Twaalf jaar geleden trokken Stéphanie Laperre en Daphné Daskal de deur dicht bij Vincent Van Duysen. De twee behoren tot de eerste lichting (interieur)architecten, die in het - inmiddels wereldberoemde - Antwerpse bureau meedraaiden. Gaandeweg ontwikkelden de vrouwen hun stijl, die weliswaar elementen van Vincents warme minimalisme bevat, maar toch een eigen signatuur heeft.
...

Twaalf jaar geleden trokken Stéphanie Laperre en Daphné Daskal de deur dicht bij Vincent Van Duysen. De twee behoren tot de eerste lichting (interieur)architecten, die in het - inmiddels wereldberoemde - Antwerpse bureau meedraaiden. Gaandeweg ontwikkelden de vrouwen hun stijl, die weliswaar elementen van Vincents warme minimalisme bevat, maar toch een eigen signatuur heeft. 'We ontwerpen woningen als een neutraal canvas, waartegen het dagelijks leven zich kan afspelen', zegt Stéphanie Laperre. Wat niet betekent dat de (interieur)architectuur van hun bureau doorsnee of karakterloos is. De kwaliteit zit net in de manier waarop comfort bijna onzichtbaar is geïntegreerd in minimalistische ingrepen. Zelf noemen ze hun aanpak graag 'vrouwelijk': veeleer intuïtief dan cerebraal, eerder praktisch dan onleefbaar of radicaal. Onleefbaar was de driedubbele bungalow uit 1952 absoluut niet, toen kunstadviseur Carole Lévy hem kocht van de vorige eigenaar, architect Philippe Samyn. Maar de woning had wél een hedendaags bad nodig. Het huis uit 1952 is de eerste samenwerking van het Brusselse architectenkoppel Blondel- Filippone. De woning werd gebouwd in opdracht van Odette Filippones grootmoeder, mevrouw Darras. Eigenlijk als kangoeroewoning avant la lettre, want ook Odettes ouders én het jonge koppel Blondel-Filippone woonden er in afgescheiden woonunits met gedeelde tuin en kelder. 'Carole Lévy en haar gezin kochten het volledige perceel. Dat betekende dat we die verschillende delen tot één logisch huis moesten transformeren, aangepast aan de noden van vandaag', zegt Laperre. Dat lukte wonderwel, mits kleine aanpassingen in de originele lay-out. Aangezien de gevel beschermd was, bleef de speelruimte buiten beperkt. Het asymmetrische zadeldak en de speelse gevel met kolommen, glas en plaatmateriaal zijn nog conform het origineel. Binnen puzzelden Daskal en Laperre wél met hedendaagse materialen en nieuwe doorkijken. 'We wilden niet in een nostalgietrip belanden. Er waren wel degelijk leuke blauwe tegeltjes in de badkamer en zwarte formicabladen in de keuken, maar die waren niet meer aangepast aan de tijd. Al kan met wat verbeelding onze terrazzovloer ook fifties zijn. Een teveel aan vintage elementen in een woning komt snel wat bric-à-bac over', vindt Laperre. 'Bovendien is de eigenares, Carole Lévy, een kunst- en designverzamelaar, dus er staan al heel wat sterke stukken van onder anderen Poul Kjaerholm, Paavo Tynell, Franz West en David Altmejd. Te aanwezige materialen in het interieur zouden haar collectiestukken te veel beconcurreren.' Jean-Pierre Blondel (1924-2012) en Odette Filippone (1927-2002) behoren tot de eerste generatie naoorlogse architecten, afgestudeerd aan La Cambre, die mee profiteerden van het vooruitgangsgeloof in de jaren vijftig. Ze kregen allebei les van Louis Herman De Koninck en Jean De Ligne, die hen vormden in hun 'praktische modernisme'. Terwijl overal in Europa utopische XL-woontorens opdoken, bleef in België de focus liggen op eengezinswoningen. Blondel en Filippone realiseerden veel huizen in hun eigen streek rond Ukkel, Linkebeek en Sint-Genesius-Rode, waar deze villa ook staat. Het is een woning die de tijdgeest van toen uitstraalt. Vanop straat valt het typische knikdak meteen op, net als de brede treden, buiten aan de inkom. Omdat de woning op een hellend perceel ligt, is ook binnen het niveauverschil met ruime treden opgelost. De trappen - of moeten we zeggen 'plateaus' - bakenen de functionele zones af: hoe dieper je afdaalt, hoe intiemer de sfeer en hoe meer je van het tuinzicht profiteert. De architecten respecteerden die originele plateaus in hun renovatie. Maar aan de bewust lage inkomhal van Blondel en Filippone pasten ze toch een serieuze mouw. Omdat ze zoveel mogelijk licht wilden binnentrekken in de hal, sloopten ze de verdiepingsvloer en maakten ze van de inkomhal een dubbelhoge ruimte met mezzanine. Een ingreep met veel impact: de opengewerkte nachthal bij de slaapkamers profiteert voor het eerst in haar geschiedenis van rechtstreeks zonlicht. Met alle respect voor Blondel en Fillipone, maar je kunt niet anders dan dat een upgrade noemen. De update die de interieurarchitecten Daskal en Laperre aan het huis gaven, in samenwerking met hun interieurarchitect Carl Stragier, is er een in harmonie met de originele plannen. Maar ook in harmonie met het hedendaagse leven van de nieuwe bewoners. Voor Carole Lévy creëerden ze een woning als een discrete sokkel voor haar gezinsleven én haar kunst: beide kunnen hier ten volle tot hun recht komen. Dat sokkel-idee voel je in de ruime traptreden, maar ook in enkele nieuwe interieurdetails: zowel aan de haard als aan de tv-wand zijn nu subtiele plateaus voorzien, waarop je kunt zitten of kunst kunt etaleren. Het zijn die knipoogjes die de woning een respectvol antwoord maken op de architectuur van Blondel & Filippone. 'Ik ben blij dat we de lage ramen met typische indeling moesten bewaren. Ze geven de hedendaagse bungalow nog een fiftieszweem', zegt Laperre. 'Vervang die ramen door grote raampartijen, zoals je nu zo vaak ziet, en de sfeer is weg. En dat kan hier echt de bedoeling niet zijn.'