'Mijn eerste artikels over architectuur, wonen en productontwikkeling in Knack verschenen in 1981. Twee jaar later werd ik ook gevraagd om stukken te schrijven voor de cultuur- en lifestylebijlage die vervolgens uitgroeide tot Knack Weekend. Zo'n magazine was toen best gewaagd: van echte mode- of designjournalistiek was nog geen sprake, en ook bij Knack was niet iedereen overtuigd van het nut daarvan.

in het begin moesten we mensen echt overtuigen om ons alle hoeken van hun huis te tonen

Voor toenmalig hoofdredacteur Frans Verleyen speelde mijn aanpak wellicht een rol. Als ingenieur en polymeertechnoloog bekeek ik de zaken niet vanuit kunsthistorisch perspectief, maar vanuit de vraag of dingen goed gemaakt waren, en met een oog voor vernieuwende materialen en technieken. Het woord design werd trouwens nauwelijks gebruikt in die tijd, ook niet door de Stichting Interieur in Kortrijk. Bovendien lag het accent de eerste jaren enorm op wonen en maakten we als eersten reportages over Belgische wooninterieurs. Dat was niet evident: in het begin moesten we mensen echt overtuigen om ons alle hoeken van hun huis te tonen. Maar de lezers zagen maar al te graag hoe anderen woonden - puur voyeurisme. (lacht)

Ik heb altijd een zwak gehad voor architecten en ontwerpers die buiten de lijntjes kleuren

In die tijd combineerde ik journalistiek met andere activiteiten. Zo zat ik tot '84 veel in ontwikkelingslanden, waar ik voor de Verenigde Naties woningen in composietmaterialen bouwde. Daarnaast gaf ik ook les over nieuwe materialen en leidde ik de vzw Designcentrum Vlaanderen. In '88 werd ik dan directeur van de Biënnale Interieur. Maar het was vooral Knack Weekend dat mijn naam als designspecialiste maakte, ook internationaal. Ik was bij de eerste Belgische journalisten die verslag uitbrachten van de meubelbeurs in Milaan, werd kind aan huis bij veel grote fabrikanten en designers en raakte dankzij de reputatie van het magazine zowat overal binnen.

Een van de vele hoogtepunten uit mijn werk voor Knack Weekend was het bezoek aan designer Verner Panton ergens in de jaren tachtig, bij hem thuis in Zwitserland. Ik heb altijd een zwak gehad voor architecten en ontwerpers die buiten de lijntjes kleuren, en Panton was mijn held. Waarom zou een stoel vier poten moeten hebben, vroeg hij zich al in de jaren vijftig af - een manier van denken die me enorm aansprak. De gemoedelijke foto's van dat bezoek illustreren ook het relatieve gemak waarmee ik in die tijd bij mensen als Panton, Ettore Sottsass, Alessandro Mendini, Frank Gehry of Philippe Starck raakte. Van een sterrencultus was toen nog geen sprake in de designwereld. Ik voel me enorm bevoorrecht dat ik die periode heb mogen meemaken.'