Lene Kemps
Lene Kemps Lene Kemps is de hoofdredactrice van Knack Weekend.

Hij wikt zijn woorden, maar twijfelt niet. Zelfs al verkoopt het niet onmiddellijk, dan nog blijft hij erin geloven : harmonie, traditie, menselijkheid. Hoezeer Christophe Charon het woord ook haat, misschien is hij wel een couturier.

Lene Kemps / Foto’s Tom Niemans

Een gesprek met Christophe Charon (30) gaat meer over een levensfilosofie dan over kleding. Alles grijpt in elkaar. Bij Charon lijkt dat een vereiste. Een gratis gebaar of leeg woord is er niet bij. Alles wordt afgemeten, gedoseerd en heeft zin. Ik vind hem de verpersoonlijking van het woord harmonie, al ziet hij zichzelf veeleer als een buitenstaander of een vreemde eend in het systeem. Hij kreeg zijn opleiding aan de Antwerpse Academie en is daar erg tevreden over, al verliet hij de school voor hij zijn diploma op zak had. ?Ik heb moeite met autoriteit, regels en normen. Luisteren heb ik pas later geleerd.?

Hij is erg rustig en wie bij de presentatie van zijn collectie zijn appartement binnengaat, wordt overweldigd door een gevoel van besliste sereniteit. Geen voorwerp te veel, geen kleur verkeerd gekozen. Zijn kleding wekt hetzelfde gevoel op. Ze spreekt de rustige taal van mensen die weten wat ze willen. Van cocktails en etentjes in elegante appartementen. Van discretie en degelijkheid. Van een zekere burgerlijkheid ook, maar daar heeft Charon niets op tegen. Zijn allereerste collectie bestond uit slechts één kleur : blauw. Slechts enkele modellen : broek, jasje, jurk, trui. Beperkingen die hij zichzelf bewust oplegt om zich meer op de inhoud en afwerking van het stuk te kunnen concentreren. De tweede collectie bood meer van hetzelfde, maar dit keer in wit en roze. Alles met de hand afgewerkt, uitgevoerd in stoffen vaak speciaal voor hem gemaakt. Simpel en sierlijk.

Charon kreeg in zijn showroom alle juiste aankopers op bezoek (de Barneys en Joyces van deze wereld), werd geïnterviewd door de juiste journalisten ( Hamish Bowles, American Vogue) en verkocht privé aan de juiste prominenten ( Amy Fine Collins van Vanity Fair). Maar de grote bestelling bleef uit. Tot Barneys een kleine serie avondkleding vroeg.

Ooit was hij de winnaar van de Gouden Spoel, werkte hij voor de Castelbajac, Scapa en Anouk Robyn. Nu is hij vast de enige ontwerper met een interview in Vogue en één verkooppunt wereldwijd.

Heb je enig idee waarom aankopers moeite hebben met je collecties ?

Christophe Charon : Met mijn collecties is het alles of niets. Aankopers kunnen niet spelen met de elementen die ik lever. Uitsluitend de topjes kopen, of alleen maar een jurk en een broek eruithalen, dat kan niet. Het is allemaal zo simpel, dan blijft er niets over. Dat is een probleem, want de meesten hebben graag een ruime keuze. Ze zijn gewend aan collecties met dertig jasjes, tien broeken en vijfentwintig verschillende topjes.

Ze vinden mijn werk wel mooi hoor, en ze appreciëren de structuur en het evenwicht. Maar ze weten niet goed wat ze ervan moeten vinden : slechts één kleur en enkele modellen. Volgens mij denken ze dat het helemaal geen persoonlijke visie is, maar een karakteriële tekortkoming. ?Hij biedt niets meer omdat hij niets meer te bieden heeft.?

Ik val met mijn aanpak een beetje buiten het circuit van de mode. Ik heb het niet over een nieuwe mouw of weer een ander silhouet, maar over een nieuwe manier van denken over kleding. Als ik zou moeten veralgemenen, zou ik stellen dat ik vrouwen eenzelfde garderobe wil bieden als mannen. Mannen hebben een aantrekkelijk systeem : in hun kast hangen een aantal zaken die bij elkaar passen. Ze kiezen hun kleren zonder erbij na te denken en voelen zich de hele dag goed.

Een mannengarderobe voor vrouwen, dat heb ik al vaker gehoord. Het schijnt nooit echt te lukken.

Het is misschien geen bijster origineel uitgangspunt, maar het blijft een erg waardevol principe. Het zou toch ideaal zijn als vrouwen niet meer hoefden te piekeren over hun kleding, wat ze nu wel schijnen te doen. Het is altijd : wat zal ik aantrekken ? En als die kledingstukken dan ook nog perfect gemaakt zouden zijn, dan moeten ze zich daar ook al geen zorgen over maken. Want nu is er altijd wel een mouw die trekt of een kraagje dat niet goed ligt.

Saint Laurent heeft ooit gezegd dat hij graag de uitvinder van de jeans was geweest, en ik deel dat gevoel. Als ik erin zou slagen het equivalent van een jeans en een T-shirt te maken, dan heb ik mijn doel bereikt, want dat zijn inderdaad kledingstukken die je aantrekt zonder erbij na te denken.

Je houdt duidelijk veel van uniformen.

Ik heb bij de jezuïeten op school gezeten en daar een grote bewondering voor uniformen aan overgehouden. Iedereen zit altijd te zagen dat een uniform de individualiteit onderdrukt, maar ik vind juist dat het je persoonlijkheid onderstreept. Je kan niet opvallen met je kleding, dus moet je uitblinken door je manier van zijn. Dat gevoel is me altijd bijgebleven. Ik wil vrouwen een soort van uniform leveren dat respect heeft voor hun persoonlijkheid.

Dat moet dan het tweede meest gehoorde ontwerpersstatement zijn : ik wil kleding maken die de persoonlijkheid van elke vrouw tot haar recht laat komen.

Ja, en dat lukt bijna nooit. Je bent zelden, zoals het cliché dat dan wil, mevrouw X die binnenkomt, maar veel vaker mevrouw X in een jurk van Y. Zo’n kledingstuk moet een bijna neutrale achtergrond zijn, een blank canvas. En het begrip neutraal impliceert eenvoud, soberheid, eliminatie.

Oh jee, ik denk dat ik nummer drie hoor afkomen : less is more.

Daar wil ik niet mee geassocieerd worden. Ik heb grote moeite met dat minimalistisch dogma, ook kunsthistorisch gezien. Honderd procent modernisme is een waarde geworden. Moderniteit moet. Je moet een witte muur hebben. Je appartement moet clean zijn en je meubels hoekig. Als vrienden je bezoeken, moeten ze zeggen : puur. Ik twijfel steeds vaker aan de geldigheid van die stijl. Waarom zou je geen deur openen waarachter een wilde tuin zichtbaar is, of een ander element dat je compleet niet onder controle hebt ?

Schilderkunst en meubels fascineren me. In de jaren zeventig waren er massa’s schilders die tegen het modernisme reageerden en heel gevoelig gingen werken, in een taal gebaseerd op kleuren, verhoudingen en vormen. Dat zegt me veel meer.

Ik denk dat we aan het einde van een aantal concepten zijn geraakt. Een aantal ideeën is gewoon opgebruikt en modernisme is één daarvan.

En prêt-à-porter is een ander.

We hebben de massaconfectie uitgevonden om de mode toegankelijk te maken, en uiteindelijk hebben we zo gedemocratiseerd dat je van de totale nivellering kan spreken. De ketens zijn de laatste uitloper van een proces dat in de jaren zestig op gang kwam. Zij zijn ?het monster? dat de prêt-à-porter heeft gecreëerd. Het is nobel om een grote groep mensen te willen bereiken. Het is minder fijn als dat een leger van banale producten oplevert en het wordt nog erger als die banaliteit ook de rest van de maatschappij gaat beheersen. Kleding, tv, muziek ; alles is… hoe zeg je dat… platte koek.

Eenheidsworst ?

Worst, koek, een brij. Let op, die koek kan goed gemaakt zijn en een zekere aantrekkingskracht hebben. Maar die blijft heel gelimiteerd omdat er geen diepte in het product zit. Niet dat alles nu per se diep moet zijn, maar oppervlakkige dingen zijn zo’n kort leven beschoren en het is mooi om iets te hebben wat langer meegaat.

Wat me verontrust, is dat het lijkt alsof we de klok niet meer kunnen terugdraaien ; terwijl we toch tot een andere structuur zouden moeten zien te komen. God, ik denk plots aan een afschuwelijk woord dat ik haast niet durf te gebruiken : een nieuwe orde. Laten we ter plekke iets anders verzinnen. Ik heb het : nieuwe harmonie.

Harmonie als in : rust en sereniteit in een drukke wereld.

Zoiets. We zouden terug menselijker moeten worden. In de zin van : gericht op de verbruiker, met echt respect voor wie hij is. En ook in de zin van : respect voor wie de kleren maakt.

Handwerk heeft tegenwoordig zo’n negatieve bijklank. Het doet denken aan grootmoeders en huisvlijt. Ik denk dat mensen het zelfs niet meer herkennen of mooi vinden. Leg een met de hand genaaide broek naast één die uit de machine komt en ik denk dat men spontaan naar het bandwerkproduct grijpt.

Misschien moet je aanvaarden dat ambacht, traditie en handwerk gewoon niet meer van deze tijd zijn.

Industriële productie en handwerk kunnen elkaar perfect aanvullen. Laat de ketens er zijn, ik heb daar niets op tegen, en laat ze de praktische producten verkopen : de broeken en T-shirts om elke dag te dragen. Maar mag er daarnaast nog iets anders zijn ? Iets dat de werkelijkheid overstijgt, iets dat doet dromen. Een adempauze, een product dat rust en evenwicht uitstraalt.

Ik hoop dat mensen zich tot mijn ontwerpen aangetrokken voelen omdat ze een klassieke uitstraling hebben, en dat ze dan nadien beginnen te begrijpen hoe hard erop gewerkt is. Ik hoop dat ze voelen dat ze in dat jasje hun eigen leven kunnen leiden, in plaats van het leven van hun jasje ; zoals dat bij de opdringerige stijl van sommige ontwerpers het geval is.

Eigenlijk praat je nu over couture als over een alternatief voor de toekomst, terwijl dat net een sector in grote moeilijkheden is.

En waarom zitten ze in moeilijkheden ? Omdat alles tegenwoordig couture is. John Galliano, Alexander McQueen… Grote baljurken, grote hoeden… Extreme avant-garde zowel als pure oubolligheid. Het woord couture slaat voor mij niet op een stijl maar op een bepaalde manier van werken. Het betekent : tijd nemen om een kledingstuk van binnen en van buiten te bedenken, tijd nemen voor een perfecte afwerking, uitproberen hoe het op een lichaam functioneert. Ik wil actuele kleding maken, die in het huidige leven van een vrouw past. Ik wil samenwerken met mensen die hun vak met liefde beoefenen en de beste stoffen gebruiken.

Kijk, dit jasje komt uit de jaren zestig. Het trok mij enorm aan en ik wist niet goed waarom. Pas als je het van dichtbij bekijkt, zie je het vakmanschap en dan merk je ook hoe onze normen zijn achteruitgegaan. Alles klopt aan dit jasje : elk naadje zit goed, de motieven lopen netjes door, alles is mooi omgenaaid. Dat is de richting die ik uitwil.

Ik zie mezelf niet als de laatste bewaarder van de kwaliteit, maar er wordt zoveel gezeurd in de mode : die stoffen vind ik niet meer, die afwerking is niet meer te krijgen, alsof ze daar zelf niets aan kunnen verhelpen. Ik probeer op mijn manier een bijdrage te leveren.

Als ik advocaat van de duivel mag zijn : mensen kopen liever vier minder perfecte jasjes dan één duur dat wel perfect is.

Het merendeel van de mensen redeneert zo, en dat is hun goed recht. Ik wil er gewoon zijn voor degenen die uit dat commerciële circuit willen stappen. En die zijn er ook.

Iedereen voelt onvrede met het systeem. Geld verdienen en snel weer uitgeven. Jagen en nooit tijd hebben. Platgewalst en afgestompt worden. Vandaar de opkomst van al die New Age-toestanden en nieuwe religies, al ben ik daar niet onverdeeld gelukkig mee. In milieus waar je wordt weggelachen als je zegt dat je een christen bent, is het bon ton om boeddhist te zijn. Idioot toch.

Heb je soms niet de indruk dat je tegen de stroom inzwemt ?

Ik voel me soms helemaal misplaatst. Niet dat ik mezelf als avant-garde beschouw, maar ik schijn er een punt van te maken om op het verkeerde moment met de verkeerde dingen bezig te zijn. Ik wil avondkleding maken als dat compleet taboe is, burgerlijke kleding als de wereld net heeft besloten om antibourgeois te zijn, en met oude stoffen werken als iedereen om nylon schreeuwt. Ik doe het mezelf aan.

Christophe Charon : vast de enige ontwerper met een interview in Vogue en één verkooppunt wereldwijd.

Aankopers appreciëren de structuur en het evenwicht van mijn werk. Maar ze weten niet goed wat ze ervan moeten vinden : slechts één kleur en enkele modellen. Volgens mij denken ze dat het helemaal geen persoonlijke visie is, maar een karakteriële tekortk

Partner Content