Palais de la Folle Chanson: art deco pronkstuk

De inkom van Antoine Courtens' art-decoappartementsblok, Palais de la Folle Chanson (1928), moet niet onderdoen voor die andere art-decoparel in Brussel: Villa Empain (1930). Meer nog: opdrachtgever Louis Empain zou Courtens in 1936 zelf onder de arm nemen voor een woon- en sportcomplex in het Canadese Quebec. Dat is intussen grotendeels afgebroken, terwijl het Palais de la Folle Chanson beschermd is. Het gekartelde plafond, de zuilen in travertijn, de lampen in melkglas, de cache-radiateurs in gehamerd metaal: Courtens trok materiaalgewijs alle registers open in deze entree. De zuilenrij en ovalen vloermotieven leiden de blik naar het pronkstuk: de gesmede trap met art-decomotieven, uitgevoerd door de Ateliers de Ferronnerie d'Art Waroquet, waar Courtens zelf artistiek directeur was.
...

De inkom van Antoine Courtens' art-decoappartementsblok, Palais de la Folle Chanson (1928), moet niet onderdoen voor die andere art-decoparel in Brussel: Villa Empain (1930). Meer nog: opdrachtgever Louis Empain zou Courtens in 1936 zelf onder de arm nemen voor een woon- en sportcomplex in het Canadese Quebec. Dat is intussen grotendeels afgebroken, terwijl het Palais de la Folle Chanson beschermd is. Het gekartelde plafond, de zuilen in travertijn, de lampen in melkglas, de cache-radiateurs in gehamerd metaal: Courtens trok materiaalgewijs alle registers open in deze entree. De zuilenrij en ovalen vloermotieven leiden de blik naar het pronkstuk: de gesmede trap met art-decomotieven, uitgevoerd door de Ateliers de Ferronnerie d'Art Waroquet, waar Courtens zelf artistiek directeur was. De Louizalaan is in 1847 aangelegd als eerste Haussmanniaanse laan richting Ter Kamerenbos. De straat dankt haar naam aan Koning Leopold II's oudste dochter, Louise. Langs de Brusselse laan staan nu zowel moderne flatgebouwen als statige 19de- eeuwse Hôtels de Maître en appartementen in een eclectische neostijl. Deze entree van Résidence Louise-Marie behoort tot de laatste categorie. De gevel wordt gedomineerd door twee grote zuilen, die ook binnen herhaald worden, zij het in een slankere versie met timpaan. De bourgeois inkomhal baadt in koloniale grandeur, met het luxueuze groene marmer als leitmotiv in de lambrisering, de vloer én het lobbymeubel. De bellen zijn subtiel ingewerkt in de armleuning van de marmeren bank. Maar nóg subtieler is de beveiligingscamera, netjes verstopt in de linkerzuil. Je bent gewaarschuwd. Architecten Lucien Jacques Baucher, Jean-Pierre Blondel en Odette Filippone leerden elkaar in de jaren vijftig kennen aan La Cambre en bouwden dit appartementsgebouw tussen 1962 en 1965. De entree bundelt enkele kenmerkende elementen uit hun naoorlogs modernisme. Denk maar aan de wandelpaden en traptreden in prefab schokbeton, de blote baksteenmuren, de witte Carrara-keien en de trapleuning in teak. Aan deze inkomhal werkte een resem bekende artiesten uit die tijd mee: Pierre Cordier, Walter Leblanc (voor het wandkunstwerk met de metalen lamellen), typograaf Roland Denaeyer (voor de belettering) en tuinarchitect Jean Delogne. Zijn tropische binnentuin bestaat uit inox potten met valse planten. Strakker en luxueuzer dan Résidence Vincennes is de inkomhal van Résidence Val du Roi (1969). De bouwheer, Herpain, is dezelfde, de hoofdarchitect is dezelfde - Lucien Jacques Baucher - maar het ontwerp ademt meer rust uit. Vanop straatniveau valt vooral het sculpturale hek van Victor Vasarely op: het leidt de aandacht af van de minimalistische, volledig beglaasde benedenetage. Bijzonder is hoe de architecten de overgang tussen buiten en binnen blurry maakten. Een grote glazen balk fungeert als inkom en reikt tot diep in de lobby. Ook de zwevende tuin, getekend door Jean Delogne, is balkvormig en loopt naadloos door van buiten naar binnen. Een waterpartij, de stapstenen, het latjesplafond in teak en de witte keien geven het ontwerp een Japanse touch, typisch voor Delogne en Baucher. Puur modernisme uit het interbellum, deze inkomhal van de Haagse architect Jos Duijnstee, bekend om zijn strenge, functionalistische stijl. Typisch zijn de symmetrie, de grote geometrische glasramen, de mozaïekvloer en de decoratief betegelde wanden. Duijnstee bouwde het pand aan de Brusselse Koningsstraat in de jaren dertig (tussen 1936 en 1938 om precies te zijn), in opdracht van de 'Rotterdamse Verzekering Sociëteiten', kortweg RVS. Het is Duijnstees enige bouwwerk buiten Nederland. Van buitenaf valt vooral de afgeronde gevel op met de langgerekte lichtkoker. Zowel aan de buitengevel als in de inkomhal vind je een tegeltableau met de RVS-initialen. Binnen is de immense tegeltekening met Brusselse skyline ontworpen door de Nederlandse kunstenaar Jaap Gidding, bekend om zijn wanddecoratie voor theaters, bioscopen en cafés, waaonder de bekende Tuschinski-cinema in Amsterdam. In 1955 werd het art-decogebouw uitgebreid. Ever Meulen ontwierp het glasraam dat de verbinding maakt met de latere achterbouw. Ook alle bewegwijzering is van zijn hand.Pure Clockwork Orange, deze groovy inkom van een appartementsblok in de Brusselse Louizabuurt. Het sixtiesontwerp is een soort surrealistisch spiegelpaleis: de vele reflecties in het glas en de spiegels leiden tot optisch bedrog. Kenmerkend hier is de grafische invloed. De architectuur werd herleid tot een geometrische oefening in zwarte, witte en spiegelende oppervlaktes, al dan niet in kubussen. Ook de materialen - witte keien, glas, zwarte kokosmatten - zijn bewust heel beperkt gehouden. Misschien kun je deze publiek toegankelijke entree in de Jordaensstraat nog het beste omschrijven als een levensgroot opart-kunstwerk. Een psychedelische entrée, zoals Victor Vasarely of Walter Leblanc hem zouden ontwerpen.