SNORREND DOOR HET ZUIDEN

Mooi maar ontoegankelijk : het Château de Bannes.

Wijngaarden, groene heuvels, eeuwenoude kastelen en ingedommelde stadjes: per Vespa proeven we van drie regio’s in Zuidwest-Frankrijk: de Dordogne, de Haut-Agenais en de westelijke wijnstreek.

Anne Van Hullebus verwierf niet alleen in korte tijd naam en faam als gastvrouw van haar palladiaans aandoende Château du Rayet in de Haut-Agenais, ze wil haar gasten ook graag de drie regio’s laten ontdekken die binnen handbereik liggen. Waarbij een Vespa het geëigende middel leek om zowel het wijngebied in het westen te verkennen, als de Dordogne in het noordoosten en de brede valleien in het zuiden.

Wie verzot is op wijn, kan de Vespa bij een eerste tour richting Bergerac sturen, en passeert dan het ingeslapen stadje Issigeac, waar we al even halt houden voor een koffie in Le Lion d’Or. Uitbater Mousse, die me tijdens de koffie het verschil uitlegt tussen de rugby à treize en de rugby à quinze, heeft er bovendien de perfecte samenlevingsvorm voor rokers en niet-rokers uitgedokterd, door een deel van zijn tafels aan het tot de grond reikende raam te zetten, zodat de helft van de gasten binnen, en de andere helft op straat kan plaatsnemen. Onze eerste echte halte betreft het kasteel van Monbazillac, dat zo op de postkaart kan en uitkijkt over 3000 hectare wijngaarden. De druiven voor de eigen kasteelwijn rijpen op een klein deel daarvan, pakweg 20 hectare. Het gebouw zelf dateert uit de zestiende eeuw en oogt als een keurig kleinood dat eeuwenlang als lustslot gebruikt werd en vier forse torens bezit. Er staan nog wat antieke meubels en er hangen fraaie wandtapijten, maar het is vooral de tentoonstelling van het werk van de cartoonist Sem die ons bezighoudt. Georges Goursat werd in 1863 in Péri- gueux geboren, maar ging zijn geluk als tekenaar en cartoonist vanaf de eeuwwisseling in Parijs zoeken, waar hij l e vrai et le faux chic scherp in beeld bracht. Of zoals hijzelf schreef : “Je me suis exercé à rechercher le caractère des choses et des gens et à en découvrir le côté ridicule…”

Bergerac is een stadje op mensenmaat dat in de loop der eeuwen een eigenheid wist te verwerven door zijn keuze voor het protestantisme en flink van zich afbeet in zijn strijd met de katholieken. Door zijn ligging aan de Dordogne en zijn positie tussen Bordeaux en de Auvergne kon er een nijvere handelsactiviteit opbloeien, maar die steile opgang werd in 1629 bruusk afgeremd toen Richelieu vond dat het welletjes was met de arrogantie van de hugenoten en de stad een opdoffer verkocht die ze nooit echt meer te boven is gekomen : de welstellende families weken uit naar Nederland en Engeland, terwijl het voetvolk dat achterbleef zich toe ging leggen op de tabaksteelt. Het Franse tabaksinstituut is er gevestigd, en in het fraaie interieur van het Maison Peyrarède, een herenhuis uit de zeventiende eeuw, is er ook een tabaksmuseum dat meer dan de moeite van een bezoek waard is, en waar zelfs een Nederlandstalige handleiding aanwezig blijkt. Tabak werd in Europa vanaf 1560 verhandeld, eerst om te snuiven, later om te roken. De rijkelijk versierde pijpenkoppen, kwispedoors en ivoren tabaksraspen zijn er in groten getale aanwezig. Er staan tabaksdozen die verwijzen naar de sociale achtergrond van de roker, sigarettenetuis en luciferhouders die de herinnering aan andere tijden tot leven wekken, toen roken een genot was dat talrijke ambachtslui een broodwinning bezorgde…

OORLOG EN VREDE

’s Anderendaags zetten we al vroeg koers naar het noorden, waar kastelen en versterkingen in het landschap groeien. Ze getuigen van de onveiligheid van weleer, en van de spanningen tussen katholieken en protestanten. Tussen 1562 en 1594 woedden hier de godsdienstoorlogen, nadat het kruim van het land zich tot het calvinisme had bekeerd, als reactie tegen de uitspattingen binnen de rooms-katholieke kerk. Beynac is zo’n uitzonderlijke plek die getuigt van het ruige verleden in deze streek, waar ook Fransen en Engelsen vaak tegenover elkaar hebben gestaan, en waar de dichter Paul Eluard heeft gewoond. Maar er zijn ook vredelievender oorden. Het Château des Milandes bijvoorbeeld, dat in 1489 gebouwd en een kleine vier eeuwen later gerestaureerd en aangepast werd. Een stoer geheel met neogotische trekjes dat omringd wordt door tuinen die een mooi uitzicht bieden op een bocht in de Dordogne.

Een mooie maar niet echt uitzonderlijke plek, tot er in 1937 een zwarte Amerikaanse langskomt. Joséphine Baker is 31 jaar eerder in het Amerikaanse Saint Louis geboren uit een zwarte moeder en een onbekende vader. Het berooide gezin kan zich niet veel permitteren, zodat het meisje al jong uit werken moet gaan. Dat valt niet mee in het racistische zuiden, maar de kleine Joséphine werpt zich tussendoor op haar passie voor het dansen en verdient op haar veertiende haar eerste zakgeld bij het Booker Washington Theater. Al snel wordt ze opgemerkt en door een Amerikaanse uit Parijs naar de Franse hoofdstad uitgenodigd voor de Revue Nègre in een theater op de Champs Elysées. Ze is pas negentien en zet meteen al haar troeven in. Als ze gaat dansen in een pak dat enkel uit roze pluimen bestaat, is Parijs te klein. Twee jaar later verovert ze alle harten als ze in de Folies Bergères optreedt met enkel een ceintuur van bananen. Uiteindelijk richt ze haar eigen cabaret op en wordt door de grootste couturiers gekleed. Ze verdient veel geld en geeft veel geld uit, en als ze in Milandes langskomt, is ze meteen verliefd en huurt ze het kasteel. Tien jaar later, in 1947, koopt ze het hele complex en twee jaar later zelfs het nabijgelegen dorp.

Die aankoop is niet alleen maar een gril van iemand met te veel geld. Ze is haar jeugd niet vergeten, en evenmin de vernederingen die ze als jong zwart kind heeft moeten ondergaan, en ze wil dat het dorp uitgroeit tot le village du monde. Dat dorp is niet alleen een soort pretpark, maar ook een ontmoetingsplaats, en de plek waar ze tien jongens en twee meisjes van verschillende nationaliteiten en godsdiensten zal adopteren als om de wereld te tonen wat mogelijk is met liefde, respect en goede wil. In 1957 zet ze er de eerste wereldconferentie tegen racisme op, zes jaar later zal ze in Washington naast Martin Luther King opstappen tegen racisme. Naar centen kijkt ze niet om, en ze moet enkele keren de draad van haar carrière weer opnemen om geld bijeen te sprokkelen voor het kasteel. In 1964 staat ze aan de rand van het bankroet, maar Brigitte Bardot trommelt enkele collega’s op om haar te helpen. Dat lukt aanvankelijk wel maar het soelaas zal slechts van korte duur blijken, en vier jaar later wordt het domein aan een tiende van zijn prijs verkocht en staat Joséphine Baker op straat. Letterlijk. Het is het begin van het einde van een leven vol passie en menselijkheid dat in foto’s, kostuums en ensceneringen te kijk staat.

OUDE STENEN

Typisch voor de streek zijn de bastides, de versterkte steden met een dambordpatroon, kaarsrechte straten en smalle zijstraatjes, de carreyrous. Aan de zuidelijke oever van de Dordogne is Domme behoorlijk intact gebleven, maar erg toeristisch. Het mooiste voorbeeld duikt tegen de avond op, als we in Monpazier de Vespa stallen. Het centrale plein met de arcades is het mooiste dat ik in jaren gezien heb, en het doet ondanks zijn rechthoekige vorm aan het centrum van Lucca denken. Een overdekte graanmarkt met een subliem gebinte beheerst een deel van het plein waarrond enkele ambachtslui een werkplek hebben gevonden : een vrouw legt zich toe op het vergulden van houten figuren, terwijl een horlogemaker er tussen heerlijke pendules en verroeste veren werkt. Op een hoek van het plein runt Jürgen Eckhart sinds acht jaar een café-kunstgalerie waar nu eens niet de vruchten van de locale, petieterige huisvlijt te kijk hangen.

“Ik kwam hier voor het eerst om een klein huisje te bekijken dat een vriend had gekocht, en ik ben er vele keren teruggekeerd, altijd weer omwille van de stenen. Uiteindelijk heb ik me hier gevestigd, na dertig Berlijnse jaren, en af en toe buig ik me over de restauratie van huizen van een hoofdzakelijk Engels cliënteel.”

De liefde van de kastelein-architect voor mooie volumes en lijnen uit zich ook in dunne boekjes over locale architectuur die hij in eigen beheer uitgeeft, terwijl zijn sympathie voor de verfijnde, plaatselijke gastronomie zich onder andere vertaalt in kleine, stevige koffies. Monpazier is een heerlijke plaats met nauwelijks vijfhonderd inwoners, enkele pittige restaurants, een volwassen krantenzaak, bloemen en groen, wijnranken en rust. Een stadje dat ondanks het toerisme eigenlijk vooral zichzelf gebleven is. Ik wacht er op het zonlicht dat bijna de hele dag afwezig is gebleven en geniet er in stilte van. Het plein met zijn onregelmatige bevloering is een ramp voor hoge hakken maar een streling voor het oog. Het wordt door een stevige architectuur omarmd die getuigt van eenvoud, wandelaars laten er tegen de avond hun hond uit en de zwaluwen bouwen hun nesten tegen de eeuwenoude gevels.

Als ik ’s avonds op het Château du Rayet terugkeer, heb ik meer dan honderdvijftig kilometer op de teller van de Vespa en trek ik me voor een uurtje terug in de minimalistische kamer die Anne er sinds kort in een schuur heeft opgezet.

GROENE VERGEZICHTEN

Vooraleer ik de meest zuidelijke lus ga verkennen, rij ik in alle vroegte door de nevels boven het landschap naar het kolossale kasteel van Biron, dat als een mastodont boven de horizon heerst. De oudste delen dateren uit de twaalfde eeuw, en de familie De Gontaut hield het gedurende vierentwintig generaties in haar bezit. Eén van hun meest ambitieuze nazaten, Charles de Gontaut, mocht in 1598 de nieuw gestichte baronie beheren maar al snel kregen hoogmoed en zelfoverschatting hem in hun greep. Hij beraamde met enkele medestanders een plan om zich af te scheuren van het koninkrijk, maar toen Hendrik IV daar lucht van kreeg, liet hij hem naar Parijs komen om zijn overmoed op te biechten. Toen hij dat weigerde, werd hij naar de Bastille gebracht, waar hij letterlijk een kopje kleiner werd gemaakt.

Zijn nazaten bouwden de versterking verder uit, en wie er langskomt, vergaapt er zich aan de grootsheid van het geheel met zijn beroemde kapel, zijn binnenhof en zijn Cour d’Honneur. Ik ontmoet er Chris-tophe, die over het patrimonium waakt en me meeneemt naar een vreemdsoortige, kleine obelisk op het dorpsplein, die een nietig symbool van inventiviteit blijkt te zijn. Een Duitse architect heeft er een monumentje van gemaakt door aan enkele dorpelingen uitspraken over dood en vergankelijkheid te ontlokken, die nu in rode plaatjes op het beeld prijken. Een bescheiden verzameling van wijsheid en ervaring die tot bezinning aanzet.

Op de zuidelijke route passeer ik Villeréal en begeef me op kronkelende wegen door een breed uitwaaierend landschap met groene vergezichten, zonnebloemen en pruimelaars. Een postkaart waarin blondes d’aquitaine grazen, walnoten, appels, perziken en aardbeien worden geoogst, en gebouwen met Italiaans aandoende baksteentjes verrijzen. Ik zoek een schaduwrijk hoekje in Villeneuve-sur-Lot en vat dan de klim aan naar Pujols, een rustig stadje in de heuvels waar ik de ware aard van de streek tot me laat doordringen en waar ik in de oudste kerk een fraaie verzameling van vijftiende-eeuwse muurschilderijen bewonder. Als de tijd voor het aperitief is aangebroken kijk ik vanaf de versterkte muren uit over de brede valleien die Anne het mooiste landschap van haar regio noemt.

DOOR PIERRE DARGE – FOTO’S PPI

Kastelen en versterkingen liggen verspreid over het lieflijke landschap, als getuigen van het ruige verleden.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content