Ramon De Koning (28) ontsnapte ei zo na aan de dood in de Maleisische jungle
...

Na zijn studies boekte de Limburgse Ramon De Koning een enkeltje richting Azië met twee vrienden. Het doel? Al reizend de ultieme vrijheid ervaren. De eerste stop is Maleisië, waar hij in de Taman Negara-jungle een vijfdaagse trektocht zou maken. 'Gepakt en gezakt met tenten en proviand trekken we onder begeleiding van een ervaren gids de jungle in. Een surreële, prachtige plek ver weg van de beschaving. De eerste dag verloopt voorspoedig: we hebben warempel het dubbele van de voorziene afstand overbrugd. Bij het naderen van de campingspot, horen we in de verte een luid getoeter. De gids bevriest, wij ook. 'Een olifant', stelt hij ons gerust en we wandelen onbezorgd verder. Even later horen we opnieuw datzelfde geluid, nu akelig dichtbij. Zonder een woord te zeggen zet onze gids het op een lopen. Bij gebrek aan een alternatief plan rennen we hem achterna. Hij komt pas tot stilstand aan de overkant van de rivier, waar we opgelucht constateren dat de grijze gigant ons niet gevolgd is.''We wandelen naar de camping, zetten onze tenten op, koken en kruipen op tijd onder de wol. In het midden van de nacht word ik gewekt door ijzige schreeuw. Jelle, mijn reisgezel in de andere tent, klinkt alsof hij vermoord wordt. Marius, mijn andere vriend, en ik stormen halsoverkop in boxershort de tent uit, de donkerte in. Uit de geluiden leiden we af dat de boze olifant van enkele uren geleden ons op het spoor gekomen is. We hebben geen idee of hij intussen ook soortgenoten heeft opgetrommeld. Hij heeft het alleszins gemunt op de tent van Jelle, waar hij mee zwaait alsof het een blaadje papier is.' 'Ondertussen klinkt onze gids met behulp van zijn manchettemes in de dichtstbijzijnde boom waar hij hardop begint te bidden voor zijn leven. Wij hebben geen mes, de boom heeft geen takken en wij hebben bijgevolg ook geen schuilplaats. We verstoppen ons achter de stam, heel goed wetend dat het een kwestie van tijd is voor de losgeslagen olifant ons in het vizier krijgt. Niet veel later hoor ik hoe de olifant stapvoets onze boom nadert. 'Tooeeet', klinkt het op een afstand die niet meer kan zijn dan anderhalve meter. 'Fuck. Ik ben eraan', flitst er door mijn hoofd. Als de wiedeweerga springen we in de rivier en beginnen in blinde paniek te zwemmen, ons instinct achterna.' 'In een jungle waar tijgers, slangen en andere wilde rondhangen lijkt een boom ons de veiligste slaapplek. Met behulp van wat lianen slagen we erin om een tiental meter omhoog te klimmen on ons te installeren op wat dikke takken. Ik voel hoe de boomschors tegen mijn dijen klemt en mijn bloed afsnijdt, maar ik leef nog, dus comfort lijkt op dat moment een detail. Het is nu gewoon een kwestie van volhouden.''Ik schrik wakker. Iets of iemand klemt mijn haren vast. "Ramon is terug", hoor ik Jelle zeggen. Mijn vrienden vertellen me dat ik het bewustzijn plots verloren heb. Ze zijn er nog net op tijd in geslaagd om me bij de haren te grijpen en te voorkomen dat ik tien meter naar beneden zou donderen. Ik verander van houding en we beginnen kinderspelletjes te spelen om wakker te blijven tot het weer licht is. Op gezette tijden roepen we luidkeels, in de hoop dat de gids ons hoort. De gehele situatie is absurd: drie westerse jongens die in boxershort overnachten in een boom in het midden van de jungle omdat ze gevlucht zijn voor een op hol geslagen olifant.' 's Ochtens keren we via de rivier terug naar de kampplaats. Onze gids zit nog steeds in dezelfde boom, de olifant is gelukkig weg. Helaas geldt dat ook voor onze tenten. Die liggen begraven onder een dikke laag zand. In z'n razernij heeft de olifant zowat al onze spullen kapotgemaakt. Onze schoenen, onze kleren, ons eten, onze tenten: niets is nog heel. We zitten midden in de jungle, we hebben geen materiaal en om de dichtstbijzijnde uitweg te bereiken moeten we minstens één dag stevig doorstappen. Het huilen staat ons nader dan het lachen, maar veel keuze hebben we niet. In stilte volgen we de gids naar de dichtstbijzijnde uitweg. Zodra we die veilig en wel bereiken, vloeien er volop tranen. De grens tussen leven en dood is soms bijzonder dun.' Het verlangen naar avontuur bracht Mare Hotterbeekx uit Brussel naar Kazachstan en Kirgizië voor een rondreis van drie weken. Het oversteken van de grens tussen die twee landen loopt echter niet van een leien dakje. 'Als je een vliegticket naar Kazachstan boekt, weet je dat je je mag verwachten aan een gezonde portie avontuur en een minimum aan comfort. Waar ik me niet aan had verwacht, was het totale gebrek aan infrastructuur en de afwezigheid van transport.' 'Halverwege de reis willen mijn vriend en ik de grens van Kazachstan naar Kirgizië oversteken. Dat blijkt ingewikkelder dan verwacht. Dankzij een lift van twee locals arriveren we vlak voor valavond aan de grens, maar op een kazerne en een huisje na is alles volledig verlaten. In paniek gebaren we dat we een slaapplek nodig hebben, waarop de chauffeur uitstapt en aanbelt bij het huisje. Niet veel later is het beklonken: in ruil voor onze laatste cash kunnen we overnachten bij de eigenaars.' 'We staan wat te lummelen wanneer er een ogenschijnlijk vriendelijke local te paard passeert. Hij stopt, we communiceren in gebarentaal. 'We zijn hier op vakantie', 'De man naast mij is mijn vriend, maar we zijn niet getrouwd', maak ik hem duidelijk, waarop hij me uitnodigt voor een ritje. Dat is niet ongebruikelijk in Kazachstan. Veel toeristen verplaatsen zich daar te paard en ik heb in een ver verleden fanatiek paardgereden. Ik stap op en geef het dier de sporen, tot ik voel dat de eigenaar ook achterop springt. Blijkbaar doen we dit samen. "Vreemd", denk ik.' 'Een paar honderd meter verder begin ik er stilaan genoeg van te krijgen. De onbekende man zit veel te dicht en communiceren zit er niet in. Ik geef een ruk aan de teugels zodat mijn paard omkeert, terug naar het huisje. Dat is buiten de local gerekend, die het beest de sporen geeft. Ik denk dat het om een misverstand gaat en begin wild te gebaren dat ik wil terugkeren. Hij heeft er geen oren naar en maant het dier aan om te versnellen. Ik blijf aan de teugels trekken, maar het koppige beest luistert voor geen meter.''De lichte stress maakt plaats voor paniek wanneer ik de hand van de man suggestief over mijn been voel wrijven. Mijn vriend is mijlenver, er is hier niets of niemand in de buurt en het paard gaat intussen in volle galop. De situatie is uitzichtloos. Ik maak mijn voeten los uit de geïmproviseerde stijgbeugels en spring naar beneden. Met een harde smak beland ik op de ruwe landweg. De onbekende kijkt verbaasd achterom, maar besluit gelukkig door te rijden. Ik ren zo snel ik kan terug naar mijn vriend, die nietsvermoedend op me staat te wachten bij het huisje. "Waar bleef jij zo lang?", vraagt hij verbaasd.'Na een maandenlange voorbereiding was Loes Abrahams uit Brussel eindelijk klaar voor het avontuur van haar leven: een fietstocht van Singapore naar België. Het vertrek liep anders dan gepland.'Na een weekje relaxen in Singapore is het tijd om het fietsavontuur te beginnen. Samen met een collega-fietser vertrek ik om 5 uur 's ochtends om de warmte voor te zijn. Na amper twee uur stevig doortrappen naderen we een eerste mijlpaal: de grens van Maleisië. De fietsomstandigheden zijn niet ideaal. Er is geen fietspad, maar gelukkig wel een busstrook. Plots voel ik een schok en vlieg ik door de lucht om zo'n drietal meter verder op de grond neer te smakken. Eddie, mijn zorgvuldig gepimpte en gepersonaliseerde fiets, is volledig naar de filistijnen. Mijn wiel is gewoon in vier geplooid. Ik schiet in paniek. Zonder Eddie kan ik mijn fietsreis vergeten.' 'Ik sleep mijn gehavende tweewieler eigenhandig naar de kant, mijn collega-fietser knoopt een gesprek aan met de chauffeur van de camionette die me heeft aangereden. Veel heil brengt het niet, want de man in kwestie schiet niet echt te hulp en lijkt vooral bekommerd om zichzelf. Ik installeer me in een bushokje om uit te rusten en zie dat mijn hele arm vol schaafwonden zit. In mijn schouder steekt een bijtende pijn de kop op, waarop ik besluit om een ambulance te bellen.''De ambulance weigert om mijn fiets mee op te takelen. Voor mij is dat een kwestie van leven of dood, want die fiets is niet alleen mijn vervoersmiddel maar ook mijn slaapplek en zelfs mijn keuken. Na wat onderhandelen bezwijken ze gelukkig. Eddie mag mee. In de ambulance rijd ik, na amper drie uur fietsen, terug naar de plek waar ik begonnen ben. Ik wacht op het spoed op mijn verdict: een paar spierscheuren en drie weken verplichte rust. Een stevige domper op de reisvreugde. Ik had me die start wel anders voorgesteld.'