Een volwassen exemplaar is het, zo groot als mijn hand, zeker een centimeter of vijftien. Gitzwart bolvormig achterlijf, een grote kop met vervaarlijke kaken en giftanden, plus acht harige poten met rozerode tenen. Als ik na een middagdutje tegen de smoorhitte en de jetlag ontwaak, zit op het houten wandje naast mijn bed een monster, dat ik herken uit de horrorfilm Tarantula uit 1955. Het beest staart me aan, op een halve meter afstand van mijn gezicht, schijnbaar klaar voor de aanval. Het zweet breekt me uit. Ik verzamel moed, sta tergend traag op, loop de hut uit en trek de deur achter me dicht. Het klamme zweet staat op mijn rug. Op een van de meest afgelegen plekken op aarde ben ik ontsnapt aan de dood.
...

Een volwassen exemplaar is het, zo groot als mijn hand, zeker een centimeter of vijftien. Gitzwart bolvormig achterlijf, een grote kop met vervaarlijke kaken en giftanden, plus acht harige poten met rozerode tenen. Als ik na een middagdutje tegen de smoorhitte en de jetlag ontwaak, zit op het houten wandje naast mijn bed een monster, dat ik herken uit de horrorfilm Tarantula uit 1955. Het beest staart me aan, op een halve meter afstand van mijn gezicht, schijnbaar klaar voor de aanval. Het zweet breekt me uit. Ik verzamel moed, sta tergend traag op, loop de hut uit en trek de deur achter me dicht. Het klamme zweet staat op mijn rug. Op een van de meest afgelegen plekken op aarde ben ik ontsnapt aan de dood. In het regenwoud van Guyana moet je niet bang aangelegd zijn, want er leven dodelijke jaguars, kaaimannen, sidderalen, piranha's, gifkikkers, kogelmieren, schorpioenen, anaconda's en ratelslangen. Deze Amazoneroodteenvogelspin, zo leer ik later, is weliswaar giftig, maar voor de mens niet dodelijk. Natuurgids Leon Moore vindt mijn doodsangst amusant. "Vogelspinnen zien er misschien eng uit," legt hij uit, "maar vallen alleen aan als ze zelf in gevaar zijn, uit zelfverdediging." Terwijl ik van een afstandje toekijk, haalt Leon de tarantula uit mijn hut. Hij laat het dier over zijn handen lopen en toont hem aan de toegesnelde andere gasten; hij blijkt donzig zacht aan te voelen. Bij de samenloop van de rivieren Rewa en Rupununi, driehonderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad, staat een ecolodge van zes hutten met puntdaken van palmblad, met elk twee bedden met klamboes, een veranda met hangmat en een halfopen badkamer. Na een douche bij het rumoer van brulapen wordt bij zonsopkomst het ontbijt geserveerd op een keurig gedekte tafel aan de rivier. Alles is gebouwd van natuurlijke materialen door de bewoners van het vijfhonderd meter verderop gelegen dorpje, die behoren tot de inheemse Makuti-stam. Zij runnen de lodge, voeden de gasten en organiseren jungleavonturen. De verdiensten komen ten goede aan het dorp. Dit is gemeenschapstoerisme op z'n best. Met tweehonderdduizend bezoekers per jaar is Guyana het minst bezochte land van Zuid-Amerika - ter vergelijking: buurland Brazilië ontving in 2019 zes miljoen toeristen. Het is na Venezuela ook het armste land van het continent, maar daar heeft de overheid een oplossing voor bedacht: toerisme. Guyana is zeven keer groter dan België, telt nog geen miljoen inwoners, bestaat voor driekwart uit jungle en wil zich nu ontwikkelen tot 's werelds duurzaamste reisbestemming. Daartoe werd de oprichter van de non-gouvernementele organisatie Sustainable Travel International aangetrokken als directeur van de overheidsdienst voor toerisme. Op de vorige internationale reisvakbeurs ITB in Berlijn werd Guyana uitgeroepen tot de beste bestemming voor ecotoerisme. Dat het toerisme nog in de kinderschoenen staat, biedt de kans om het beter te doen - op een manier die misschien zelfs opweegt tegen de klimaatimpact van de intercontinentale vlucht die men onvermijdelijk moet nemen om hier te komen. Bezoekers worden aangemoedigd om beschermde natuurgebieden te respecteren, afstand te houden tot wilde dieren en ze niet te voederen, zuinig te zijn met energie en plastic, en lokale producten en diensten te gebruiken. Natuurbeschermingsorganisatie Conservation International helpt met de verduurzaming van lodges en dorpen. Accommodaties worden bewust kleinschalig gehouden en lodges zoals Rewa draaien volledig op zonne-energie. De verleiding om de kust vol te bouwen met hotels en snel veel toeristen te lokken wordt hier wonderwel weerstaan. Bezoekers zijn schaars en de toeristische infrastructuur is beperkt, maar de verlokkingen zijn legio. Hier op het Guyanaschild, aan de rand van het Amazoneregenwoud, leven 795 soorten vogels, variërend van de hoatzin of stinkvogel, de nationale vogel van het land, via minuscule kolibries en topzware toekans tot de harpij, een arend met een spanwijdte van twee meter. Guyana biedt behalve tropisch regenwoud ook bergen, savanne en 459 kilometer kustlijn. Vijf plekken zijn genomineerd voor de Werelderfgoedlijst, waaronder de koloniale gebouwen van hoofdstad Georgetown, een Nederlands forteiland in de riviermonding van de Essequibo en een schelpenstrand waar vier soorten zeeschildpadden hun eieren leggen. In de verte krijst een moerasbuizerd als een schorre baby, links koert een grijskruinduif, rechts kwettert een reuzenijsvogel, een overvliegende sokoireiger imiteert een kapotte motorzaag en voor de boeg springen glinsterende koemaparoes op uit het water, opgejaagd door pauwoogbaarzen. In surroundgeluid klinkt het helikopterachtige gebrom van grote vliegende insecten. Voor dag en dauw zijn we opgestaan en inmiddels dobberen we in een roeiboot op een hoefijzermeer dat ontstond toen de meanderende rivier de Rewa zichzelf afsneed. Gids Vivian Clifford Smith, die ondanks zijn Britse naam tot de Makuti-stam behoort, vertelt zoetgevooisd wat we zien en horen, maar laat ook lange stiltes vallen. Het regenwoud ontwaakt, op Grass Pond is het zalig sereen. Dit is het domein van de arapaima, de grootste geschubde zoetwatervis ter wereld, die drie meter lang en tweehonderd kilo zwaar kan worden. Het is het symbool van Rewa Eco Lodge en daarom staat een tekening van de reuzenvis achterop Vivians poloshirt. We zien de vissen niet, maar ze zijn er wel. Vivian wijst ons op een zacht borrelend geluid, afkomstig van bruisende luchtbelletjes rond het bootje. "Arapaima's moeten om de paar minuten naar de oppervlakte om lucht te happen", vertelt Vivian. "Dat is de beweging in het water die je daar ziet, en kijk, nu zie je het daar. Ook de waterhyacinten bewegen, want onder de bladeren leggen arapaima's hun eitjes. Het mannetje en vrouwtje lossen elkaar af bij het bewaken van het nest, totdat de duizenden eitjes uitkomen. Dat is nu aan het gebeuren. Deze waterhyacinten zijn de kraamkamer van dit meer." De lodge is volgeboekt; in het propellervliegtuigje pasten behalve de piloot en ikzelf ook vijf babbelzieke Britten en de boomlange en breedgeschouderde Guyaanse natuurgids Leon. Dorpsoudste Rudolph Edwards leidt ons na aankomst rond door het dorp, waar zo'n 320 mensen wonen, verdeeld over vijftien gezinnen. "Wij wonen hier al eeuwen en vonden dat niks bijzonders", vertelt de chief. "Vroeger gingen we slecht om met onze leefomgeving, nu begrijpen we dat die het behouden waard is. Ik ben er trots op onze natuur en cultuur met jullie te delen." Het tweedaagse verblijf vliegt voorbij. Op de laatste avond brengt lodgemanager Dicky Alvin ons per boot naar een idyllisch strandje aan de rivier voor een barbecue bij fakkellicht. Romantische jongens, die Makuti's. Ook in het regenwoud van Kaieteur brullen de rode brulapen bij het ochtendgloren. Ik neem een lauwe douche en wandel in een paar minuten naar een rotspunt boven een vochtige riviervallei, die verwarmd wordt door de opkomende zon, zodat de mist oplost en de waterval zichtbaar wordt. Per seconde stort hier 650.000 liter water 225 meter naar beneden. Dit is de topattractie van het land, minstens zo imposant als de Niagara-, Victoria- en Iguazuwatervallen, maar met één groot verschil: hier zijn geen horden toeristen te bekennen. Het enige nationale park van Guyana trekt zo'n drieduizend bezoekers per jaar. Met vijf Britse toeristen, natuurgids Leon en ranger Fernando heb ik de waterval deze dag voor mezelf alleen. Het gebulder van de waterval is indrukwekkend, maar het regenwoud biedt ook klein grut, zoals de gouden raketkikker. Die meet maar anderhalve centimeter en brengt zijn hele leven door in het waterreservoir van een reuzenbromelia. Zowel de bromeliasoort als het kikkertje zijn endemisch; ze komen alleen hier voor en nergens anders ter wereld. Guyana is een droombestemming voor elke natuurliefhebber en met name voor vogelaars. Dat laatste ben ik niet, maar er staat nog wel een bizarre soort bovenaan op mijn verlanglijstje: de oranje rotshaan met zijn rechtopstaande kuif en vleugelfranjes. Leon weet precies waar we die kunnen vinden. Bestond er een Michelingids voor vogelaars, dan kreeg deze vogel drie sterren: de reis waard. Bij die andere watervallen staan megahotels die uitkijken op het watergeklater. Wij zijn voor de overnachting aangewezen op een vervallen houten gastenverblijf met een open woonkamer en gedeelde slaapkamers met dunne matrasjes. Geen roomservice, geen tv, geen wifi en geen bereik, maar Fernando bereidt een verrukkelijke visstoof, er zijn ijskoude biertjes en op de veranda komen in de zwoele avond de sterke verhalen op tafel. Over de toerist die over de rand van de waterval keek en 225 meter naar beneden viel, de zwemmende vogelaar die zijn tenen verloor aan roodbuikpiranha's, de ranger die een ontmoeting met een anaconda overleefde en een natuurgids die in zijn been gebeten werd door een jaguar. Nee, in het regenwoud van Guyana moet je niet bang aangelegd zijn.