1

Ik heb ooit een treinreis met een hond gemaakt. Achteraf heb ik er van alles omheen gedacht en van alles bij verzonnen, niet bij die reis, maar bij die executie op het perron waarvan ik opeens ooggetuige was. Die moest meer zijn dan een triviale gebeurtenis, méér dan een abrupt, betekenisloos einde van - ja, van wat eigenlijk; van het avontuur, laat ik het dan zo maar noemen. Ik had ergens deel van uitgemaakt, ik had een noodzakelijke verplaatsing mogelijk gemaakt, ik had een rol gehad. Waarom zou het niet zoiets kunnen zijn geweest als de strijd tussen Goed en Kwaad, en dat een van de partijen won, en dat de vorm waarin de twee tegenpolen gegoten waren, hond en kat, toevallig was, hoewel niet zonder symbolische waarde? Dan was ik een schakel geweest in een Groot Verhaal met mythologische dimensies, een legende, een mythe. Die bebloede kaken moeten iets betekenen.
...

Ik heb ooit een treinreis met een hond gemaakt. Achteraf heb ik er van alles omheen gedacht en van alles bij verzonnen, niet bij die reis, maar bij die executie op het perron waarvan ik opeens ooggetuige was. Die moest meer zijn dan een triviale gebeurtenis, méér dan een abrupt, betekenisloos einde van - ja, van wat eigenlijk; van het avontuur, laat ik het dan zo maar noemen. Ik had ergens deel van uitgemaakt, ik had een noodzakelijke verplaatsing mogelijk gemaakt, ik had een rol gehad. Waarom zou het niet zoiets kunnen zijn geweest als de strijd tussen Goed en Kwaad, en dat een van de partijen won, en dat de vorm waarin de twee tegenpolen gegoten waren, hond en kat, toevallig was, hoewel niet zonder symbolische waarde? Dan was ik een schakel geweest in een Groot Verhaal met mythologische dimensies, een legende, een mythe. Die bebloede kaken moeten iets betekenen. Het is een naïeve gedachte, ik weet het. We willen allemaal de hoofdrol spelen. Maar ik heb er geen enkel bezwaar tegen om een bijrol te spelen in het verhaal van anderen, als er maar iets op het spel staat. Daarom denk ik: het was Goed tegen Kwaad, of nog iets anders, er is een betekenis die me ooit geopenbaard zal worden, zodat ik het verhaal kan vertellen, niet eens aan anderen, maar aan mezelf, zonder dat ik, als het einde nadert, een leegte voel opdoemen die ik zelf niet met inhoud of waarde kan vullen. Toen de schuifdeuren zich voor me openden liep de hond met me mee naar binnen, de stationshal in. Het was een forse hond, een oude Duitse herder, ze keek niet op of om. Ik kon haar nagels op de tegels horen tikken, boven het geratel van rolkoffers en de onverstaanbare aankondigingen over vertrek, aankomst en vertraging uit. Door de hoge vensteropeningen stroomde zonlicht in gouden balken waarin stof danste. Ooit zou het station zelf als stof in het zonlicht dansen maar vooralsnog maakte deze grote hal met haar op reusachtige pilaren steunende koepel de indruk van onverwoestbaarheid, iets dat er altijd al gestaan had, een oude tempel die zich, toen de tijd daarom vroeg, had getransformeerd tot station en die zich later, als de tijd andere eisen zou stellen, zou veranderen in iets waarvan wij ons nog geen voorstelling konden maken. Terwijl ik me koesterde in het gevoel van tijdloosheid dat de stationshal bij me opriep, bleef de hond naast me lopen, op haar gemak, het getik van haar nagels het ritme van een aangename, rustgevende hartslag. Ik had gehoord van stationskatten, misschien was dit dan een stationshond. Al trof je die katten doorgaans aan in de provincie, op stations die bestonden uit een wachthokje en een perron waaraan een of twee keer per uur een stoptrein aanmeerde. De krant had er ooit een serie aan gewijd, ik herinnerde me dat er een interne mail rondging met de vraag of iemand nog een station met een kat wist. Het was nog een vrij lange serie geworden. Oude katten waren het meestal, sommige misten een oog. Ik keek naar de hond, ze had beide ogen nog. Het zou vreemd zijn als dit grote, drukke hoofdstation ook een dier als mascotte had, en dan nog wel een oude herdershond. Misschien moest ik mijn collega's van de stadsredactie waarschuwen, wie weet zat er een verhaal in. Ik zag passanten naar me kijken, reizigers met koffers, studenten met grote bekers koffie (ooit krijgen die bekers wieltjes, net als de koffers), daklozen die tegen de sokkels van de pilaren leunden of zaten - terwijl hun blikken mij volgden, mij en de hond, voelde ik me langzaam veranderen in een ander iemand, iemand met een hond, iemand die niet langer alleen was, iemand voor wie ruimte werd gemaakt. Het was alsof de hond me een geïdealiseerde versie van mezelf uitleende zolang ze naast me liep. Ze zou me zo wel weer in de steek laten en dat was maar goed ook; ze droeg geen halsband, elk moment kon ik erop aangesproken worden dat ik me tegen alle regels in met een loslopende hond in het station bevond. Maar zolang ze naast me liep voelde ik me goed, vol zelfvertrouwen, en ik bedacht dat ik deze stemming moest zien te bewaren, dat ik voortaan altijd net moest doen of er een grote oude herdershond naast me meeliep, overal waar ik ging. Eigenlijk was dat wel genoeg, zo'n klein maar hoopvol en toekomstgericht inzicht, maar de dag was nog maar net begonnen en ik moest nog verder. Bovendien had de hond plannen. Dat ze niet zomaar tegelijk met mij naar binnen was gelopen maar daadwerkelijk mij had uitgekozen, merkte ik toen ze zich opeens tegen mijn onderbenen aanduwde, alsof ze me naar de rij kaartenautomaten wilde duwen die links van me stond. Nee, niet alsof - ze duwde me inderdaad naar een automaat die vrij was. Ik bleef staan. Het moet een blindengeleidehond zijn, dacht ik. Een blindengeleidehond die mij onder haar hoede neemt omdat ze denkt dat ik blind ben. Blijkbaar had ik die indruk gewekt, had ze me aarzelend en zoekend zien rondlopen, dat was wel wat voor mij, moest ik toegeven, ook al kende ik de weg. Bestonden er baasjesloze blindengeleidehonden die zochten naar een taak? In het oude Japan had je rondzwervende samoerais zonder heer - opeens wist ik weer hoe die werden genoemd. Ik keek naar de hond. 'Zal ik je Ronin noemen?' De hond, die nu Ronin heette, sprong omhoog en zette haar voorpoten op de rand die onder het scherm van de kaartautomaat liep. 'Oké Ronin,' zei ik, 'waar vind je dat ik naartoe moet?' Ik drukte op het scherm, waarop meteen de namen verschenen van een aantal grote stations. Ik liet er mijn vinger langs glijden. Ronin keek mee en gromde zacht. Ik vatte het op als een blijk van afkeuring. Op het volgende scherm verscheen het alfabet. Weer gleed mijn vinger erlangs, Ronin bleef grommen. Toen mijn vinger bij de W kwam, blafte ze één keer. Er verschenen nieuwe letters, meteen bij de eerste blafte ze weer. W-A. Daarna verschenen drie stationsnamen die alle drie met WA begonnen. Ronin blafte bij de tweede. Wagenkerke. 'Wil je dat ik daar naartoe ga?' Ronin blafte weer. Ik kende de naam ergens van, vaag, als een plaatsnaambord dat opdoemt in de mist. Misschien was ik er ooit in een flits langs geschoten in een sneltrein. 'Maar ik ga nergens naartoe, Ronin', zei ik. 'Ik kom hier niet om een trein te nemen.' Ronin veegde opgewonden met haar poten over de onderrand van het scherm. Ik aaide haar over het hoofd en vertelde wat ik kwam doen. Ik ging niet op reis. Ik werkte op de mediaredactie en alle media zaten hier, in de stad, iedereen kwam hier naartoe. Toen werd Ronin een beetje vervelend. Ze pakte mijn hand in haar bek, bijten kon je het niet noemen, maar ik moest me toch losrukken. Ik liep weg, ze volgde me, weer pakte ze mijn hand, ze trok me terug in de richting van de automaat, waarop de instructies stonden voor het verkrijgen van een kaartje naar Wagenkerke. Ik rukte me los, het was mooi geweest, ik mocht niet te laat komen. Achter me begon Ronin te blaffen. Het was een beschuldigend geblaf, gewond, klagend, en het klonk steeds scheller, het echode rond onder de geweldige koepel, het vulde de hele ruimte met een kakofonie van geluid, terwijl ik doorliep naar de stenen trappen naar het eerste perron zag ik overal om me heen mensen hun handen voor hun oren slaan. Beveiligers renden me tegemoet en schoten langs me heen. Toen ik het eerste perron betrad, ging het geblaf over in een zacht gejank. Daarna hield het op. Ik zat al een halfuur in het Wagons-Lits Restaurant toen mijn redacteur belde. 'Ze komt niet', zei hij. 'Ze komt niet?' 'Ze wil zich niet meer door ons laten interviewen. Door jou, eigenlijk. Ze heeft toch liever iemand anders. Van een andere krant.' Vermoeidheid stroomde vanuit mijn schouders in mijn lichaam. Het liefst had ik het gesprek nu beëindigd, maar dat ging niet, ik moest doorvragen. 'Hoezo iemand anders? Ik heb haar gisteren nog gebeld voor een voorgesprek, ik heb een halfuur met haar gesproken.' Even was het alsof ik in de verte geblaf hoorde, ergens onder mij. 'Ze hield niet van het voorgesprek', zei mijn redacteur. 'Dat mailt ze me net.' Nee, ik had ook niet van het voorgesprek gehouden. Het zoveelste zangeresje dat een kwisje ging presenteren, het was pure routine, ook voor haar nam ik aan. Ik deed mijn werk, zij het hare. Ze had zelf voorgesteld om het interview hier te doen, op het station, ze kwam altijd met de trein naar de studio's, dat was tenminste nog wat, een invalshoek. 'Ze vond je ongeïnteresseerd.' 'Hoe moet ik dan ook...' begon ik. 'Ik had nog wel een invalshoek.' 'Een invalshoek. Gefeliciteerd.' Ik hoorde een diepe zucht aan de andere kant van de lijn. 'Misschien moet je je eens afvragen of dit nog wel jouw wereld is.' Om me heen was het druk, aan tafels werd geanimeerd gepraat, met brede gebaren, handen met messen en vorken en glazen. Obers liepen af en aan. Ik keek om me heen en vroeg het me af: was dit nog wel mijn wereld? Ik liet mijn telefoon zakken en verbrak zonder te kijken de verbinding. Ik dronk nog een koffie. Daarna stapte ik naar buiten, terug naar het eerste perron. Er reed net een trein weg, het spoor bleef leeg achter onder de grote overkapping van gietijzer en glas. Bij andere perrons stonden andere treinen, ze kwamen binnen en reden weg. Het was een gereguleerde wereld, ik maakte er geen deel van uit. Weer hoorde ik geblaf. Het zat in mijn hoofd. Ik had Ronin niet in de steek moeten laten. Maar wat had ik aan een kaartje naar Wagenkerke, wat moest ik daar doen? Ik liep het perron af tot voorbij de overkapping, de hoeveelheid daglicht viel me rauw op het dak, ik liep meteen weer terug, tot voorbij het Wagons-Lits Restaurant, en stond opeens stil: wat als Ronin zelf naar Wagenkerke had gewild? Ze herkende letters maar kon zelf natuurlijk geen kaartje kopen. Ronin de circushond. Ronin de herder. Ik hoorde weer geblaf, deze keer was het echt, het kwam uit een grijze metalen deur in de muur naast me, er kwam net een man met een schoonmaakkarretje naar buiten. Ik ving de deur op voordat hij dichtsloeg en liep snel naar binnen. Ik daalde een trap af en kwam terecht in een stelsel van gangen met wanden en vloeren van grauw onafgewerkt beton. Ik bevond me in de krochten van het station, troosteloos en grauw als de zone achter de coulissen van een theater, de illusieloze ruimte vanwaaruit illusies in stand worden gehouden. Misschien dat toen de eerste gedachte aan het avontuur in me opkwam. Ik kwam langs kamers met dozen en schoonmaakspullen, ik zag kapstokken met uniformen. Zo nu en dan liep iemand langs me heen en mompelde een vage groet, die ik dan met mijn eigen gemompel beantwoordde. In het licht van de tl-balken zag iedereen er kleurloos uit. Niemand was verbaasd over mijn aanwezigheid. Even speelde ik met de gedachte dat ik hier al jaren werkte en net wakker was geworden uit een droom waarin ik bij een krant werkte en een hond had ontmoet die kon lezen. Voor de zekerheid nam ik me voor op te letten of de volgende die me groette mij niet bij de naam noemde, en welke naam dat dan was, maar na die gedachte bleven de gangen leeg, alleen het geblaf bleef over. Hoe verder ik in het gangenstelsel doordrong, hoe harder het klonk. Achter een schuifdeur bevond zich een kleine zaal waarin langs één wand een rij kooien stond. In elke kooi zaten een of twee honden, die alleen nog maar harder begonnen te blaffen toen ze mij zagen. Er was een aanrechtje met een koffiezetapparaat, een koelkast, een tafel en drie stoelen. Het koffiezetapparaat liep pruttelend door, dus ik nam aan dat er elk moment iemand kon binnenkomen. Gehaast liep ik naar de kooien. Ik zag een bouvier, een rottweiler, drie, vier herdershonden, was Ronin daarbij? Ze zat in haar eentje in een kooi, ik herkende haar meteen. Ze keek me aan en blafte, één keer. Eerder had ik ergens uniformen zien hangen, ik moest me verkleden, ik moest zien dat ik Ronin hieruit kreeg - mijn opdracht leek me helder en duidelijk: ik moest hier ongezien met de hond wegkomen. Als eerste zette ik het koffiezetapparaat uit, maar ik zag meteen mijn denkfout in: de mannen die zo meteen koffiepauze hadden zouden zich hierdoor niet laten weerhouden. Dus zette ik het apparaat maar weer aan. De rest bleek heel eenvoudig. De kooien zaten niet op slot, er hingen riemen en halsbanden, Ronin liet zich probleemloos aanlijnen. In mijn eigen kleren liep ik met haar door de gangen terug naar de deur die uitkwam op het eerste perron. De mannen die me tegemoet liepen mompelden hun naamloze groet, eentje vroeg verbaasd of ik nu al wegging en of ik dan geen koffie moest. De stoptrein naar Wagenkerke had oude rijtuigen, met raampjes die naar beneden konden worden gedraaid. Ronin stond op de bank met haar kop naar buiten, haar tong flapperde uit haar bek, haar oren trilden in de wind. In de stationshal had ze rustig, zonder mee te kijken, gewacht tot ik twee kaartjes uit de automaat had gehaald, alsof ze er volledig van overtuigd was dat ik de juiste keuze zou maken. In de sneltrein had ze rustig naast me op de bank gelegen. Ook ik voelde me kalm, ik liet de stad achter me met geen enkel gevoel van spijt, geen enkele twijfel. Toen we overstapten kocht ik een beker koffie, Ronin kreeg een schaal water. Buiten gleden velden voorbij in de avondzon, het licht was geel en vriendelijk. Ik probeerde me te herinneren waar ik de naam Wagenkerke van kende. Oude mythen? Volksverhalen? Of was de waarheid prozaïscher, en had het station gefigureerd in de serie over stationskatten? Zo nu en dan schoot op het andere spoor een sneltrein voorbij, dan trok Ronin haar kop naar binnen, één keer keek ze daarbij om en was het net of ze lachte. Zoiets kan vast niet, maar toch, dat traject in de stoptrein, die hond met haar kop uit het raam, haar ogen dichtgeknepen tegen de wind en de laagstaande zon, het licht dat bijna oranje was, geweldig was het, het had nog veel langer mogen duren. Toen we uitstapten was het snel voorbij. Station Wagenkerke bestond uit een perron met een wachthuisje, overal om me heen zag ik alleen maar velden, van een dorp of een stadje was niets te zien. Er was inderdaad een stationskat. Hij zat aan het eind van het perron met de rug naar ons toe. Als een pijl uit een boog schoot Ronin er naartoe en beet hem dood. Natuurlijk is er meer dan dat, natuurlijk is er betekenis. Alles heeft betekenis. Ik hoop dat ik ooit het verhaal zal kennen waarvan ik die dag deel uitmaakte. Het gaat er niet om het verhaal te verspreiden, ik geloof niet dat ik het iemand zou vertellen. Misschien als anekdote. 'Ik heb ooit een treinreis met een hond gemaakt', zou ik beginnen en daarna zou ik zwijgen en de rest van het verhaal voor mezelf houden.