Nee, dit barokke huis is niet meteen wat je in Knack Weekend verwacht. Nee, dit exuberante interieur past niet in de huidige 'goede smaak'. Maar vergeet voor één keer de herkenbare designklassiekers, het maatwerk in hippe materialen of de pseudospirituele wabi-sabi: dit huis is een excentriek anachronisme, zoals er geen twee bestaan. Het pand werd recent compleet gerenoveerd, maar voelt toch eeuwenoud aan. 'Hedendaagse interieurarchitecten of decorateurs maken te vaak huizen die eruitzien als hotelkamers. Veel te standaard voor mij', zegt bewoner Pierre Peyrolle. 'Mijn inspiratiebronnen zijn eerder theaters, kerken, paleizen of bibliotheken.'
...

Nee, dit barokke huis is niet meteen wat je in Knack Weekend verwacht. Nee, dit exuberante interieur past niet in de huidige 'goede smaak'. Maar vergeet voor één keer de herkenbare designklassiekers, het maatwerk in hippe materialen of de pseudospirituele wabi-sabi: dit huis is een excentriek anachronisme, zoals er geen twee bestaan. Het pand werd recent compleet gerenoveerd, maar voelt toch eeuwenoud aan. 'Hedendaagse interieurarchitecten of decorateurs maken te vaak huizen die eruitzien als hotelkamers. Veel te standaard voor mij', zegt bewoner Pierre Peyrolle. 'Mijn inspiratiebronnen zijn eerder theaters, kerken, paleizen of bibliotheken.' Standaard is zijn huis alleszins niet. De Franse decorateur-kunstenaar toverde zijn bouwvallige conciërgewoning van niks om tot een somptueus fantasiekasteel, dat één grote les esthetica is. En die cursus beperkt zich niet tot de twintigste eeuw. Voor Peyrolle leunen interieurarchitecten van nu te veel op de erfenis van het modernisme. Terwijl er - in zijn ogen toch - in de eeuwen voordien veel rijkere stijlperiodes zijn geweest. De opulente 'grand siècle' onder zonnekoning Lodewijk XIV bijvoorbeeld, of de Italiaanse barok in al zijn krullerige overdaad. Uit beide periodes samplet hij elementen, in een mix van echte antiek en exacte replica's. Peyrolle (°1945) is van een uitstervend ras: hij kent zijn geschiedenis nog. Als hij praat, legt hij voortdurend links naar kunst, muziek, opera, architectuur, meubelkunst, geschiedenis en mythologie. Én hij verstaat - zoals Jacques Garcia, Charles de Beistegui of Pierre Bergé - nog de klassieke kunst om van een interieur een grand tour te maken vol historische verhaallijnen. Die referenties haalt hij niet bij Le Corbusier of bij Mies van der Rohe, maar bij Palladio of Piranesi. Ouderwets, zeg je? Je kunt het net zo goed 'erudiet' noemen, want 'gewoon klassiek' is het alleszins niet. Daarvoor gaat hij te vol voor het risico. Met het gevaar om uit de kitschbocht te vliegen. We ontmoeten Pierre Peyrolle in het afgelegen Thury-en-Valois, een uur ten noorden van Parijs. Hij woont er op de afgelegen terreinen van een Frans klooster, dat grotendeels is vernietigd tijdens de Franse Revolutie. 'Ik kocht dit plekje, omdat hier nauwelijks buren zijn', vertelt hij. Nog voor hij de overgebleven bijgebouwen begon te renoveren tot woning, pakte hij het compleet overwoekerde park aan. Een postkaartje is het nu, met die romantische kloosterruïnes rond de vijver. 'Vooral als de ochtendmist er nog rond hangt, is het hier erg mystiek', zegt hij. 'Je moet weten dat er eigenlijk een riviertje door het park liep. Ik heb er een grote waterpartij met een kunstmatig eiland van gemaakt.' Het aangelegde meer lijkt een verwijzing naar Arnold Böcklin en zijn symbolistische L'île des morts: een laat-negentiende-eeuws schilderij waarop een roeibootje richting een dodeneiland vol cipressen dobbert. Peyrolle houdt enorm van dat schilderij, maar haalde de mosterd hier elders. 'Ik heb eigenlijk het eiland van filosoof-schrijver Jean-Jacques Rousseau nagemaakt, waar ook twaalf populieren op staan. Zijn graftombe ligt op L'Île des Peupliers in Ermenonville, waar hij ook gestorven is in 1778. Ik ben, net als Rousseau, nogal een misantroop.' Hij komt nochtans totaal niet over als een mensenhater. Zelfs tot in België heeft hij goede vrienden. Peyrolle is bijvoorbeeld goed bevriend met de Brusselse antiquairs Tobias en Tom Desmet, gespecialiseerd in klassieke beeldhouwkunst. Hij kent ook Thierry Bosquet goed: de Brusselaar die beroemd werd als decorschilder voor 's werelds grootste operahuizen. Peyrolle deelt met hem de liefde voor alles wat theatraal is. Eigenlijk ensceneerde hij zijn huis als één grote opera, waarbij hij met decorstukken en spiegels de blik regisseert. Je wordt er automatisch een personage in een decor waar realiteit en fictie elkaar heel de tijd overvleugelen. In zijn landhuis zelf kun je merken dat hij 17 jaar in Venetië woonde. Overal hangen spiegels en luchters uit Murano. En de fresco's die hij namaakte, zouden zo uit een Italiaans palazzo of Romeinse villa kunnen komen. De spectaculaire grand siècle-traphal in de inkom lonkt dan weer naar het paleis van Versailles. Het licht weerkaatst er oneindig in de enorme spiegelwand en in de glimmende faux marbre wanden: een schildertechniek om marmer te imiteren. Een geheime spiegelende deur leidt naar het marmersalon op het gelijkvloers, waar in het midden een exacte kopie staat van Lodewijk XIV's werktafel in pietra dura. 'Van het dagbed stonden gelijkaardige versies in Versailles, al is dit een replica van een exemplaar uit het Louvre', zegt Peyrolle. Hij neemt ons mee naar zijn bibliotheek boven, waar onze mond openvalt van de vergulde haard: die heeft de vorm van een monster met opengesperde bek. Inspiratie haalde hij bij de monsterlijke grotten uit de tuinen van Bomarzo, Italië, een park uit 1547 dat ook Salvador Dalí te gek vond. Opvallend op de tafel in die haardkamer: de vergulde kop van een eenhoorn. Het is een must-have voor in een 'wunderkammer'. Tijdens de Italiaanse renaissance ontstond het concept om met zeldzame verzamelobjecten een samenvatting van de wereld te maken, liefst in één kamer. Zo'n wunderkammer had vooral als bedoeling: je gasten overbluffen met hoe slim, machtig, rijk of bereisd je was. Dat 'theatrum mundi' bevatte curieuze voorwerpen zoals schelpen, koralen, fossielen, kunstvoorwerpen, opgezette dieren of wetenschappelijke instrumenten, die op theatrale wijze werden uitgestald. Nog zo'n typisch wunderkammerobject is een landschapssteen, zoals Peyrolle er een paar heeft in zijn prentenkabinet. 'Het maffe is dat zo'n plakje natuursteen een zodanig patroon heeft dat het sprekend lijkt op een schilderij van een landschap of een ruïne. En als kunstenaars zo'n steen dan nog beschilderen, is de verwarring helemaal compleet.' Zeker als je het inlijst en tussen andere kunstwerken in je prentenkabinet hangt. Van zulke intellectuele spelletjes 'verstoppertje' zit dit huis vol. Niks is wat het lijkt. Alles is het decor voor een theater vol intriges en inside jokes. 'Klanten voor dit soort interieurs zijn zeldzaam, maar ze bestaan. Nouveaux riches kopen Porsches en idiote hedendaagse kunst. Alles wat vooral geen culturele connotatie heeft', zegt Peyrolle. Wie de moeite doet om verder te kijken dan het klatergoud en bereid is om zijn vooroordelen over smaak en schoonheid opzij te schuiven, ontdekt een fascinerend universum van een zeldzame kwaliteit.