Ik word gewekt door het zachte gehinnik van een paard. Even moet ik me oriënteren, want ik zie niets in de pikdonkere joert. Dan herinner ik me dat ik samen met enkele reisgenoten in een joertkamp aan de oever van het Song-Kolmeer ben blijven overnachten. Ik heb geen idee hoe laat het is, maar door de smalle streep zonlicht die door een klein gaatje in het dikke wandkleed schijnt, vermoed ik dat het al ochtend is. Zachtjes open ik het houten deurtje, duw het dikke doek opzij dat ter isolatie voor de ingang hangt en stap de kille ochtend in. Ik word getrakteerd op een adembenemend uitzicht van met sneeuw bedekte bergtoppen die de groene vallei en het helderblauwe bergmeer omringen. Ik zou me bijna in Nieuw-Zeeland of Zwitserland wanen, ware het niet dat joertkampen van de seminomadische herders het landschap sieren.
...