Dit is niet alleen een primeur, maar ook een heuse verrassing voor onze architectuurfreaks. Want er zitten heel wat pareltjes tussen die meer dan een ommetje waard zijn. Een ding is alvast zeker: Brussel moet dit patrimonium toeristisch beter uitspelen.
...

Dit is niet alleen een primeur, maar ook een heuse verrassing voor onze architectuurfreaks. Want er zitten heel wat pareltjes tussen die meer dan een ommetje waard zijn. Een ding is alvast zeker: Brussel moet dit patrimonium toeristisch beter uitspelen. Voor haar masterproef aan de VUB ploos de jonge ingenieurarchitecte Linsy Raaffels massaal veel boeken en archieven uit om niet minder dan 252 woningen terug te vinden die architecten voor zichzelf bouwden in de periode van de late 18de eeuw tot 1970. Hierbij werd ze bijgestaan door de professoren Inge Bertels, Jonas Lindekens en Stephanie Van de Voorde. "252 woningen: dat is heel wat," zegt ze fier, "meer dan we konden vermoeden, want voor Antwerpen werden er bijvoorbeeld maar een honderdtal teruggevonden." Ze vermoedt zelfs dat het er nog meer kunnen zijn, zeker als je er de periode na 1970 bij rekent.Omdat het zo'n boeiend onderwerp is gaat ze er nu ook op doctoreren dankzij een Doctiris-beurs van Innoviris. Architectenwoningen zijn immers 'in'. Zelfs de vastgoedsector heeft er ruime belangstelling voor, denk maar aan de site architectenwoning.be. "Maar ze zijn ook niet zelden apart, omdat ze een uithangbord zijn voor een bouwheer, denk maar aan de woningen van Victor Horta of van Louis Herman De Koninck," aldus Linsy Raaffels. Ze ontdekte ook dat die architectenwoningen in Brussel een enorme stijlvariatie laten zien, die uniek blijkt te zijn. "Dat komt omdat de meeste gebouwd werden tussen 1890 en 1940, toen er heel veel verschillende stijlen naast elkaar populair waren, van het eclecticisme en het neoclassicisme tot de art nouveau, de art deco en het modernisme," legt ze uit. Brussel was ook erg rijk en in volle ontwikkeling waardoor architecten enorm veel opdrachten kregen. Meer dan elders? In zekere zin wel, omdat er in tegenstelling tot Parijs minder flatgebouwen en meer particuliere woningen werden opgetrokken. En elke eigenaar wilde een andere stijl...De Brusselse architecten waren ook minder dan hun Parijse confraters gedoemd om in een flatje te leven, maar konden zichzelf een leuke residentie veroorloven. Naast de bekende huizen van Horta, Van de Velde, Cauchie en De Koninck, ontdekte Linsy Raaffels bijna honderd nieuwe parels waarvan we enkele voorbeelden laten zien. Het gros van de architectenwoningen situeert zich in Elsene, Schaarbeek en Sint-Gillis. Doordat de masterproef van Linsy Raaffels op de site staat van de Vlaamse Scriptiebank, kunnen we haar studie gebruiken als handleiding voor een prachtige architectuurtocht door de stad. Precies om niet steeds dezelfde architectuurwoningen te laten zien die in alle boeken staan, selecteerden we negen minder bekende panden die de unieke stijlverscheidenheid van de Brusselse regio laten zien.Deze ooit hypermoderne woonmachines à la Le Corbusier vinden we in de Jules Lejeunestraat 69 te Ukkel. Het 'maison de verre' werd in 1935 opgetrokken door de pas afgestudeerde architect Paul Amaury Michel. Hij keek op naar de iconen van het modernisme, de architecten Gerrit Rietveld, Le Corbusier en Pierre Chareau, die hij ook ontmoette. Het huis heeft dus 'glazen' gevels, met zowel vlakglas als glasdallen. Bovendien staat het ook op kolommen, heeft brede ramen en een dakterras, net als de creaties van Corbu. Het was een ode aan de moderniteit en aan een nieuwe manier van leven, gezuiverd van alle decoratieve zonden van de art nouveau, waar toen alle modernisten van baalden. Je moet weten dat dé art nouveau-architect van Parijs, Hector Guimard (ruim zo beroemd als Horta en onder meer bekend voor zijn metroingangen) ooit speciaal naar Brussel reisde om deze woning van de zonderlinge architect Paul Hankar (Defacqzstraat 48, 1050 Brussel) te zien, want in 1893 was dit een internationale revelatie. Guimard vond de glazen erker ongezien. Hankar kruidde zijn stijl met een vleugje Vlaamse renaissance, wat Britse Arts & Craftsstijl en art nouveau elementen. De gevel zit vol symbolische sgrafitti van een haan die naar de dageraad verwijst, een duif naar de dag, een vleermuis naar de nacht en een zwaluw naar de avondschemering. Als een van de talrijke vrijmetselaars hield ook Hankar immers van wat mysterie en symboliek. Zijn woning bevindt zich trouwens in een schitterende buurt met meesterwerken van Horta, Van de Velde en Van Rysselberghe. In dezelfde straat bewonder je ook de woning die hij voor kunstschilder Ciamberlani ontwierp.Ingenieurarchitect Linsy Raaffels wijst in haar studie op de onwaarschijnlijke stijlverscheidenheid van onze vooroorlogse architectuur. Toen de architect-decorateur Joseph Van Tuyn zijn woning in 1927 optrok in Schaarbeek (Paul Deschanellaan 30), was het Bauhaus in Weimar in volle bloei. Maar toen was de Anglo-Normandische cottagestijl erg populair bij een groot publiek, zeker aan de kust waar je heel wat huizen ziet die bekroond zijn met dergelijk vakwerk. Eigenlijk ontwierp Van Tuyn een soort vakantiehuis in Knokse stijl, verfraaid met wat pittoreske landelijkheid. De gevel is uitstekend bewaard en valt best op in het Schaarbeekse stadslandschap. Deze gemeente telt trouwens heel wat woningen van architecten en is voor de architectuurfreak best een ommetje waard.De Jugendstil of Art Nouveau wordt niet ten onrechte de zweepslagstijl genoemd. Kijk maar naar de bijzonder kronkelende ornamenten rond de benedenramen van deze exotische gevel en je begrijpt waarom. Deze parel werd in 1906 opgetrokken door architect Arthur Nelissen (Kemmelberglaan 5 te Vorst), die eigenlijk uit Nederland kwam en zich in 1879 te Brussel vestigde. De blikvanger is natuurlijk de hoefijzervormige loggia die zelfs wat doet denken aan de roosvensters van de middeleeuwse kathedralen. Typisch Art Nouveau is ook de combinatie van smeedijzer met geglazuurde bakstenen. Enkele jaren later was het gedaan met al deze pronk uit de Belle Epoque en zweerden bijna alle bouwmeesters bij de sobere lijn van de art deco. We nemen graag aan dat de art nouveau dé bouwstijl van de Belle Epoque was, maar dat klopt niet helemaal. De gros van de woningen werd opgetrokken in een klassieke stijl, zoals dit pand van architect Adrien Blomme uit 1913 (Geo Bernierlaan 13 te Elsene) die later ook vrij moderne creaties heeft gebouwd. Maar hier zien we een klassiek rijhuis met een soort Franse gevel in baksteen. Omstreeks 1900 geraakten heel wat mensen in de ban van de neobarokstijl, zoals architect Maurice Decamps die in Schaarbeek (Louis Bertrandlaan 66) voor zichzelf een pand bouwde in typisch Brusselse barokstijl, geïnspireerd op de gevels van de Grote Markt.Na 1900 werd de art nouveau ook populair bij de middenklasse en stierf ten slotte een stille dood na de Eerste Wereldoorlog. Het huis van architect Oscar Lauwers in Schaarbeek (Eugène Demolderlaan 152) is zo'n laat voorbeeld toen de zweepslagstijl al lang over zijn hoogtepunt was. Maar het blijft een inspirerende gevel die ons ook grote vensters laat zien. In die tijd werd licht een belangrijk thema van de architectuur, zowel de elektrische verlichting als het natuurlijke licht dat via ramen werd binnengehaald.De Brusselse architectuur zit vol verrassingen, zoals dit torengebouw (Vergotesquare in Schaarbeek) waar architect Constant Bosmans woonde. Het gebouw uit 1907 is al een voorbode van de art decostijl die tussen de twee wereldoorlogen opbloeide. En het laat ons ook de evolutie zien van de rijhuizen naar de flatgebouwen die tijdens het interbellum en masse werden opgetrokken.Het hoekhuis dat architect Pierre Verbruggen in 1924 optrok in de Lombardijestraat te Sint-Gillis, weerspiegelt alle moderne invloeden van toen. We herkennen in het torentje zowel invloed van De Stijl als van Frank Lloyd Wright. Verbruggen bouwde modern en werd vermoedelijk door de bouwvoorschriften verplicht om bakstenen gevels te gebruiken in plaats van pleisterwerk. Deze hoek is een merkwaardig voorbeeld van de modernisme uit de jaren '20.