Eind september, het hoogseizoen is voorbij. We hebben er enkele dagen vakantie op zitten in Hyères, een stad die ik leerde kennen door het jaarlijkse modefestival, waar ook Belgisch jong talent wordt ontdekt. Telkens nam ik me voor om later terug te keren en over te steken naar het eiland Porquerolles. Nu is het zover. We hebben de bus genomen naar het puntje van het schiereiland Giens en sluiten aan bij de rij die zich aan de steiger heeft gevormd. Het valt me op dat nogal wat medereizigers grote boodschappentassen torsen met zeeppoeder, spuitwater en wc-papier. Later zal ons duidelijk worden waarom: op het eiland is alles duurder dan op het vasteland, want alles moet immers van 'de overkant' komen, zoals de vaste inwoners het steevast noemen, of zelfs 'Frankrijk', demain on fera le shopping en France.
...

Eind september, het hoogseizoen is voorbij. We hebben er enkele dagen vakantie op zitten in Hyères, een stad die ik leerde kennen door het jaarlijkse modefestival, waar ook Belgisch jong talent wordt ontdekt. Telkens nam ik me voor om later terug te keren en over te steken naar het eiland Porquerolles. Nu is het zover. We hebben de bus genomen naar het puntje van het schiereiland Giens en sluiten aan bij de rij die zich aan de steiger heeft gevormd. Het valt me op dat nogal wat medereizigers grote boodschappentassen torsen met zeeppoeder, spuitwater en wc-papier. Later zal ons duidelijk worden waarom: op het eiland is alles duurder dan op het vasteland, want alles moet immers van 'de overkant' komen, zoals de vaste inwoners het steevast noemen, of zelfs 'Frankrijk', demain on fera le shopping en France. In het haventje van het enige dorp stroomt het veer leeg en wachten wij op een elektrisch busje dat ons naar het hotel zal brengen. De vakantiegangers waaieren uit naar de strandjes, ons wachten drie dagen luxe, in Le Mas du Langoustier, een hotel op het uiterste puntje van het eiland. Luxe, omdat de weg er doodloopt en dus afgeschermd ligt van de grote groepen dagjesmensen. Onderweg langs de zanderige wegen, onder parasoldennen en sinaasappelbomen, kruisen we enkel wandelaars en fietsers die zich in het zweet door het mulle zand zwoegen. In het hotel installeren we ons in strandstoelen in de geurige tuin en bestellen meteen een fles plaatselijke rosé, Domaine de l'Ile, een stevige Côtes-de-Provence. In de brochure van het hotel lees ik dat het eiland in het verleden herhaaldelijk onder de voet werd gelopen door vreemde troepen en enkele malen door brand werd verwoest. Pas in het begin van de 20ste eeuw werden er moestuinen, boomgaarden met citrusvruchten en wijngaarden aangelegd. Aan de basis daarvan ligt een weldoener, een Belg nog wel. Ik raak geïntrigeerd. In de krantenwinkel van het eiland vind ik een boek: L'Homme de Porquerolles. Ik begin te lezen en ben de eerste uren niet meer uit mijn ligstoel te porren. Want het verhaal klinkt onwaarschijnlijk. Maar toch waar. François-Joseph Fournier wordt geboren in Clabecq, aan het Kanaal Charleroi-Brussel. Zijn vader verdient zijn boterham door zware vrachten met een trekschuit te vervoeren, soms tot in Merksem en de Antwerpse haven. In tegenstelling tot zijn vader, die de opkomende spoorwegen ziet als een bedreiging voor zijn job, raakt François er juist door geboeid. Hij vindt als jonge snaak een baan bij de overweg in Lier en trekt vandaar naar Parijs, waar hij aan de slag kan in het atelier van de Franse spoorwegen. Leergierig als hij is, volgt hij 's avonds de lessen aan het Institut des Arts et Métiers. Wanneer er werkkrachten worden gezocht voor de aanleg van de grote Trans Canadian Railway, trekt hij daarheen. François is een man met handen aan zijn lijf, maar ook met technische kennis, hij is een ingenieur zonder diploma. Hij belandt in Mexico, waar hij, louter door zijn inzicht, een goudader kan aanboren op een helling die alle anderen links lieten liggen. François Fournier wordt rijk. Steenrijk. Maar nooit zal hij zijn arbeidersachtergrond vergeten, en zijn droom is om een soort ideale gemeenschap te stichten, met alle voorzieningen voor het werkvolk. Hij doet dat een eerste keer in Mexico, maar het project gaat overkop als er burgeroorlog uitbreekt. De ingeniero is inmiddels twee keer getrouwd, maar zijn vurigste wens, een gezin stichten, lukt niet. In Nice wordt hij gekoppeld aan de (veel) jongere zus van zijn lijfarts, de operazangeres Sylvia Johnston-Lavis. Voor haar koopt hij het eiland Porquerolles als huwelijksgeschenk. Met al zijn ervaring en mensenkennis stelt hij de eilandbewoners te werk en trekt nieuwe arbeiders aan. Hij creëert een coöperatieve, voorziet woningen van stromend water en elektriciteit, zorgt voor onderwijs, legt wijngaarden aan en plant fruitbomen. Intussen wordt ook zijn kinderwens vervuld, het koppel krijgt zes dochters en één zoon. De ambitie van Sylvia is om van het eiland een discreet vakantieoord te maken voor de jetset. Ze leidt de hotels en met een eeuwige sigaar in de mond gaat zij de wijnen van het eiland aanprijzen in de nieuwe Grands Hotels van Nice en Cannes. Vandaag moet er met de wijnen van Porquerolles niet meer geleurd worden; ze zijn zeer gegeerd. Bij de dood van Fournier in 1935 zijn er op het eiland 170 hectare wijn- en boomgaard, gespreid over vier natuurlijke zandvlakten, in de eerste plaats als scherm tegen bosbranden. In 1957 wordt het eiland verdeeld onder de dochters. Drie van hen verkopen hun deel aan de Franse staat, Lélia, getrouwd met Dominique Le Ber, behoudt haar deel en haar wijngaard. In 1971 koopt de Franse staat bijna het gehele eiland terug en moedigt de wijnbouw verder aan. Er zullen drie domeinen ontstaan. La Courtade wordt in 1983 gecreëerd door een plaatselijke architect, Henri Vidal, die een bestaande mas prachtig renoveert. Als hij overlijdt, kunnen de kinderen het domein niet langer onderhouden. Ze verkopen het in 2013 aan de Franse miljardair Eugène Carmignac, die er een centrum voor hedendaagse kunst opstart. Omdat de mas in een geklasseerd landschap ligt dat ongerept moest blijven, wordt een ondergrondse ruimte aangelegd van 2000 vierkante meter. In deze Fondation Carmignac worden wisselende tentoonstellingen gehouden. Carmignac, wijnliefhebber en kunstminnaar, organiseert ook geregeld wedstrijden voor fotojournalistiek. (In 2018 was zijn selectie te zien op AntwerpPhoto in het Loodswezen.) 'Het eiland van de drie rosés' is daarmee in het vizier gekomen van enkele financiers. Het Domaine de L'Ile, beheerd door de kleinzoon van François Fournier, Sébastien Le Ber, komt in 2019 in handen van het modehuis Chanel, dat al twee andere wijndomeinen bezit in de Bordeauxstreek. Het Domaine Perzinsky, de derde en kleinste wijngaard, is eigendom van een adellijke familie die Rusland ontvluchtte na de revolutie in 1917. Voor Cyrille en Alexis die het leiden, wordt het onderhoud na dertig jaar te zwaar. 'Est-ce que ça vous intéresse de reprendre notre domaine?' vragen ze aan Nicolas Audebert, de keldermeester van Chanel. Die zegt niet nee, en zo worden drie domeinen twee. Audebert ziet er een grote toekomst in: 'Als alles hier opnieuw aangeplant en geherstructureerd is, worden dat over enkele jaren 200.000 flessen die de wereld ingestuurd kunnen worden.' In België moeten we daar niet op wachten. De zonnige en witte roséwijnen van Chanel/Domaine de l'Ile worden in ons land verdeeld (vascogroup.com). 'De jaargang 2020 die nu kan gedronken worden, getuigt van het harde werk dat er op het domein is geleverd', laat Chanel weten. 'Het zijn elegante wijnen uit een ongerepte omgeving.' En terwijl wij ons een koel glas Domaine de l'Ile laten welgevallen, proberen we ons in te beelden hoe het was toen Fournier hier met zijn bruid voet aan wal zette. Vandaag komen van op de jachten de eigenaars met een rubberbootje naar de stranden om hun hond uit te laten, de veerboot maakt overuren, en op de landingsplek van Le Mas du Langoustier zet een helikopter met zwart gezonnebrilde gasten zich neer voor de lunch. De tijd heeft hier niet stilgestaan.