We zouden allang hopeloos zijn verdwaald in de smalle, stoffige stegen van Marrakesh als we Christine Pigeau niet hadden. Behendig gidst de Nederlandse blondine ons door de oude medina. We passeren leerlooiers, koperslagers, juweliers, houtbewerkers en schoenmakers en af en toe redt ze ons van een toeterende bromfiets of pakezel die zich een weg door de menigte baant. In de drie jaar dat Christine nu grotendeels in Marrakesh woont, heeft ze de cultuur goed leren kennen. Die zwarte kohl om haar ogen? Om de mannen te misleiden. 'Laat ze maar denken dat ik getrouwd ben', lacht ze. Ze houdt van het land en van Marrakesh. Behalve van die brommers dan. 'Ze zijn verboden in de medina, maar ze geven status. De brommertjes worden zelfs uitgeleend, mag een ander ook even showen.' Mensen met mondkapjes op doen dat uit protest tegen de stank. Niet te verwarren met vrouwen met een doek voor de mond. 'Dat zijn vaak gescheiden vrouwen die op de markt hun inboedel verkopen om te overleven, en daarom uit schaamte hun gezicht bedekken.'
...

We zouden allang hopeloos zijn verdwaald in de smalle, stoffige stegen van Marrakesh als we Christine Pigeau niet hadden. Behendig gidst de Nederlandse blondine ons door de oude medina. We passeren leerlooiers, koperslagers, juweliers, houtbewerkers en schoenmakers en af en toe redt ze ons van een toeterende bromfiets of pakezel die zich een weg door de menigte baant. In de drie jaar dat Christine nu grotendeels in Marrakesh woont, heeft ze de cultuur goed leren kennen. Die zwarte kohl om haar ogen? Om de mannen te misleiden. 'Laat ze maar denken dat ik getrouwd ben', lacht ze. Ze houdt van het land en van Marrakesh. Behalve van die brommers dan. 'Ze zijn verboden in de medina, maar ze geven status. De brommertjes worden zelfs uitgeleend, mag een ander ook even showen.' Mensen met mondkapjes op doen dat uit protest tegen de stank. Niet te verwarren met vrouwen met een doek voor de mond. 'Dat zijn vaak gescheiden vrouwen die op de markt hun inboedel verkopen om te overleven, en daarom uit schaamte hun gezicht bedekken.' Marokko heeft twee gezichten, merken we op deze reis: van extreem arm en traditioneel, tot rijk en modern. Zo ook in Marrakesh. Aan de ene kant creatieve conceptstores als Some, Shtatto, of Max & Jan van het gelijknamige Belgische duo, met mooie kleding, accessoires en allerhande design en Chabi Chic voor mooi glaswerk en keukenspul. 'Marrakesh is continu in beweging', zegt Christine, terwijl ze een opsomming maakt van net geopende tentjes. Zo zijn er de restaurants Kilim en Projet M. En Kabana, de hippe bar met dakterras, met een fantastisch uitzicht over de medina en volgens Christine de place to be voor wie houdt van cocktails, dj's, sushi en de mediterrane keuken. Of het Marokkaanse Culinaire Kunsten Museum, waar je traditionele gerechten als couscous, pastilla, tajines, bissara en harirasoep kunt proeven én leren maken. 'Dan hebben we natuurlijk klassiekers als hotel El Fenn, ooit helemaal afgehuurd door Madonna met haar gevolg, ook weer met zo'n stijlvolle rooftopbar. Le Jardin Secret, een vierhonderd jaar oude riad met prachtige binnentuin, en het vijfsterrenhotel La Mamounia mag ik ook niet vergeten. En heb ik het Yves Saint Laurent Museum met de Majorelle-tuin al genoemd?' We hebben het allemaal met eigen ogen gezien: schoonheid ten top. Aan de andere kant waan je je in de medina soms in de middeleeuwen, zo traditioneel en arm is het er. Troost biedt de islam, die voorschrijft dat je elkaar helpt en niet pronkt met je rijkdom. 'Daarom is de toegangspoort van een riad (een traditioneel stadspaleis met binnentuin) vaak heel eenvoudig, vertelt Christine. 'Maar open je die poort, dan kom je soms in een weelderig paradijs, zoals hier', zegt ze terwijl ze ons het voormalige onderkomen van de pasja binnenleidt, het Dar El Bacha. Binnen valt onze mond open bij het zien van de marmeren zalen en met mozaïek ingelegde zuilen. Ook hier een islamitische binnentuin, met granaatappel-, vijgen- en amandelbomen. Intiem verstopt in de hoek van het paleis is er de Bacha Coffee Shop. Ook al net geopend, en een walhalla voor koffieconnaisseurs en liefhebbers van interieurdesign. Terug in de medina dolen we verder door de steegjes, door de levendige soek met al zijn handeltjes, tot we uitkomen bij het kloppende hart van Marrakesh: Djemaa el Fna. Snerpende fluiten van slangenbezweerders, geuren van munt en andere kruiden, rookwalmen en sissend vlees uit eetkramen, apen aan een koordje, jongens die salto's maken en ja, zelfs een mannetje dat vanachter een klein tafeltje gebitten verkoopt. Allahoe akbar galmt uit de moskeeën. Terwijl mannen zich naar binnen spoeden, bekijken wij het steeds drukker wordende plein, de oranjerode hemel en de vallende avond vanaf een dakterras. Buiten Marrakesh begint een heel ander Marokko. Via de spectaculaire bergpas Tizi'n Test steken we over naar Taliouine, het hart van de saffraanregio. 's Morgens vroeg, nog voor de eerste zonnestralen tussen de bergen doorglippen, zien we vrouwen met manden en kleurrijke rokken gebogen over de krokussen die ondanks de droogte zijn opgekomen. De frêle bloemetjes zijn de dragers van 'het rode goud': saffraan, het duurste kruid ter wereld. Eens per jaar, meestal begin november, wordt er geoogst. Door vrouwen, want die bukken en plukken beter, zo horen we later, bij een van de gastvrije dames thuis. Ze zit op een kussen met een berg krokussen voor zich, en peutert met fijne vingers de rode stampers uit de bloemen. Voor een kilo saffraan die 30.000 euro kost zijn 100.000 bloemen nodig. Het mooie van reizen over land zijn de flarden van het dagelijkse leven die zich voor je ogen voltrekken. We zien een dromedarissenkaravaan met toeristen, en niet veel later een rouwstoet op een bergweg - de kist bedekt met groene vlag, gedragen en gevolgd door een groep mannen te voet. En geiten in de bomen! We zetten de auto aan de kant om het schouwspel van dichtbij te bekijken. Achter een arganboom verschijnt de geitenhoeder, even nieuwsgierig als wij. Liever geen foto, maar hij gebaart of hij wel even door de camera mag kijken. Hij lacht verwonderd bij de klik en de foto die op het schermpje verschijnt. Zo maken we even kort kennis met elkaars wereld en poseert hij alsnog, breed lachend met zijn bruine tanden. Dan rent hij weg, achter zijn geiten aan die hem zijn gesmeerd naar een volgende groep bomen. Vier uur en een adembenemende rit door het berggebied van de Amelnvallei verder (waar het lijkt of de ronde rotsen achteloos op aarde zijn gesmeten), komen we aan in Tafraout, aan de voet van de Anti-Atlas. Bij het ontbijt treffen we Guy en Inge uit Merksplas en Luc en Els uit Olen. De vier vijftigers maken een avontuurlijke motorreis, 1800 kilometer in acht dagen door Marokko. 'Het landschap in deze vallei is heel gevarieerd, met prachtige vergezichten en goede wegen', zegt Guy. 'Soms gaan we offroad, voor een wandeling of gewoon voor het onbekende', vult Inge aan. 'We genieten van die kleine theetentjes langs de weg, van de mensen in prachtige kledij, precies tapijten, zo zwaar.' Bij de Blauwe Rotsen, van de Belgische kunstenaar Jean Vérame, die een partij ronde rotsen midden in het uitgestrekte landschap in 1984 een 'likje' verf heeft gegeven, hadden ze gemengde gevoelens. Nee, dan liever de natuurlijke rotsboog op het strand van Legzira. We maken een wandeling in Oumesnat, een van de 26 berberdorpjes aan de voet van de Djebel Lekst, met 2359 meter de hoogste top in de omgeving van Tafraout. De simpele lemen huizen, tegen de steile berghellingen geplakt, vallen nauwelijks op. De berberfamilies leven zelfvoorzienend, maar helemaal weg van de moderne wereld zijn ze niet, dat merken we als een krom dametje in klederdracht voor ons op een bergpad haar rinkelende mobieltje opneemt. Wie van sieraden houdt, moet naar Tiznit. In dit stadje op vijftien kilometer van de kust huizen zo'n 130 zilversmeden en op de overdekte juweliersmarkt vind je dan ook het fijnste zilverwerk, vaak goedkoper dan elders in Marokko. De Belgische Marokkaan Abby Battah groeide op in Tiznit en is na jaren werken in het chique hotelwezen in België en Spanje terug in zijn thuisstad, waar hij vol toewijding een riad bestiert. Abby neemt ons mee naar het Place el-Mechouar. Elke ochtend staat het plein vol mannen, hopend op werk, vertelt hij. ''Zijn hier loodgieters aanwezig? Timmermannen?' roepen ronselaars dan vanuit hun busjes. 'Ja? Stap dan maar in!'' We bezoeken een armoedige werkplaats boven de juweliersmarkt, waar zilversmid Ahmed Equerche aan het werk is. 'Misschien wel de beste van Marokko', zegt Abby. 'Hij kent alle technieken, er is zelfs een modeshow in Frankrijk rond zijn juwelen gegeven. Was hij niet zo bescheiden, dan had hij allang landelijke bekendheid gehad.' Ahmed, verlegen, zegt niet veel, maar vindt het prima als we toekijken hoe hij de fijnste gravures in het zilver aanbrengt. Terug in de riad organiseert Abby een theeceremonie. Zijn neef heeft voor de gelegenheid een gandoera, de traditionele kaftan, aangetrokken en giet muntthee hoog op, om die daarna telkens weer in kopjes over te gieten, tot een centimeter dikke schuimlaag ontstaat. En weer leren we iets. 'Vroeger was Tiznit een handelscentrum, waar de karavaan uit de Sahara langstrok. De nomaden dronken hun thee met een schuimlaag, die het zand en stof opving. En de thee bleef zo ook langer warm, want 's nachts kan het flink koud worden in de woestijn.' Agadir is de grootste en meest toeristische badplaats van Marokko. De meeste hotels liggen aan de uitgestrekte boulevard en hebben vaak privéstranden met ligbedden. De stad is in 1960 verwoest door een aardbeving en mist daardoor de typische Marokkaanse sfeer. Wel is Agadir een handige uitvalsbasis voor lieflijke plaatsjes in de omgeving. Zo gaan surfers en hippies graag naar het twintig kilometer noordelijkere Taghazout, waar mannen geen lange gewaden dragen, maar shorts en dreadlocks. Ook het vissersplaatsje Essaouira, op zo'n drie uur rijden van Agadir, trekt veel bezoekers. Wij volgen de panoramische route langs de kust ten zuiden van Agadir. In trek bij Marokkanen, maar minder bekend onder toeristen. Op de stranden is genoeg te doen: van duiken, vissen, surfen en paragliden tot rijden op een quad, kameel of paard. In Mirleft eten we verse vis aan zee, en zien we hoe op het strand hippe surfboys en vrouwen in lange gewaden zij aan zij gaan. De weg slingert zuidelijker, hoog langs de Atlantische Oceaan. Legzira Beach, de afgelegen baai waar de Belgische motorrijders in Tafraout zo van onder de indruk waren, is inderdaad ontzagwekkend. We wandelen uren over het brede strand, langs de hoog oprijzende rode rotswanden en de beroemde, door erosie gevormde rotsboog. Een visser wuift. Of we thee komen drinken? Hij laat ons zijn grot zien: een visnet, rubberband, matras, een theepot. Hij rookt een sigaretje en schenkt ons nog eens bij. De Marokkaanse gastvrijheid kent geen grenzen. We wandelen weer verder, over het verlaten strand, langs de imponerende rotsen die door de ondergaande zon in brand lijken te staan. We voelen ons geweldig en nietig tegelijkertijd. Marokko is machtig.