Isabel Marant heeft haar imperium traag opgebouwd, en altijd haar zin gedaan. Maar ook zij kan niet ontsnappen aan het helse ritme van de mode.

Isabel Marant is de ontwerpster achter een zekere Parijse stijl : elegant en intelligent, bourgeois en bohemien (ze is, met een schep zout, de hogepriesteres van de bobo-look). Haar bedrijf is enorm succesvol. Ze heeft 120 mensen in dienst, eigen winkels in Parijs, Madrid en, sinds vorig jaar, New York. Binnenkort volgt Beiroet. Marant is haar eigen baas. Wil ze naar Beiroet ? Dan wordt het Beiroet.

Haar hoofdkwartier, in de buurt van place de la République, is te klein geworden. Binnenkort verhuist ze met haar team naar een pand aan place des Victoires. Daar krijgt ze eindelijk een eigen bureau. Maar eerst moet de collectie voor komende winter de deur uit. We lunchen onder het glazen dak van haar atelier, tussen de voorbereidingen van haar komende defilé. Marant, die in april 44 wordt (we hadden haar veel jonger geschat), zegt dat ze gisteren voor de verandering weer eens veel te laat gewerkt heeft. Maar ze ziet er stralend uit en ontwapenend, gekleed in jeans en een beige truitje van Play Comme des Garçons. Ze lacht dat ze normaal gezien vooral haar eigen kleren draagt, alleen dat truitje is onweerstaanbaar. En haar man en haar zoon hebben er elk ook eentje : het is het gezinsuniform van de Marants.

Isabel Marant : “Ik ben eerlijk gezegd niet zo’n liefhebber van defilés. Maar zo’n show haalt je wel uit je schelp. Het is een stijloefening, een uitdaging die je verplicht net iets verder te gaan. Zonder shows zou mijn mode misschien wat braver zijn. Ik maak het liefst draagbare, echte kleren. Maar het is nu ook niet zo dat ik voor het defilé ondraagbare kleren ontwerp. Uiteindelijk maakt vooral de styling het verschil.”

“Ik denk nooit aan het podium als ik aan een collectie begin. Dat komt pas later, een week of vier voor D-day. Ik vergelijk mezelf soms met een beroepsatleet. Je traint en traint, en hoe dichter je bij de finale komt, bij de laatste sprint, hoe warmer je het krijgt. Als je aan een collectie begint, heb je een beeld in je hoofd, en dat wordt mettertijd alleen maar duidelijker. Het is een opwindend gevoel. Ik werk instinctief. Zolang ik de dingen niet concreet zie, blijven ze hypothetisch. Die flou kan lang duren. Je bouwt zo’n collectie stap voor stap, en soms gebeurt het dat een stuk waar je veel van verwachtte gewoon rommel is. En dan begin je opnieuw.”

“Op de dag van het defilé zit je altijd met het gevoel dat het weer een keer niet helemaal perfect is, dat het beter had gekund. En dat je, met wat meer tijd, iets fantastisch had kunnen doen. Dat gevoel van frustratie komt elk seizoen terug. Voor mij is dat een motor. De frustratie helpt me om aan de volgende collectie te beginnen. Om een nieuw verhaal te schrijven.”

U begon al in 1989. Isabel Marant : Ik had toen een accessoiremerk. Ik ontwierp ringen en riemen, zeer conceptueel. Ik werkte ook voor andere ontwerpers. Mijn moeder had een tricotcollectie, en vroeg me ooit om enkele truien te ontwerpen. We zijn toen samen begonnen aan een iets jongere lijn. Maar het heeft tot 1994 geduurd voor ik beslist heb dat ik er echt voor zou gaan. Ik was er toen klaar voor.

Het heeft relatief lang geduurd voor Isabel Marant een gevestigde naam werd. Het was nooit mijn droom om wereldberoemd te worden. Ik wilde vooral mijn zin doen. En ik had geen zin om voor iemand anders te werken. Ik ben er destijds gewoon aan begonnen en ik heb het geluk gehad dat ik me goed heb kunnen omringen, met mensen die me gebracht hebben naar de positie waar ik me nu bevind. Maar voor mezelf heb ik die ambitie nooit echt gehad. Ik ben ergens het slachtoffer van mijn succes. Enfin, slachtoffer, dat is een groot woord. Laten we zeggen dat ik nooit gedacht had dat ik bekend zou worden, of zelfs maar had durven dromen dat ik een bedrijf zou leiden van 120 mensen, dat ik winkels zou openen in de hele wereld. Ik heb geen bovenmaats ego. Ik doe wat ik graag doe, zonder dat iemand me komt dicteren hoe ik me zou moeten gedragen. En ik voel me goed zo. Ik ben erg gelukkig.

Intussen belichaamt u een zekere Parijse stijl. Hm, dat schijnt inderdaad zo te zijn. Ik geloof dat ik alleen een bepaalde generatie op een juiste manier weerspiegel. Een generatie, en een état d’esprit. Is mijn stijl typisch Parijs ? Niet noodzakelijk. Ik ben natuurlijk hier opgegroeid, omringd door een welbepaalde cultuur. Mijn mode wordt vaak bobo genoemd. Ik houd niet van die uitdrukking. Bobo is niet Frans. Je vindt overal ter wereld mensen die op een soortgelijke manier leven en denken.

Ik denk dat ik het product ben van een bepaalde tijdgeest. Ik denk vaak aan vrouwen als Rykiel of Chanel. Die waren het symbool van hun tijdperk. Ik geloof, zonder pretentieus te willen klinken, dat ik op een vergelijkbare manier gelinkt ben aan mijn generatie. Mijn klanten zijn met mij gegroeid, ze zijn me altijd trouw gebleven. Ze hebben enorm veel gemeenschappelijk. Op cultureel vlak, op politiek vlak. Ze zijn ecologisch bewust, artistiek gedreven. Het zijn geen overdreven sexy vrouwen.

Ik las dat u niet van sexy zou houden. Neen, dat klopt niet. Ik herken me niet in vrouwen die pronken met een opgeblazen boezem. Ik herken me niet in plastische chirurgie. Het raakt me niet. We zijn allemaal anders. Dat is een rijkdom. Ik heb een hekel aan uniformisering. Ik vind het jammer dat sommige vrouwen, ongeacht hun leeftijd, absoluut op het een of ander model willen lijken. Ik houd van vrouwen met échte gelaatsuitdrukkingen, met rimpels. Zo’n pin-up met joekels van borsten kan natuurlijk ook heel mooi zijn, maar er moet toch ook iets meer zijn.

Ik houd niet van het absolute van de mode, van de dictatoriale trekjes van de industrie. Toen porno chic verscheidene jaren een fenomeen was, bestond ik niet. Ik vond dat… ( ze trekt een vies gezicht). Je kunt niet zeggen : nu ga je er zo uitzien, en als je niet luistert, dan besta je niet meer.

Was dat tijdperk van de porno chic voor u een moeilijke periode ? Eerlijk ? Absoluut niet. Omdat ik, zoals ik al zei, geen last heb van een enorm ego. En omdat ik altijd heb kunnen doen wat ik wou doen. Mijn klanten zijn me altijd blijven volgen, mijn verkoopcijfers zijn nooit gedaald, integendeel. Het zou pijn doen als ik commercieel op mijn gezicht ging, als niemand plots nog zin had om mijn kleren te dragen.

U bent altijd uw eigen baas gebleven. U bent ontwerper, maar ook zakenvrouw. Ik ben geen dromer. Ik heb verstand van zaken, ik heb nooit schrik gehad van het economische aspect van mode, en ik sta met mijn beide voeten stevig op de grond. Dat heeft me geholpen. Vandaag houd ik me niet meer rechtstreeks bezig met het management, maar ik neem wel alle beslissingen. Het is mijn bedrijf. Ik krijg geregeld voorstellen van investeerders, maar dat interesseert me niet. Ik heb voldoende bewezen dat ik mijn bedrijf kan runnen. Ik zie niet in waarom ik er iemand zou bijhalen die me gaat vertellen hoe ik meer winst kan maken. Ik zit niet in de mode voor het geld.

Die onafhankelijkheid verklaart volgens mij ook voor een deel het succes van mijn merk. Ik ben integer. Ik doe niets waar ik niet achter sta. Ik laat me niet beïnvloeden door financiële overwegingen of marketingpraat. Dat soort merken is er al genoeg.

U hebt geen marketingafdeling ? Gaat het niet goed ? Af en toe vraagt iemand van het commercieel team of ik misschien dit of dat kan doen. Ik luister, maar ik doe niet noodzakelijk wat ze me vragen.

Voelt u zich verwant met andere ontwerpers ? U wordt vaak in één adem genoemd met Vanessa Bruno. Vanessa verkocht als eerste Isabel Marant in Parijs, toen ze nog geen eigen label had. We behoren tot dezelfde generatie, we hebben een vergelijkbaar parcours. Ik ben in zekere zin de brunette, en zij is de blondine. Het is normaal dat we vergeleken worden, al is onze mode uiteindelijk erg verschillend. Ik voel een zekere verwantschap met de meeste vrouwen van mijn generatie : Véronique Leroy, Phoebe Philo, Hannah MacGibbon. Maar we drukken ons allemaal anders uit. Het zal wel dat ik meer met hen gemeen heb dan met een Thierry Mugler.

U hebt nog gewerkt voor Mugler. Voor Mugler, voor Claude Montana ook, toen ik pas begon in 1989. Ik maakte juwelen voor hen. Het was een mooie ervaring. Ze hadden ontzettend veel talent. Ik was een reusachtige fan van Montana.

Hun ster is intussen getaand. Schrikt het u af, ouder worden ? Ouder worden is niet gemakkelijk, zeker in de mode. Imago is alles, en alles staat in het teken van paraître. Ik heb altijd gezegd dat ik op mijn vijftigste met pensioen zou gaan. Ik weet niet of ik woord zal houden, maar ergens hoop ik het voor mezelf. Het is moeilijk om aan de top te blijven. Je wordt sowieso ooit de ringard van een toekomstig jong talent. Het is een moeilijk vak. Je mag je nooit eens laten gaan, je moet voortdurend gefocust zijn, energie hebben. Dat is niet evident, zeker niet als je een gezin hebt, kinderen. De mode is ook niet alles in mijn leven. Ik ben niet van plan om van de ene dag op de andere te stoppen. Ik zou mensen willen opleiden, en ervoor zorgen dat die het merk fris houden. Zoals Rykiel die haar bedrijf in handen heeft gegeven van haar dochter. Dat vind ik intelligent.

Rykiel was de vijftig wel al ruimschoots voorbij. Ik hoop dat ik vroeger kan stoppen. Ik ben begonnen toen ik negentien was. Ik heb altijd hard gewerkt. Als ik al de energie die ik in de mode stop zou kunnen toewenden op iets anders, iets met meer diepgang en inhoud, dan zou me dat misschien meer genoegen geven.

Ik stel me regelmatig vragen. Waar ben ik mee bezig ? Waar dient het allemaal voor ? Ik ben zelf veeleer anticonsumptie. Tenzij wanneer ik me slecht voel, dan ga ik geld uitgeven, aan een paar stiletto’s dat ik nooit zal dragen. Soms heb ik het moeilijk met de mode. Soms voel ik een zekere afkeer. Maar dat gaat altijd over. En dan krijg ik weer zin om te ontwerpen. Ik heb het gevoel dat ik met mijn kleren voor sommige vrouwen iets goed doe, en dat helpt.

Ik zou graag meer tijd nemen om dingen te doen. In de mode moet je om de zes maanden rekenschap geven. Je zit, zoals ik al zei, met een voortdurend gevoel van ontevredenheid : het idee dat alles beter kan. En alles moet ook altijd sneller. Vroeger was er meer tijd. Je kon gemakkelijker experimenteren. Dat is niet meer mogelijk. Als je niet elk seizoen iets helemaal nieuws doet, dan vindt niemand het nog interessant. Mode is een race zonder einde geworden, en dat frustreert me enorm. Tout est beaucoup.

Wat u nodig hebt is slow fashion. Dat zou ik geweldig vinden. Ik houd van bedrijven die slechts één product maken. Ik ben soms jaloers op mijn vent ( handtassenontwerper Jérôme Dreyfuss). Hij maakt alleen tassen, en op den duur wordt dat ook vervelend, maar hij kan wel de tijd nemen om tot het uiterste te gaan. Ik ontwerp kleren, maar ook accessoires, schoenen, noem maar op. En ik doe bijna alles zelf, want ik vind delegeren moeilijk. Ik ben een stachanovist, ik werk zonder ophouden. Ik houd van slowfood. Het idee van slow fashion lijkt me enorm aantrekkelijk.

Ik ben in mijn mode altijd op zoek naar een zekere juistheid, een zekere tijdeloosheid ook. Je moet je goed voelen in een kledingstuk, ook als je het honderd keer gewassen hebt. Ik heb dat ook met kleren van andere ontwerpers. Ik heb sinds 1989 regelmatig dingen van Martin Margiela gekocht, die ik altijd ben blijven dragen. De juiste kleur, de juiste stof, de juiste coupe : dat is negentig procent van een kledingstuk. De rest is het verhaal dat je als ontwerper probeert te vertellen.

DOOR JESSE BROUNS

“Ik vind het jammer dat sommige vrouwen, ongeacht hun leeftijd, absoluut op het een of andere model willen lijken.”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content