Wat zou het bevorderlijkst zijn voor het geestelijk welbehagen : je met de auto naar het werk begeven of met het openbaar vervoer ? Ik vraag het mij af, in een groezelige bus gezeten die af en toe zo’n portie perslucht laat ontsnappen waarvan passanten zich het apenzuur schrikken. Nooit geweten waartoe dat dient en of de chauffeurs hun moment kunnen kiezen, bij wijze van grap of als zij iemand voorbijrijden waarvan het gezicht hun niet bevalt.

Steeds vaker neem ik weer de bus dwars door Brussel, het is een les in straatwijsheid die mij helpt niet van de werkelijkheid te vervreemden, als blanke, heteroseksuele, redelijk hoog opgeleide en zelf zijn linnengoed strijkende man. Ik hou ervan mijn glanzende cocon te verlaten en stampende vehikels te betreden vol onverschillige, gefrustreerde, behulpzame, intrigerende, lepe, vriendelijke, voorkruipende, look- of alcoholkegels verspreidende en een enkele keer zelfs adembenemende medemensen.

Bij de halte aan de halalslager (niet te verwarren met halsslagader) stapt een jongere op met een knoert van een koptelefoon op de oren. Sennheiser, staat daarop te lezen, wat ik altijd een merknaam heb gevonden die van degelijkheid is doortrokken. Een radioreporter ! moet ik onwillekeurig denken, zoals altijd die eerste fractie van een seconde als ik iemand met koptelefoon op trein, tram of bus zie klauteren. Al heb ik inmiddels duizenden jongeren met koptelefoons op de gek-ste plaatsen gezien, helemaal wennen doet het nooit, want ik stam nu eenmaal uit een tijd waarin koptelefoons niet in het straatbeeld pasten. Nog raarder vind ik het als ik iemand met een koptelefoon op door de stad ziet fietsen. Ik kan mij niet voorstellen dat ik mijzelf doelbewust van een zintuig zou beroven terwijl ik slalom tussen de auto’s. Het verbaast mij dat dat blijkbaar toegelaten is, terwijl bellen achter het stuur consequent wordt beboet.

Pompes funèbres, staat boven het deurgat van een kleurloze winkel. Ik heb dat altijd een wat potsierlijke benaming gevonden, pompeuze dompelpompen die mij vagelijk aan waterplassen in grafkuilen doen denken. We rijden nu door de Schaarbeekse Haardstraat, pour les Flamands Rue de Foyer Schaerbeekois. Een gesluierde vrouw zit te naaien op een miserabel balkon, te midden van een dozijn schotelantennes die in dezelfde richting hunkeren, als bladloof van een metallieke plant die moeiteloos wortel schiet op beton.

Bij de volgende bushalte staat een zwarte vrouw van verbluffende schoonheid. Haar huid heeft de glans van een kastanje die pas is ontbolsterd. Blanke mannen in te korte zomerhemdjes werpen schuwe blikken in haar richting, zo’n verstedelijkt savannemeisje spreekt tot de verbeelding van velen. Ik denk aan de man van 87 die ik onlangs hoorde klagen dat hij maar van één ding spijt had in zijn rijk gevulde leven : dat hij nooit met een zwarte vrouw de liefde heeft bedreven.

Aan een oude kerk hebben vandalen lange wimpers bijgetekend aan de ogen van levensgrote heiligenbeelden. Ik weet niet of ik dat grappig moet vinden of treurig. We dokkeren voorbij het nummer 666 van de Haachtsesteenweg, waar een nonkel van mij woonde die voor de oorlog fortuin heeft gemaakt met de bouw van radio’s met lampen. Zijn sobere rijwoning droeg het getal van het beest, puur toeval natuurlijk, maar als jonge snaak vond ik dat geheimzinnig. Mijn verbeelding is altijd al te groot geweest voor de kadastrale legger. Stiekem zag ik nonkel bij nacht in zijn kelder zwarte missen vieren waarbij maagden geofferd werden aan wezens met gevorkte staarten. Achteraf bleek het met die gevorktheid nogal mee te vallen. Ze hebben nonkel op niet veel meer kunnen betrappen dan het cultiveren van een paardenstaart op gevorderde leeftijd. Hij stierf in 1998 bij een triviale onderneming, terwijl hij het inbussleuteltje zocht om een weerspannige Billy-boekenkast te monteren. Godverdoeme, schijnt hij nog gemompeld te hebben voor hij viel. Niemand kon uitmaken of die vloek het meubelstuk betrof, dan wel een uiting van verbazing inhield over de aanblik van de almachtige. Het was in elk geval een krachtig laatste woord, dat kon wedijveren met wat Thomas Edison gezegd schijnt te hebben voor hij heenging : It’s very beautiful over there.

Men is het er niet over eens of hij daarmee het hiernamaals bedoelde of het uitzicht uit het raam.

jp.mulders@skynet.be

Jean-Paul Mulders

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content