Brutalisme is overal, als we architectuurtijdschriften en boekhandels mogen geloven. De architectuurstroming uit de jaren 50, 60 en 70 blinkt uit in soberheid: met ruwbouwmaterialen zoals bekist beton en glas werden huizen, kerken en culturele centra opgetrokken.
...

Brutalisme is overal, als we architectuurtijdschriften en boekhandels mogen geloven. De architectuurstroming uit de jaren 50, 60 en 70 blinkt uit in soberheid: met ruwbouwmaterialen zoals bekist beton en glas werden huizen, kerken en culturele centra opgetrokken. De architectuurrevolutie werd aangestoken door Le Corbusier, de Zwitserse bouwmeester die net na de oorlog in Marseille een bijzonder flatgebouw had neergezet: Unité d'Habitation. Deze zogenaamde 'Cité radieuse' was een utopische woonmachine. Of zoals hij het zelf zei: een straat, in de hoogte. Alles wat de moderne mens nodig had, was er aanwezig. Beneden waren winkeltjes en voorzieningen zoals een crèche, en op het plat dak was een groot sportterrein en plaats om te ontspannen. Kortom: via de architectuur wilde Corbu de mens en de wereld verbeteren. 'Cité radieuse ontstond uit noodzaak: de oorlog was net voorbij en er was niet veel geld, maar wél nood aan slaapplaatsen. Omdat Le Corbusier zo'n estheet was, werd het ook nog eens een mooi project. Aan het kleurgebruik zie je dat hij ook schilder was', zegt Tim Onderbeke. De Gentse kunstenaar woonde in 2013 een maand in Corbu's appartementsgebouw, naar aanleiding van 'Marseille Culturele Hoofdstad van Europa'. Hij raakte geïntrigeerd door het werk en begon er veel over te lezen. Hij kocht zelfs een originele Corbusier-keuken uit het gebouw over van een bewoonster. Eenmaal terug in België begon hij de Belgische volgelingen van Le Corbusier op te sporen, zoals Juliaan Lampens en Paul Felix. De foto's die Onderbeke maakte van hun gebouwen, en van het originele meubilair ervan, zijn nu te zien in Atelier Jespers in Brussel. Brutalisme beleefde een momentum in naoorlogs Europa. Door de ravage was er nood aan nieuwe huizen, winkelcentra en overheidsgebouwen, maar de oorlog had diepe financiële putten geslagen. Brutalistische architectuur bood een goedkope oplossing. Al kozen veel architecten ook los van het budget voor de stijl. Ze waardeerden de eerlijke uitstraling en de sculpturale kwaliteiten. Brutalisme werd voorgesteld als een positieve optie voor vooruitstrevende, moderne stadswoningen. Al raakte dat progressieve imago in verval: vanaf de jaren 80 werd de grauwe betonarchitectuur verguisd. Onze term brutalisme is een leenvertaling van het Franse béton brut, wat zoveel betekent als ruw beton. Maar over die term is veel discussie. Veel zogenaamde brutalistische architecten willen helemaal niet zo genoemd worden. Ivan Van Mossevelde bijvoorbeeld: een tenor van de Belgische betonarchitectuur, die afgelopen najaar een tentoonstelling kreeg in het stadhuis van Sint-Martens-Latem. Hij gebruikte veel beton, maar vanbinnen zijn Van Mosseveldes ontwerpen wit, strak en modernistisch. 'Brutalistisch klinkt inderdaad wat negatief. Voor mij is het eerder naoorlogs modernisme. Het draait rond de moderne gedachte die ook heerste op Expo 58: optimisme en geloof in de toekomst. Architectuur als utopie', aldus Onderbeke. Tim Onderbeke is al heel zijn leven gefascineerd door ruimte. Door gebouwen en volumes vast te leggen op foto, begrijpt hij ze ook beter. 'Maar ik fotografeer de gebouwen ook omdat ze continu veranderen, doordat de bewoners ze naar hun hand zetten. Neem nu de betonnen banken van Juliaan Lampens' kapel in Kerselare. Tegenwoordig ligt daar een houten plank op, omdat ze te koud waren om op te zitten en de kousen van de vrouwen erdoor scheurden. Lampens vindt dat vreselijk: het past niet in zijn concept. Toen ik in de kapel was, vond ik er ook een betonnen knielbank voor wie ter biecht ging. Een genadeloos object: Lampens was keihard voor de bedevaarders die hier boete kwamen doen.' In Atelier Jespers - de oude kunstenaarswoning van Oscar Jespers uit 1925 - toont Onderbeke verschillende analoge zwart-witfoto's van 'brutalistische' gebouwen: het Clarissenklooster in Oostende van Paul Felix, de bedevaartkapel in Kerselare van Juliaan Lampens, het cultureel centrum Westrand in Dilbeek van Alphonse Hoppenbrouwers en de Parochiekerk Pius X in Wilrijk van Paul Meekels. 'Stuk voor stuk gesamtkunstwerken', aldus Onderbeke. 'Alles is ontworpen: van de stoelen tot de deurkrukken. Daarom toon ik in Atelier Jespers ook verschillende meubels en objecten die speciaal voor de gebouwen gemaakt zijn.' Zo zijn er een betonnen bank, een knielbank en twee kandelaars uit de kapel van Lampens en een houten krukje uit zijn Villa Van Wassenhove. Uit het Clarissenklooster van Felix toont hij stoelen, krukjes, deurkrukken, een bronzen wierookschaal en een pateen: een schaal voor de miskelk. Alle metalen objecten zijn ontworpen en gemaakt door kunstenaar-smid Roger Bonduel. 'Aan elk object zit een verhaal. Paul Felix bijvoorbeeld zette altijd Bertoia-stoelen in zijn ontwerpen, maar dat was te luxueus voor de kerk. Dus moest hij voor het eerst zelf iets ontwerpen. Al zie je in de vormgeving nog heel duidelijk de invloed van Bertoia.'