Als je vastbenoemd bent, ben je verplicht iets extra's te doen voor de samenleving. Je krijgt een garantie voor de continuïteit van je werk. Daar mag je iets voor terug- geven. Daarom probeerde ik niet alleen studenten te begeesteren, maar via tentoonstellingen, architectuurwandelingen, lezingen en publicaties ook een groter publiek te bereiken.

In de jaren 80 was de architectonische cultuur hier een woestijn. Met de Stichting Architectuurmuseum pleitten we voor een Vlaamse bouwmeester, die er in 1999 in de persoon van Bob Van Reeth ook effectief kwam. In de jaren 70 en 80 zijn zoveel slechte publieke gebouwen neergezet. De architect moest toen de juiste politieke kaart hebben om de opdracht binnen te halen. Ik vond het niet kunnen dat we gemeenschapsgeld staken in gebouwen die dat niet waard waren. Bovendien kwamen op die manier mensen met talent niet aan de bak. We hebben de kwaliteit van de architectuur kunnen opkrikken door meer wedstrijden ingang te doen vinden.

We kunnen betogen voor het klimaat, maar je mag toch ook stilstaan bij je persoonlijke bijdrage tot de vervuiling

De nieuwe generatie Vlaamse architecten gaat tegen de tsunami van visuele prikkels in. Wat ze bouwen, is niet spectaculair, maar wél met het reële leven verbonden. Wat het bureau Dierendonckblancke bijvoorbeeld doet, is down-to-earth. Ik zie daarin een verzet tegen de visuele overdrive van flashy beelden en gekromde gebouwen. In de mode en de grafiek mag je tieren, maar in de architectuur moet je spreken. En soms fluisteren.

Iemand een gepersonaliseerde postkaart sturen, is een vorm van waardering. Ik doe dat al 30 jaar. De postkaart is een-op-eencommunicatie. Het is een trager en duurzamer medium dan een tweetbericht. Ik schrijf nooit 'groeten uit'. Ik verknip de postkaartjes tot eigen creaties; soms kleef ik er iets op dat ik uit een magazine heb gescheurd. Steeds verwijst het naar iets wat de geadresseerde boeit. Wie zo'n stukje mail art ontvangt, weet dat ik aan hem of haar heb gedacht.

Dat mensen hun individuele verantwoordelijkheid ontlopen, is een groot probleem van deze tijd. Als ik op tv zie dat koeien stukken aluminium in hun maag krijgen en daardoor sterven, omdat mensen hun lege blikjes in de wei gooien, dan vraag ik me af wat die mensen bezielt. Als je ziet hoeveel rotzooi mensen achterlaten op het parcours van de Ronde van Vlaanderen: dat is beschamend! We kunnen betogen voor het klimaat, maar je mag toch ook stilstaan bij je persoonlijke bijdrage tot de vervuiling. Het gemak waarmee gebouwen afgebroken worden, stoort mij eveneens. Ook dat is een vorm van pollutie. Als je iets nieuws in de plaats zet, heeft dat uiteraard een impact op het milieu en de CO2-uitstoot. We moeten echt goed nadenken over zwaardere inspanningen om de recyclage te verbeteren.

Om een objectief oordeel te vellen, heb je onderscheidend vermogen nodig. Je moet alle positieve en negatieve elementen even op een rijtje zetten. Stedenbouw is bijvoorbeeld een complex gegeven. Het is niet zwart of wit. Net als Bob Van Reeth ben ik van mening dat het niet om mooi of lelijk draait. Dé vraag is: levert een gebouw een bijdrage aan een plek en de samenleving? Toen Van Hee, Robbrecht & Daem de Stadshal in Gent hadden ontworpen, kregen ze het verwijt dat ze er als architecten geen functie voor hadden vastgelegd. Uiteindelijk bepalen de mensen zelf waarvoor het dient. De ene dag staat er een piano onder, de andere geeft de burgemeester er zijn nieuwjaarsreceptie. Wat de critici vergaten, was dat na de sloopwerken in de jaren 60 op die plaats een gat was ontstaan, met drie pleinen errond. De Stadshal zorgde voor een correctie van perspectieven én voor een plek waar mensen graag komen verpozen.

Zoals Jan Hoet me ooit adviseerde, moet je soms zalven en soms slaan. Uiteraard hebben mensen liever dat je voortdurend de duim omhoog steekt, maar als er iets misloopt, moet je de vinger op de wond kunnen leggen. Zonder op de man te spelen. Hoewel ik zeer zachtaardig ben, is ergernis af en toe ook wel een drijfveer.

De tentoonstelling Vernieling en wederopbouw. Oostende 1944-1958, met foto's van Maurice Antony en samengesteld door Marc Dubois, is van 25 mei tot 29 september te zien in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende.