'Ik heb altijd graag aan de keukentafel gewerkt. Mijn ideeën ontstonden niet op een specifieke plek, maar naast mij', vertelt Thomas Lerooy terwijl hij plaatsmaakt aan de bar van zijn in het vieux rose betegelde keuken. 'Daarom wou ik in eerste instantie ook geen vaste werkplek. Ik vroeg liever aan mijn vrienden of ik even hun garage mocht inpalmen om mijn ontwerp te kunnen realiseren.' Naarmate de carrière van de West-Vlaamse kunstenaar zich ontplooide - hij was de eerste nog levende kunstenaar ooit die in het Petit Palais in Parijs mocht tentoonstellen - werd het duidelijk dat zijn bohemien manier van werken niet kon blijven duren. 'Galeriehouders, verzamelaars en curators wilden mijn leefwereld zien om mijn werk beter te begrijpen, en ik wou die huiselijkheid niet verliezen. Zo is het idee gegroeid om een atelier te creëren waar niet alleen ik, maar ook mijn gasten zich thuis kunnen voelen.'
...

'Ik heb altijd graag aan de keukentafel gewerkt. Mijn ideeën ontstonden niet op een specifieke plek, maar naast mij', vertelt Thomas Lerooy terwijl hij plaatsmaakt aan de bar van zijn in het vieux rose betegelde keuken. 'Daarom wou ik in eerste instantie ook geen vaste werkplek. Ik vroeg liever aan mijn vrienden of ik even hun garage mocht inpalmen om mijn ontwerp te kunnen realiseren.' Naarmate de carrière van de West-Vlaamse kunstenaar zich ontplooide - hij was de eerste nog levende kunstenaar ooit die in het Petit Palais in Parijs mocht tentoonstellen - werd het duidelijk dat zijn bohemien manier van werken niet kon blijven duren. 'Galeriehouders, verzamelaars en curators wilden mijn leefwereld zien om mijn werk beter te begrijpen, en ik wou die huiselijkheid niet verliezen. Zo is het idee gegroeid om een atelier te creëren waar niet alleen ik, maar ook mijn gasten zich thuis kunnen voelen.' Om dat te realiseren liet Lerooy zijn oog vallen op een uitgeleefde garage uit de jaren zestig in het hart van Elsene. Niet meteen het toonbeeld van huiselijkheid. 'Toen ik zestien was, raakte ik gefascineerd door gebouwen en ruimte. Door een installatie van de Duitse beeldhouwer Martin Kippenberger fantaseerde ik er zelfs over om ooit in een sporthal te wonen. In zo'n ruimte is alles verschuifbaar. Alles is er mogelijk.' De ruwe betonnen structuur van de garage met verrières als dak, hield een gelijkaardig potentieel in. Daar was niet alleen hij van overtuigd, maar ook zijn galerist Rodolphe Janssen. Een ruimte zonder vaste functies - met uitzondering van de keuken en badkamer - zou vrijheid scheppen en verandering mogelijk maken. Lerooy begon meteen zijn ideeën uit te tekenen, maar liep ook even snel conceptueel vast. Hij vroeg advies aan David Van Severen, die samen met Kersten Geers het internationaal geprezen OFFICE leidt. 'Oorspronkelijk hield hij de boot af. Hij wou met zo'n project onze vriendschap niet ondermijnen. Maar het uit handen geven kon hij evenmin', glimlacht Lerooy. De architecten stelden voor om de bestaande structuur van de garage volledig los te koppelen van de nieuwe woonentiteit die zij zouden ontwerpen. Ze tekenden een glazen doos met twee glazen vakken binnenin en schoven die constructie precies onder het originele gedeelte. Neem je het glas weer weg, dan is er ook geen gebouw meer. 'Ik herinner me nog hoe Stefan Boxy opgewonden vertelde dat, toen Maarten Van Severen het betonnen plateau kwam controleren waarop het Boxy Paviljoen werd gebouwd, hij plots verklaarde dat het af was. David beweerde net hetzelfde toen de muren van de garage afgebroken waren', vertelt hij. 'Met weinig ingrepen en eenvoudige materialen radicale statements maken op het vlak van proportie, verdeling van ruimte, daarin schuilt de kracht van David en Kersten. Goede architectuur is onzichtbaar en dat dragen ze als geen ander uit.' Wat oorspronkelijk geen prestigeproject leek, werd uiteindelijk wel zo gepercipieerd door de internationale vakpers. 'Het Spaanse architectuurblad El Croquis noemde het een meesterwerk wegens de interessante kijk op renovatie', zegt hij trots. In plaats van de bestaande structuren te verbergen, werd net ruimte gecreëerd voor het grote en fijne contrast tussen het oude en het nieuwe. De grote aluminium deuren en zichtbare schroeven doen het industriële met het huiselijke flirten, de grote raampartijen laten de buiten- en binnenruimte in elkaar overgaan. Wonen doet Thomas Lerooy hier niet, althans niet voltijds. Maar omdat hij vaak 's nachts werkt, wilde hij de mogelijkheid hebben om er in productieve periodes te kunnen slapen. 'Ik zie mijn werk als mijn baby. Dan wil ik er zoveel mogelijk bij zijn en het kunnen voeden als het honger heeft', zegt hij vaderlijk. Met zijn meubelen deelt hij niet dezelfde verbondenheid, al zou je het tegendeel verwachten met al het moois dat hij de laatste jaren wist te verzamelen. Iconische stukken van Ron Arad, Maarten Van Severen en India Mahdavi delen de ruimte met Pierre Jeanneret, Hans Wegner, Willy Van Der Meeren en Serge Mouille. 'Ik hou niet van anoniem design. Ik kon mij als puber al ergeren aan de banaliteit van een Ikea-stempel op een glas.' Niet omdat het daardoor niet mooi of goed gemaakt zou zijn, verzekert hij, maar omdat de keten in de eerste plaats gebruiksvoorwerpen maakt. 'Omdat ik zelf ook heel conceptueel werk, hou ik meer van objecten met een bepaalde gelaagdheid die niet zomaar in één vakje te stoppen zijn', gaat hij verder. 'Zodra het gevoel dat me initieel aantrok tot een stuk wegebt, moet het weg.' Of zijn vriendschap met David Van Severen uiteindelijk heeft geleden onder het renovatietraject, vraag ik nog terwijl we ons naar de aluminium voordeur begeven. 'We kregen geen ruzie, integendeel, het heeft onze band misschien zelfs verdiept.'