook bang op het toilet, herinner ik mij. Ze geloofden dat demonen uit de riool naar omhoog konden klauteren om bezit te nemen van de antieke kakker. Bij toiletten uit die tijd zijn amuletten aangetroffen. Bezwerende spreuken moesten de Romein tijdens zijn toiletbezoek beschermen tegen opklimmende gedrochten.

Schrijvers zijn zoals witte sokken in sandalen: wat modieus is, is daarom niet welriekend of smaakvol

Ik neem plaats op een terras en bestel een flat white die er nogal zwart uitziet. Op de tafel van de jongeman naast mij ligt Naar Merelbeke van Stefan Hertmans. De jongeman is een jaar of dertig. Hij komt uit Albanië en leest romans om zijn Nederlands bij te spijkeren, dat nochtans al zo goed als perfect is. Aan Hertmans moet hij nog beginnen, maar Het gevaar van Jos Vandeloo vond hij overweldigend. “Die dialogen!” zegt hij vol ontzag. Mijn gedachten gaan naar de schrijver met de walrussnor, die al De croton schreef toen ik nog niet wist dat dat ook maar een kamerplant is. Ik zeg dat geen hipperd het nu nog in zijn hoofd zou halen om in het openbaar Jos Vandeloo te lezen. Hij was beroemd toen ik klein was, maar viel daarna uit de gratie en sukkelde de vergetelheid in. Het biedt troost dat een jongeman zonder vooroordelen toch weer enthousiast is over Jos zijn boeken. Uiteindelijk zijn schrijvers zoals witte sokken in sandalen: wat modieus is, is daarom niet welriekend of smaakvol.

Ik neem afscheid van de jongeman en fiets terug naar huis. In de zoele avondlucht rijdt er een jonge vrouw voor mij uit. Als ze haar arm uitsteekt ten teken dat ze wil afslaan, bemerk ik tal van tatoeages op haar huid. Een ervan luidt: ‘1967’. Ik vind het mooi dat je zowel getatoeëerd kunt zijn als hoffelijk in het verkeer.

Het jaartal laat mij niet los; thuisgekomen zoek ik het op. Op internet vind je een lijst van pausen, van dakwerkers en van gebeurtenissen in 1967. In dat jaar werd de eerste pulsar ontdekt en is de eerste harttransplantatie verricht in het Groote Schuur ziekenhuis. Je had ook the Summer of Love, maar die was van de hippies. Niets daarvan lijkt mij belangrijk genoeg om in je vlees te laten kerven.

Intussen is de avond al gevorderd. Ik besluit om te gaan slapen en mij het hoofd niet meer te breken over voorbije tijdsgewrichten.

De beste raadsels worden trouwens nooit opgehelderd.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content