Fort van Bouillon

Dit fort in het gelijknamge stadje is genoemd naar Godfried van Bouillon, de hertog die zich in 1096 aansloot bij de eerste kruistocht naar Jeruzalem. Hij is niet degene die het fort liet bouwen, maar hij vertoefde er wel. De geschiedenis van het fort gaat nog verder terug in de tijd: naar de vroege Middeleeuwen. Het is de oudste feodale burcht in België. In de loop van de tijd groeide het fort uit tot een 300 meter lang versterkt bouwwerk dat op een rotskam boven de Semois uittorent.

Onder Lodewijk XIV, de Franse koning die het fort in 1676 veroverde, en later onder koning Willem I der Nederlanden (1815 tot 1830) onderging het complex een metamorfose. Zo kwam er een extra opwalling, werden er negen bastions toegevoegd en moest de middeleeuwse donjon plaatsmaken voor barakken voor soldaten.

Sinds halverwege de negentiende eeuw kreeg het fort een toeristische bestemming. Tegenwoordig behoort Fort Bouillon tot de populairste bezienswaardigheden in de Ardennen.

Tijdens een fakkeltocht kan je het oudste deel van het fort verkennen: het ondergrondse tunnelstelsel uit de elfde eeuw. Daar is ook in een kleine kelder een van de oudste geheimen van de vesting verstopt: L'Oeillet du Château, de anjer van het kasteel. Dat is een buitengewone geitenkaas die in de vochtige kelders van het kasteel de perfecte omstandigheden vindt om te rijpen tot een kwaliteitskaas. Het recept van deze kaas stamt uit de Middeleeuwen.

Abdij van Maredsous

Abdij van Maredsous, Belga
Abdij van Maredsous © Belga

Deze abdij behoort tot de jongste en tegelijk mooiste in België. De abdij werd in 1872 door benedictijnermonniken gesticht. Dankzij de ligging in de vallei van de Molignée en de fraaie neogotische stijl, is de abdij een van de mooiste kloostercomplexen in België. De bosachtige heuvels en de spitse kloostertorens vormen samen een harmonieus geheel. Rondom de abdij zijn zes wandelroutes uitgestippeld die een prachtig zicht op de abdij bieden. Ze variëren in lengte van 4,5 tot 12 kilometer.

Anders dan in bijvoorbeeld de abdij van Stavelot wonen er nog monniken in Maredsous. Ze leven op het ritme van het gebed, werk en gastvrijheid. Je kan er samen met een gids zowel het privédomein van de adbij zelf als het kerkhof, de tuin, de bibliotheek en de keramiekateliers bekijken.

De kaasfabriek is niet toegankelijk om zo het ambachtelijke rijpingsproces van de kaas waar de abdij bekend om staat te verstoren. Maar een bezoek aan het 'Kleine museum van de kaas' maakt dat goed. Daar kan je zien hoe monniken melk omtoveren in lekkere kaas. Je mag er zelf ook van proeven in het bezoekerscentrum. Daar kan je ook andere plaatselijke lekkernijen, religieuze boeken, keramiek en andere geschenken kopen. In het gastenverblijf kan je één of meerdere dagen overnachten om in retraite te gaan, tot rust te komen of te studeren.

Gasthuis Onze-Lieve-Vrouwe-met-de-Roos

Gasthuis Onze-Lieve-Vrouwe-met-de-Roos, Getty Images
Gasthuis Onze-Lieve-Vrouwe-met-de-Roos © Getty Images

Lessen (Lessines) ken je misschien als geboortestad van de surrealistische schilder René Magritte of om de steengroeven die hier al 150 jaar het landschap bepalen. Maar er is een derde reden om het stadje in Henegouwen te bezoeken en dat is het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouwe-met-de-Roos, een van de oudste ziekenhuizen in Europa.

De Franse prinses Allix de Rosoit stichtte het hospitaal in 1242 samen een kloostergemeenschap om bedelende zieken en armen van de straat te halen. Het gebouw is een fraaie harmonie van renaissance en laatgothiek en bleef tot 1980 de functie als ziekenhuis vervullen.

Daarna onderging het gebouw een grondige renovatie om de huidige functie als museum mogelijk te maken. Je ontdekt in het museum hoe de hulpverlening er in een middeleeuws ziekenhuis aan toeging en kan de mooie glas-in-lood-ramen, open arcaden, binnentuinen en een barokke kapel bewonderen. Decoratieve porfierstenen die uit de plaatselijke steengroeve komen, sieren de gevel.

In het ziekenhis lijkt de tijd stil te staan. Achter de gordijnen staan nog altijd de bedden voor patiënten. Deze gordijnen hielden de warmte binnen en waren, net als de dekens, roodgekleurd om eventuele bloedsporen te camoufleren. In de ziekenhuisapotheek staan nog de houten kasten uit de achttiende en negentiende eeuw met goedbewaarde potten, stampers en flacons.

Het ziekenhuis werd al gesticht voordat de scheikunde zijn spectaculaire vooruitgang boekte en gebruikte daarom geneeskrachtige planten en kruiden. In de kruidentuin ontdek je dat de signatuurleer daar een opmerkelijke rol in speelde. Deze leer werd in de zestiende eeuw ontwikkeld door de Zwitserse geneesheer Paracelsus. Volgens hem bestaat er een analogie tussen het menselijk lichaam en de helende werking van planten op basis van hun vorm of kleur. Uit de donkerrode pimpernel leidde Paracelsus bijvoorbeeld af dat het wel eens een prima middeltje tegen bloedstollingen zou kunnen zijn. Veel deducties uit de signatuurleer zijn tegenwoordig wetenschappelijk gevalideerd.

De zusters deden veel meer dan alleen het verzorgen van zieken. In de bibliotheek liggen meer dan tweeduizend oude boeken, waaronder banden van Plantijn en Moretus. De zusters waren ook verwoede verzamelaars. De duizenden kunstwerken illusteren het religieuze leven in de congregatie. Tegenwoordig kan je de beeldhouwwerken, een schat aan religieus smeedwerk, credenskasten, kofferbanken en merkwaardige schilderijen waaronder Christus met borsten bewonderen.

Belfort in Thuin

Thuin, Getty Images
Thuin © Getty Images

In de Middeleeuwen verrezen overal in België belforten. Je ziet ze tegenwoordig nog in steden als Doornik, Binche, Bergen en Thuin en ze staan gezamenlijk op de Unesco lijst van werelderfgoederen. We lichten het belfort van Thuin eruit.

Thuin is een oud vestingstadje in Henegouwen dat behalve om het belfort ook bekend is van de hangende tuinen. Het belfort was aanvankelijk de klokketoren van een romaanse kerk maar werd in 1811 een belfort. Het haantje op de toren verraadt nog haar oorsprong. Opgravingen legden nog meer religieuze sporen bloot: rondom het belfort lag ooit een Karolingische en gotische kerk.

Bovenin de toren kan je het ingenieuze mechanisme van het uurwerk, de beiaard en de twee enorme 18e-eeuwse klokken met de namen Paula en Maria bekijken. Deze klokken wegen samen een paar duizend kilogram. De kers op de taart is het prachtige uitzicht vanaf de zestig meter hoge toren. Je kijkt uit over de valleien van de Samber en Biesmelle en de hangende tuinen. Die tuinen maakten tijdens de Middeleeuwen deel uit van de vestingwerken rond de stad. Nu vormen de op het zuiden gerichte terrassen een gezellig doolhof van steegjes, kunstwerken en wijngaarden.

Abdij van Villers

GF
© GF

In 1792 liep, in nasleep van de Franse Revolutie, het Franse leger de Oostenrijkse Nederlanden onder de voet. Met de verovering van de provincie Luik en Luxemburg in 1795 werd heel België Frans grondgebied. Deze revolutionaire doortocht heeft diepe sporen achtergelaten die tot op de dag van vandaag te zien zijn. Een van de getuigen is de abdijruïne van Villers.

De geschiedenis van deze gotische abdij bestrijkt 850 jaar en werd in 1146 door een groepje monniken gesticht. De monniken leefden er een een rustig en vreedzaam leven, bewerkten de akkers en vulden de bibliotheek met boeken. Aan dit vredige bestaan kwam tijdens de godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw een ruw einde. De monniken moesten zelfs vluchten voor plunderende Spanjaarden.

Maar de cisterciënzer monniken lieten zich niet uit het lood slaan en keerden terug naar de abdij. Daar brak in de achttiende eeuw voor het laatst een gouden eeuw aan. De abdij werd uitgebreid met een tuin en abtenpaleis met neoclassicistische trekjes.

Opnieuw werd het rustige leven gestopt en wel in 1796. Frankrijk viel de zuidelijke Nederlanden binnen en de kloosterlingen werden uit hun abdij verjaagd. Hun abdij viel in handen van een handelaar in bouwmaterialen die de abdij steen voor steen sloopte.

Zo werd de abdij van Villers de mooiste ruïne van ons land. Al in 1830 kwamen de eerste romantici waaronder de Franse schrijver Victor Hugo ernaartoe. Snel werd het toeristische potentieel duidelijk. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het koor van de abdijkerk gedeeltelijk opgeknapt. De rest van de ruïne bleef onaangeroerd waardoor je je net als Victor Hugo kan overgeven aan het indrukwekkende ensemble van gotische en romaanse gewelven.

Je kan de kerk, de abdijrefter en sinds kort ook de gevangeniscellen, monumentale trap van Montaigu en de kelders onder het paleis bezichtigen. In de tuin staan oude rozenstruiken en geneeskrachtige planten.

Kasteel van Freÿr

Kasteel van Freÿr, Getty Images
Kasteel van Freÿr © Getty Images

Op de oevers van de Maas vind je een klein stukje Versailles. Het kasteel van Freÿr is samen met kasteel Amay een goed voorbeeld van de Maaslandse renaissancestijl die vanaf de zestiende eeuw het prinsbisdom Luik overspoelde.

Wanneer je het onthaal van het kasteel Freÿr binnenstapt, waan je je even in een Italiaans palazzo door de fresco's en de geschilderde jachttaferelen van Frans Snijders. Maar je staaat toch echt aan de oevers van de Maas in de oudste vleugel van het kasteel.

De adellijke familie de Beaufort-Spontin waagde zich aan het einde van de zestiende eeuw als eerste aan de Maaslandse renaissancestijl voor hun nieuwe optrekje. Aan het einde van de zeventiende eeuw breidden ze hun bouwwerk uit met drie nieuwe vleugels waarmee het zijn bijnaam 'Het Versailles aan de Maas' verdiende.

Koning Lodewijk XIV voelde zich er dan ook meteen thuis toen hij in de zomer van 1675 in het kasteel neerstreek. Het werd zijn hoofdkwartier tijdens de belegering van Dinant. Vanuit zijn slaapkamer kijk je uit over de Maas en de royale renaissancetuinen. Langs de oevers liggen acht kleine doolhoven waar de dames een kat-en-muis-spel konden spelen met heren die hen het hof probeerden te maken.

Deze tuinen prikkelen al je zintuigen: je hoort het geklater van de fonteinen, je ruikt de 350 jaar oude sinaasappelbomen en je ziet orangerieën, waterparkjes en tot kandelaars gesnoeide lindebomen.

Kasteel van Vêves

Vêves, Getty Images
Vêves © Getty Images

In Houyet in de provincie Namen kan je op zoek naar de Heilige Graal. De kantelen zijn verdwenen, puntdaken toegevoegd en schietgaten vergroot tot vensters, maar in essentie behield het kasteel van Vêves zijn middeleeuwse uiterlijk.

Al sinds de twaalfde eeuw is het kasteel eigendom van dezelfde familie: de Beauforts. Momenteel woont graaf Hadelin de Liedekerke Beaufort in het kasteel, maar hij gooit zijn deuren ook geregeld open voor bezoekers.

Het kasteel past perfect in een sprookjesboek en staat dan ook bekend als een van de mooiste middeleeuwse kastelen in het land. Ook voor kinderen valt er van alles te beleven: ze kunnen zich verkleden als ridder of prins en in vol ornaat op zoek gaan naar de schat: de Heilige Graal.

Dit fort in het gelijknamge stadje is genoemd naar Godfried van Bouillon, de hertog die zich in 1096 aansloot bij de eerste kruistocht naar Jeruzalem. Hij is niet degene die het fort liet bouwen, maar hij vertoefde er wel. De geschiedenis van het fort gaat nog verder terug in de tijd: naar de vroege Middeleeuwen. Het is de oudste feodale burcht in België. In de loop van de tijd groeide het fort uit tot een 300 meter lang versterkt bouwwerk dat op een rotskam boven de Semois uittorent. Onder Lodewijk XIV, de Franse koning die het fort in 1676 veroverde, en later onder koning Willem I der Nederlanden (1815 tot 1830) onderging het complex een metamorfose. Zo kwam er een extra opwalling, werden er negen bastions toegevoegd en moest de middeleeuwse donjon plaatsmaken voor barakken voor soldaten.Sinds halverwege de negentiende eeuw kreeg het fort een toeristische bestemming. Tegenwoordig behoort Fort Bouillon tot de populairste bezienswaardigheden in de Ardennen. Tijdens een fakkeltocht kan je het oudste deel van het fort verkennen: het ondergrondse tunnelstelsel uit de elfde eeuw. Daar is ook in een kleine kelder een van de oudste geheimen van de vesting verstopt: L'Oeillet du Château, de anjer van het kasteel. Dat is een buitengewone geitenkaas die in de vochtige kelders van het kasteel de perfecte omstandigheden vindt om te rijpen tot een kwaliteitskaas. Het recept van deze kaas stamt uit de Middeleeuwen. Deze abdij behoort tot de jongste en tegelijk mooiste in België. De abdij werd in 1872 door benedictijnermonniken gesticht. Dankzij de ligging in de vallei van de Molignée en de fraaie neogotische stijl, is de abdij een van de mooiste kloostercomplexen in België. De bosachtige heuvels en de spitse kloostertorens vormen samen een harmonieus geheel. Rondom de abdij zijn zes wandelroutes uitgestippeld die een prachtig zicht op de abdij bieden. Ze variëren in lengte van 4,5 tot 12 kilometer. Anders dan in bijvoorbeeld de abdij van Stavelot wonen er nog monniken in Maredsous. Ze leven op het ritme van het gebed, werk en gastvrijheid. Je kan er samen met een gids zowel het privédomein van de adbij zelf als het kerkhof, de tuin, de bibliotheek en de keramiekateliers bekijken. De kaasfabriek is niet toegankelijk om zo het ambachtelijke rijpingsproces van de kaas waar de abdij bekend om staat te verstoren. Maar een bezoek aan het 'Kleine museum van de kaas' maakt dat goed. Daar kan je zien hoe monniken melk omtoveren in lekkere kaas. Je mag er zelf ook van proeven in het bezoekerscentrum. Daar kan je ook andere plaatselijke lekkernijen, religieuze boeken, keramiek en andere geschenken kopen. In het gastenverblijf kan je één of meerdere dagen overnachten om in retraite te gaan, tot rust te komen of te studeren.Lessen (Lessines) ken je misschien als geboortestad van de surrealistische schilder René Magritte of om de steengroeven die hier al 150 jaar het landschap bepalen. Maar er is een derde reden om het stadje in Henegouwen te bezoeken en dat is het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouwe-met-de-Roos, een van de oudste ziekenhuizen in Europa. De Franse prinses Allix de Rosoit stichtte het hospitaal in 1242 samen een kloostergemeenschap om bedelende zieken en armen van de straat te halen. Het gebouw is een fraaie harmonie van renaissance en laatgothiek en bleef tot 1980 de functie als ziekenhuis vervullen.Daarna onderging het gebouw een grondige renovatie om de huidige functie als museum mogelijk te maken. Je ontdekt in het museum hoe de hulpverlening er in een middeleeuws ziekenhuis aan toeging en kan de mooie glas-in-lood-ramen, open arcaden, binnentuinen en een barokke kapel bewonderen. Decoratieve porfierstenen die uit de plaatselijke steengroeve komen, sieren de gevel. In het ziekenhis lijkt de tijd stil te staan. Achter de gordijnen staan nog altijd de bedden voor patiënten. Deze gordijnen hielden de warmte binnen en waren, net als de dekens, roodgekleurd om eventuele bloedsporen te camoufleren. In de ziekenhuisapotheek staan nog de houten kasten uit de achttiende en negentiende eeuw met goedbewaarde potten, stampers en flacons. Het ziekenhuis werd al gesticht voordat de scheikunde zijn spectaculaire vooruitgang boekte en gebruikte daarom geneeskrachtige planten en kruiden. In de kruidentuin ontdek je dat de signatuurleer daar een opmerkelijke rol in speelde. Deze leer werd in de zestiende eeuw ontwikkeld door de Zwitserse geneesheer Paracelsus. Volgens hem bestaat er een analogie tussen het menselijk lichaam en de helende werking van planten op basis van hun vorm of kleur. Uit de donkerrode pimpernel leidde Paracelsus bijvoorbeeld af dat het wel eens een prima middeltje tegen bloedstollingen zou kunnen zijn. Veel deducties uit de signatuurleer zijn tegenwoordig wetenschappelijk gevalideerd. De zusters deden veel meer dan alleen het verzorgen van zieken. In de bibliotheek liggen meer dan tweeduizend oude boeken, waaronder banden van Plantijn en Moretus. De zusters waren ook verwoede verzamelaars. De duizenden kunstwerken illusteren het religieuze leven in de congregatie. Tegenwoordig kan je de beeldhouwwerken, een schat aan religieus smeedwerk, credenskasten, kofferbanken en merkwaardige schilderijen waaronder Christus met borsten bewonderen. In de Middeleeuwen verrezen overal in België belforten. Je ziet ze tegenwoordig nog in steden als Doornik, Binche, Bergen en Thuin en ze staan gezamenlijk op de Unesco lijst van werelderfgoederen. We lichten het belfort van Thuin eruit. Thuin is een oud vestingstadje in Henegouwen dat behalve om het belfort ook bekend is van de hangende tuinen. Het belfort was aanvankelijk de klokketoren van een romaanse kerk maar werd in 1811 een belfort. Het haantje op de toren verraadt nog haar oorsprong. Opgravingen legden nog meer religieuze sporen bloot: rondom het belfort lag ooit een Karolingische en gotische kerk. Bovenin de toren kan je het ingenieuze mechanisme van het uurwerk, de beiaard en de twee enorme 18e-eeuwse klokken met de namen Paula en Maria bekijken. Deze klokken wegen samen een paar duizend kilogram. De kers op de taart is het prachtige uitzicht vanaf de zestig meter hoge toren. Je kijkt uit over de valleien van de Samber en Biesmelle en de hangende tuinen. Die tuinen maakten tijdens de Middeleeuwen deel uit van de vestingwerken rond de stad. Nu vormen de op het zuiden gerichte terrassen een gezellig doolhof van steegjes, kunstwerken en wijngaarden.In 1792 liep, in nasleep van de Franse Revolutie, het Franse leger de Oostenrijkse Nederlanden onder de voet. Met de verovering van de provincie Luik en Luxemburg in 1795 werd heel België Frans grondgebied. Deze revolutionaire doortocht heeft diepe sporen achtergelaten die tot op de dag van vandaag te zien zijn. Een van de getuigen is de abdijruïne van Villers.De geschiedenis van deze gotische abdij bestrijkt 850 jaar en werd in 1146 door een groepje monniken gesticht. De monniken leefden er een een rustig en vreedzaam leven, bewerkten de akkers en vulden de bibliotheek met boeken. Aan dit vredige bestaan kwam tijdens de godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw een ruw einde. De monniken moesten zelfs vluchten voor plunderende Spanjaarden.Maar de cisterciënzer monniken lieten zich niet uit het lood slaan en keerden terug naar de abdij. Daar brak in de achttiende eeuw voor het laatst een gouden eeuw aan. De abdij werd uitgebreid met een tuin en abtenpaleis met neoclassicistische trekjes. Opnieuw werd het rustige leven gestopt en wel in 1796. Frankrijk viel de zuidelijke Nederlanden binnen en de kloosterlingen werden uit hun abdij verjaagd. Hun abdij viel in handen van een handelaar in bouwmaterialen die de abdij steen voor steen sloopte.Zo werd de abdij van Villers de mooiste ruïne van ons land. Al in 1830 kwamen de eerste romantici waaronder de Franse schrijver Victor Hugo ernaartoe. Snel werd het toeristische potentieel duidelijk. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het koor van de abdijkerk gedeeltelijk opgeknapt. De rest van de ruïne bleef onaangeroerd waardoor je je net als Victor Hugo kan overgeven aan het indrukwekkende ensemble van gotische en romaanse gewelven.Je kan de kerk, de abdijrefter en sinds kort ook de gevangeniscellen, monumentale trap van Montaigu en de kelders onder het paleis bezichtigen. In de tuin staan oude rozenstruiken en geneeskrachtige planten. Op de oevers van de Maas vind je een klein stukje Versailles. Het kasteel van Freÿr is samen met kasteel Amay een goed voorbeeld van de Maaslandse renaissancestijl die vanaf de zestiende eeuw het prinsbisdom Luik overspoelde.Wanneer je het onthaal van het kasteel Freÿr binnenstapt, waan je je even in een Italiaans palazzo door de fresco's en de geschilderde jachttaferelen van Frans Snijders. Maar je staaat toch echt aan de oevers van de Maas in de oudste vleugel van het kasteel. De adellijke familie de Beaufort-Spontin waagde zich aan het einde van de zestiende eeuw als eerste aan de Maaslandse renaissancestijl voor hun nieuwe optrekje. Aan het einde van de zeventiende eeuw breidden ze hun bouwwerk uit met drie nieuwe vleugels waarmee het zijn bijnaam 'Het Versailles aan de Maas' verdiende.Koning Lodewijk XIV voelde zich er dan ook meteen thuis toen hij in de zomer van 1675 in het kasteel neerstreek. Het werd zijn hoofdkwartier tijdens de belegering van Dinant. Vanuit zijn slaapkamer kijk je uit over de Maas en de royale renaissancetuinen. Langs de oevers liggen acht kleine doolhoven waar de dames een kat-en-muis-spel konden spelen met heren die hen het hof probeerden te maken.Deze tuinen prikkelen al je zintuigen: je hoort het geklater van de fonteinen, je ruikt de 350 jaar oude sinaasappelbomen en je ziet orangerieën, waterparkjes en tot kandelaars gesnoeide lindebomen. In Houyet in de provincie Namen kan je op zoek naar de Heilige Graal. De kantelen zijn verdwenen, puntdaken toegevoegd en schietgaten vergroot tot vensters, maar in essentie behield het kasteel van Vêves zijn middeleeuwse uiterlijk. Al sinds de twaalfde eeuw is het kasteel eigendom van dezelfde familie: de Beauforts. Momenteel woont graaf Hadelin de Liedekerke Beaufort in het kasteel, maar hij gooit zijn deuren ook geregeld open voor bezoekers.Het kasteel past perfect in een sprookjesboek en staat dan ook bekend als een van de mooiste middeleeuwse kastelen in het land. Ook voor kinderen valt er van alles te beleven: ze kunnen zich verkleden als ridder of prins en in vol ornaat op zoek gaan naar de schat: de Heilige Graal.