Pauselijk op kot

Wat? De pedagogie - kortweg peda - Pius X van de KU Leuven in Heverlee.

Ontworpen door Paul Felix en Georges Pepermans, toen allebei net aangesteld als architectuurprofs aan de KU Leuven.

Gebouwd in 1952-55.

Waarom belangrijk? Het was de eerste modernistische studentenhuisvesting in België.

En nu? Het doet nog altijd dienst als studentenhome, al is het niet meer in de originele staat. Zo zijn de stalen ramen vervangen door pvc, met behoud van de oorspronkelijke indeling.

© ARCHIEF PAUL FELIX

Vijf jaar lang les krijgen van je vader en dan ook nog op kot zitten in een gebouw dat hij ontworpen heeft, het overkwam de zoon van architect Paul Felix. 'Ik heb natuurlijk geen enkele les gebrost', lacht Marc Felix als we hem opbellen. Na zijn studie stapte hij in het bureau van zijn vader. Toen die stierf, nam hij het over en momenteel beheert hij zijn archief. 'Pius X is een scharnierproject in het werk van mijn vader. Het was zijn eerste echt moderne ontwerp. Hij studeerde in 1937 af als architect aan de KU Leuven. Toen was de norm: neogotisch voor religieuze gebouwen, neoclassicistisch voor profane. Maar in Oostende zag hij gebouwen van Gaston Eysselinck en Léon Stynen en hij las zeer veel over buitenlandse architecten. Zo maakte hij de omslag naar het modernisme.' In de studentenhuisvesting Pius X zie je duidelijk de invloed van Le Corbusier met 'pilotis', die het gebouw schijnbaar laten zweven. Ook het betonnen geraamte, de bandramen en het plat dak verraden kennis van Le Corbusier.

In 1952 werd Paul Felix samen met zijn Franstalige collega Georges Pepermans aangesteld als prof architectuur. Ze brachten er de nieuwe modernistische manier van bouwen binnen. En die visie konden ze ook tonen doordat ze verschillende opdrachten kregen voor de universiteit, zoals dus deze peda. Marc Felix: 'In mijn eerste jaar Leuven zat ik hier op kot. Een mooi gebouw, maar ik had er weinig vrijheid. Het was een klooster voor studenten, voor 22 uur moest je binnen zijn. Vijftien jaar geleden ben ik er nog eens geweest. Behalve de meubelen was er nog niet veel veranderd. Alleen de kapel was gedegradeerd tot berging voor bierbakken. Spijtig, want die kapel is het eerste Belgische voorbeeld van modernistische religieuze architectuur. Het ontwerp is radicaal: eigenlijk niet meer dan een kubus met één wand als abstract glasraam. Volgens mij is de kapel geïnspireerd op die in Chicago van Mies van der Rohe.'

(Niet) Moeders mooiste

Wat? Een knotsgekke studentenflat bijgenaamd La Mémé in Sint-Lambrechts-Woluwe.

Ontworpen door Lucien Kroll.

Gebouwd in 1971-75.

Waarom belangrijk? In België oogst het gebouw vooral kritiek, maar in het buitenland wordt het zeer gewaardeerd.

En nu? De koten zijn nog altijd bewoond en het pand wordt binnenkort waarschijnlijk beschermd.

(Niet) Moeders mooiste © CIVA, BRUSSELS

Een commune voor studenten? Een ideologisch droomproject? Cohousing avant la lettre? La Mémé is het allemaal. Dit 'maison médicale' maakt deel uit van het universitair ziekenhuis in Sint-Lambrechts-Woluwe. Het biedt onderdak aan 20 appartementen, 60 studio's, 200 kamers, 6 groepswoningen, een restaurant, bioscoop, winkels, kantoren, en dan zijn we vast nog iets vergeten. Dit project van de rebelse architect Lucien Kroll is zonder twijfel de bijzonderste modernistische studentenwoning van België. De drie gebouwen staan rondom een plein en ogen, lelijk gezegd, als een extreme vorm van koterij. Allerhande soorten ramen, amorfe volumes en een totale mishmash van materialen. Pure chaos, zou je denken. Sommigen noemen het 'anarchitectuur'. Maar wie ooit de gebouwen van Hundertwasser gezien heeft, herkent zeker elementen. Lucien Kroll is intussen 92, maar kwam drie jaar geleden nog spreken in Bozar. Als architect was hij ronduit avant-gardistisch. Als een van de eersten was hij bezig met cohousing en ecologie. Wonen moest voor hem democratisch zijn en hij wilde veel inspraak van de bewoners. In het ontwerp van La Mémé hadden studenten dus veel te zeggen. Kroll raakte tijdens het bouwen in onmin met de universiteit en uiteindelijk werd slechts de helft van de geplande 40.000 vierkante meter gerealiseerd.

Poor man's Wabbes

Wat? 400 studentenkamers in de nieuwbakken stad Louvain-la-Neuve.

Ontworpen door Jules Wabbes.

Ingericht in 1972.

Waarom belangrijk? Wabbes verliet even zijn bourgeois cliënteel en werkte voor het eerst voor jongeren.

En nu? De kamers bestaan nog, maar de meubelen zijn zo goed als volledig verdwenen.

Poor man's Wabbes © COLL.WABBES, SOFAM, BRUXELLES 2019 / CORNETTE DE SAINT CYR / ROBIN DAY

'Omdat er voor studentengebouwen zo weinig budget is, zijn de ruimtes puur functioneel. Ze hebben nood aan materialen die menselijke warmte geven, zoals hout en textiel. Hier kunnen geen traditionele bourgeois meubelen komen. We moeten meubelen op maat maken van de kamers en ze integreren in de architectuur.' Dit schreef Jules Wabbes op 6 december 1971 aan de Université Catholique de Louvain. Die afgescheurde Franstalige universiteit had aan de Brusselse ontwerper gevraagd om 400 studentenkoten in te richten. Een primeur, want de Brusselaar stond bekend om zijn bourgeois cliënteel, ook omdat hij graag werkte met peperdure materialen als brons en tropisch hout. En nu moest hij ineens zijn soberste humeur tevoorschijn halen. Het werden basic meubelen in multiplex, afgewerkt met bakeliet of melamine: bestand tegen water en smeulende sigaretten. In de jaren zeventig pafte elke student er immers nog lustig op los.

Wabbes ontwierp bijna alles zelf: van de (ingebouwde) kasten, schuifdeuren, bureaus, boekenrekken tot bedden en het prikbord. Wabbes suggereerde ook welke stoelen moesten worden aangekocht: robuuste exemplaren met rieten zitting van Vico Magistretti. Of de plastic kuipstoelen van Robin Day. Zelfs het type wastafel, de plek van de kraan en de stopcontacten nam hij op in zijn voorstel. Wabbes' dochter Marie bezorgde ons nog een volledige inventaris met de meubelen, inclusief de aantallen. Vandaag worden de gebouwen nog gebruikt, maar de meubelen staan er niet meer. Marie: 'De conciërge vertelde dat sommige meubelen van mijn vader meer dan dertig jaar zijn meegegaan. Best uitzonderlijk, want ze werden heel intensief gebruikt.'

Noem Jules Wabbes gerust de Belgische Charlotte Perriand. De Franse architecte en designer richtte voor de Cité Internationale Universitaire in Parijs honderden studentenkamers in. Haar meubelen voor Maison de la Tunésie, Maison du Mexique en Maison du Brésil werden wereldberoemd. Hoewel ze ooit voor kotstudenten bedoeld waren, staan ze nu in huizen van stinkend rijke verzamelaars. Want op veilingen halen ze recordprijzen. Of wat dacht je van 150.000 euro voor een bibliotheekkast? De veilingprijzen voor studentenmeubelen van Jules Wabbes verbleken hiernaast: bij Cornette de Saint Cyr koop je al een bureau voor 1000 euro.

Mobil-home

Wat? Een dynamische cluster kamers voor zo'n 350 studenten op de VUB-campus in Elsene.

Ontworpen door architect Willy Van Der Meeren.

Gebouwd in 1971-73.

Waarom belangrijk? Van Der Meeren experimenteerde met prefabelementen en felle kleuren.

En nu? Sinds februari staan de kamers leeg, omdat de studenten vertrokken naar een nieuw complex. In sommige modules huizen nu labo's. Een paar jaar geleden werden enkele modules afgebroken om plaats te maken voor het zwembad.

Mobil-home © COLLECTIE CAVA / LENNEKE NIJST

De Club Med van de campus: dat was jarenlang de bijnaam van de felgekleurde blokken van architect Willy Van Der Meeren. Of de studenten er ook echt vakantie vierden, is de vraag. Maar de kriskras neergezette huisjes met rode, gele, blauwe en groene façades hebben wel iets van een vakantiepark. Net als het labyrintachtige grondplan. Dat koos Van Der Meeren naar het schijnt vanuit lichte rebellie, ingefluisterd door mei '68. Omdat de studenten zo gemakkelijker de weg zouden vinden dan de politie. De blokken zelf zijn juist superhelder qua opzet: er zijn steeds clusters van vier kamers rondom een gezamenlijke kern met een living, een keuken en een badkamer. Het concept is volledig modulair, want opgebouwd uit prefabunits die tegen elkaar geschoven zijn. De huizen kunnen in theorie gedemonteerd en verplaatst worden. Een idee dat Van Der Meeren 'de mobil-home' noemde. Het achterliggende idee was dat de campus herschikt kon worden als dat nodig was. Die prefabfilosofie was revolutionair. Eigenlijk wilde hij werken met polyester kubussen, maar dat veegde de VUB-directeur van tafel, wegens niet duurzaam en de look van een nomadenkamp. Dus koos de architect uiteindelijk voor betonnen elementen. Zijn modulaire droom bleef, al zou er wel een fikse hijskraan nodig zijn om de blokken te verschuiven.

Het genie in Van Der Meeren wist met het rigide prefabsysteem toch iets speels te maken. Door de blokken te roteren, te schuiven en te stapelen creëerde hij verschillende gevels, onregelmatige volumes en verrassende doorkijken. Ook de gekleurde gevels zorgen voor variatie. In plaats van een centrale inkom met anonieme lange gang, voorzag hij veel voordeuren, zelfs inclusief voortuintje. Wie boven woonde, raakte daar met een elegante draaitrap. 'De studentenhuizen zijn iconisch en architecturaal heel waardevol, maar ze zijn niet beschermd', vertellen Stephanie Van de Voorde en Ine Wouters, beiden onderzoeksters van de vakgroep architectuur aan de VUB. 'Voor de bouw van het zwembad gingen er al een aantal studentenwoningen tegen de grond. En lange tijd was ook de toekomst van de resterende exemplaren onzeker. Maar nu gaat de VUB resoluut voor het behoud van de overgrote meerderheid van de units. Enkele zijn intussen al gerenoveerd en kregen een herbestemming als onderzoekslaboratorium. En momenteel bekijken we verschillende renovatiestrategieën, waarin we een evenwicht zoeken tussen erfgoedbehoud en een hedendaagse energieprestatie.'

Beton brut

Wat? B13, een studententoren voor 360 studenten in Sart-Tilman, waar de Luikse universiteit huist.

Ontworpen door architect André Jacqmain, die ook de fantastische universiteitsbibliotheek bouwde in Louvain-la-Neuve.

Gebouwd in 1970.

Waarom belangrijk? Het is een iconisch voorbeeld van betonarchitectuur.

En nu? De studentenkamers worden nog altijd gebruikt.

Beton brut © CIVA, Brussels

In 1967 transformeerde het dorpje Sart-Tilman bij Luik tot universiteitscampus. Er werden 10.000 studenten verwacht en dus werd er lustig gebouwd. Ook de Brusselse architect André Jacqmain kreeg telefoon. Hij bouwde er op de faculteit een studentenrestaurant en een toren met 360 kamers. Die kreeg de poëtische titel Bâtiment 13 (B13) en bestaat uit een geheel van drie gebouwen dat Jacqmain zelf definieerde als 'een bijenkorf, maar dan eentje die in het midden open was'. De gebouwen zijn opgetrokken in Jacqmains lievelingsmateriaal: zichtbeton. Dat werd ter plaatse gegoten en is zowel in de gevel als binnenin nog zichtbaar. De gebouwen zijn opgedeeld in appartementen met acht kamers. Elke verdieping heeft ook een studieruimte. De leefruimtes kijken uit over de groene omgeving.

Beton brut © CIVA, Brussels

Vlakbij bouwde Jacqmain ook het restaurant; Bâtiment 8 (B8). Ook hier is zichtbeton de rode draad - meteen een manier om eenheid te scheppen op de site. Zelf beschouwde hij dit (samen met woning Urvater in Ukkel) als zijn meesterwerk. Het restaurant lijkt wel een doolhof met talloze niveaus en hoekjes en met bovenaan een prachtig uitzicht over de omgeving. Kortom: Sart-Tilman is echt een bestemming voor de architectuurliefhebber. Ga er zeker ook naar het Universitair Ziekenhuis, een radicaal ontwerp van de Luikse architect Charles Vandenhove. Het is een immense piramide met een glazen dak. Met installaties van kleppers zoals Daniel Buren, Niele Toroni en Sol LeWitt is het ook een aanrader voor kunstliefhebbers.