Zondag, vroeg in de ochtend. De familie Boes stelt het begin van de dag nog even uit en nestelt zich in de zetel om naar een televisiescherm te staren. Nonchalant houd ik mijn smartphone vast. Mijn brein is altijd online. Het is niet goed altijd online te zijn, las ik onlangs in Zo haal je meer uit je brein van professor Theo Compernolle. Het is nefast voor je productiviteit en je creativiteit. Tegen beter weten in open ik mijn Facebookapp en scrol ik verveeld door mijn nieuwsfeed . En dan zie ik het. 'Jef,' zeg ik, 'wil je met mij naar een onbewoond eiland?' Ik toon hem de post die me eventjes uit mijn breinloze cocon haalt: 'Altijd al gedroomd om te verblijven op een onbewoond eiland? Kom naar Zweden en verblijf in deze charmante blokhut. Overnacht op een eiland waar je helemaal alleen bent, weg van alle prikkels.'
...

Zondag, vroeg in de ochtend. De familie Boes stelt het begin van de dag nog even uit en nestelt zich in de zetel om naar een televisiescherm te staren. Nonchalant houd ik mijn smartphone vast. Mijn brein is altijd online. Het is niet goed altijd online te zijn, las ik onlangs in Zo haal je meer uit je brein van professor Theo Compernolle. Het is nefast voor je productiviteit en je creativiteit. Tegen beter weten in open ik mijn Facebookapp en scrol ik verveeld door mijn nieuwsfeed . En dan zie ik het. 'Jef,' zeg ik, 'wil je met mij naar een onbewoond eiland?' Ik toon hem de post die me eventjes uit mijn breinloze cocon haalt: 'Altijd al gedroomd om te verblijven op een onbewoond eiland? Kom naar Zweden en verblijf in deze charmante blokhut. Overnacht op een eiland waar je helemaal alleen bent, weg van alle prikkels.' 'Kom', zeg ik. 'We doen dat.' 'Ja!' Een enthousiaste kreet weerklinkt links van me. Jef zag net een vallende ster. 'Waar, waar, waar?!' Snel leg ik mijn boek weg. Mijn blik volgt zijn wijzende vinger. Te laat. Ik zal mijn eigen vallende ster moeten zoeken. 'Ik ga niet slapen vooraleer ik een vallende ster zie', mompel ik koppig. Ik laat me achterovervallen in mijn ligstoel en staar naar de sterrenhemel. Het is halfelf 's avonds, maar helemaal duister is het hier nog niet. We liggen aan het kampvuur naast een falurood vissershuisje dat al een eeuw standhoudt op een piepklein onbewoond Zweeds eiland. Falurood, de kleur van zowat alle huizen hier. Het 'Zweedse rood' komt van de typische kleur in de kopermijnen bij de Zweedse stad Falun. Twee dagen lang kunnen we dit magische huisje het onze noemen. We wanen ons alleen op de wereld, omgeven door een oorverdovende stilte. Stilte. Voor ons spreekt het tot de verbeelding. Want wanneer is het écht stil bij ons? Vergeleken met Zweden kunnen we Vlaanderen gerust één grote stad noemen. Mooie natuur- gebieden hebben we bij de vleet, maar rust vind je er niet altijd. Het sprookjesachtige Hallerbos met de blauwe boshyacinten bijvoorbeeld. Op een website kun je de bloeiperiode van de prachtige bloemen op de voet volgen. Zodra ze in bloei staan, wordt het bos onder de voet gelopen door duizenden bezoekers. Nee, voor de stilte hoef je er niet heen te gaan. Stilte en rust vind je hier wél. Twee dagen lang verstoppen we onze smartphone en doen we niets anders dan zwemmen in het eindeloze meer, kanovaren bij zonsondergang, marshmallows roosteren boven het kampvuur en bessen zoeken. Tussen de dichtbegroeide struiken en bomen op een kleine heuvel staat een bank. We zitten en we kijken. We luisteren naar het kabbelende water. We praten en zwijgen. 's Avonds maken we heerlijke maaltijden met de recepten en ingrediënten die we meekregen. Het verblijf op het eiland werkt bijna therapeutisch: we leren er wonderwel samen koken, zonder te kibbelen. 's Nachts liggen we wakker van de stilte. Af en toe speel ik vals en zet ik mijn gsm aan. Maar alleen om te checken of het thuisfront gebeld heeft. We hebben onze twee kinderen aan de goede zorgen van hun grootouders toe- vertrouwd, en dat knaagt af en toe aan mijn kwetsbare moederhart. Maar - eerlijk? - niet zo vaak. Want wat doet die rust deugd. Het rode huisje op het onbewoonde eiland is helaas niet echt van ons. Het Limburgse koppel Jeroen en Sam tikte het een tijdje geleden op de kop. Ze moesten wel wat moeite doen om het ook echt te bemachtigen: de verkoper hield eerst een gespreksronde met kandidaat-kopers. Jeroen en Sam besloten het te verhuren aan rust- zoekers zoals wij. Het past binnen het concept dat ze bedachten met hun Stil- leben. In mei 2017 openden ze een hotel met die naam in het 'berendorp' Åmot.Stilleben is onze 'uitvalsbasis' voor de excursies die Jeroen en Sam aanbieden. Twee nachten in een vissershuis op een onbewoond eiland. Een mooie wandeling langs een zogenaamd berenpad in de bossen, een heuse wellness-sessie in een drijvende sauna... En een verblijf in een berenhut. Voor dat laatste moeten we bij Sara zijn. Sara is natuurfotograaf. Ze verwelkomt ons enthousiast in een ontvangstruimte, ingericht met haar indrukwekkende natuurbeelden, waaronder prachtige foto's van beren. Ik spot ook een portret van een ijsbeer in Spitsbergen. Dat het een droom van me is daar ooit naartoe te gaan, vertel ik haar. Pretlichtjes in haar ogen flakkeren op. 'Ik heb er een tijdje gewoond', vertelt ze ons. 'Maar ik miste er iets. Ik kon er maar niet de vinger op leggen wat precies. Totdat ik thuiskwam, in de gietende regen. Als een gek dropte ik mijn bagage binnen, trok mijn laarzen aan en vluchtte meteen naar buiten om de geur van de bossen op te snuiven. Daar,' wijst ze naar de achterkant van haar huis, 'ligt 50, 60 vierkante kilo- meter bos. Het is er fantastisch. Ik kan niet zonder.' Daar, in die bossen, ligt ook haar berenhut. En daar slapen we vannacht. 'Sssst!' fluister ik nijdig als Jef voor de zoveelste keer zijn been stoot. 'Je jaagt ze weg!' Een golf van onzekerheid overspoelt me. 'Wat als... ze niet komen? Wat als we niet stil genoeg zijn?' Het baart me oprecht zorgen. Halfacht is het, amper drie uur zitten we in de hut. Nog een etmaal te gaan, waarvan het amper drie uur pikdonker zou zijn. Nog negen uur kijkplezier, dus. Ongeduldig tuur ik door de kijkgaten. Op kousenvoeten trippel ik van het ene kijkgat naar het andere. Ik hoor de vogels fluiten en de wind héél zachtjes door de bomen ruisen. Maar verder is het stil. Muisstil. Berenstil. En ik wacht. Jef wacht. We wachten de hele zomeravond lang. Seconden duren een eeuwigheid. Minuten tikken tergend langzaam voorbij en worden uren. Een overdosis Zweedse natuur die je geduld flink op de proef kan stellen, krijgen we hier voorgeschoteld. Als er iets is wat we de voorbije dagen geleerd hebben, dan is het dat wel. We turen naar de natuur, en het duurt uren vooraleer we iets spotten. We beseffen te laat dat we alles kunnen spotten: vogels, de ondergaande zon, een stinkdier. Als we maar geduld hebben. We zijn het zo gewend om alles zomaar in de schoot geworpen te krijgen. Als we iets willen zien, googelen we snel waar en wanneer we het exact kunnen vinden, toch? Tijd om te zoeken hebben we niet. Wachten willen we niet. Maar in deze hut kunnen we niet anders. Wachten. Tot de natuur ons zelf verrast. Het is best con- fronterend, zo'n hele nacht wachten. De confrontatie met een overweldigende natuur doet ons heel even afkicken van de overdosis dagelijkse prikkels in een maatschappij die ons dwingt voortdurend bereikbaar te zijn. Hier zijn we helemaal niet bereikbaar. De noodtelefoon die bij de hut hoort, kan alleen berichtjes sturen en ontvangen. Er zit maar één nummer in opgeslagen: dat van Sara. Onze smartphones liggen in onze huurwagen, die een tiental kilometer verderop geparkeerd staat. Jef en ik, we zijn hier helemaal alleen, opgesloten in een piepklein uitkijkhutje in het midden van het gigantische bos. Sara heeft ons op het hart gedrukt dat we het hutje alleen in noodgevallen mogen verlaten. Ik heb wel een boek mee, maar durf niet te lezen. Wat als ik nét verdiept zit in mijn Zweedse thriller als onze bruine beer voorbij komt snuffelen? We hebben niets te doen, maar toch kan ik aan niets anders denken dan aan de beer. Wanneer. Komt. Die. Beer. Met de noodtelefoon van Sara begin ik een sms te tikken. Het duurt een uur vooraleer ik hem durf te verzenden. 'Maybe the bears don't come out in the rain?' Sara stuurt onmiddellijk dat beren regen echt niet erg vinden. Geduld. 'Jef. Die schaduw. Dat is geen steen.' Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel. Kriebels in mijn buik. Jef reageert niet. 'Serieus. Die schaduw. Wordt groter.' Jef komt naast me staan. 'Ja!' Als een bezetene begint hij te friemelen aan zijn camera. Eindelijk is hij er. Extatisch zijn we, maar we durven amper te bewegen of te praten. Doodsbang, dat zijn we ook. Doodsbang om hem weg te jagen. Nadat we uren op hem gewacht hebben, willen we hem uren kunnen bekijken. Hij ziet er groter uit dan ik me had voorgesteld. Zo gevaarlijk groot. En net dat tikkeltje minder schattig in het wild dan op foto of in een dierentuin. Op zijn dooie gemak snuffelt hij aan de struiken, zich helemaal niet bewust van de twee muisstille maar overdreven enthousiaste mensen die zich speciaal voor hem urenlang in een piepklein hutje hebben laten opsluiten. Geduld wordt beloond, hier in de stille Zweedse natuur.