Ik kom uit de Kempen. Dat betekent hetzelfde als opgegroeid zijn tussen de koersfietsen. Zolang ik me kan herinneren, zijn mijn beide ouders aangesloten bij een wielerploeg. Begrippen als 'demarreren' en 'vals plat' associeer ik dus vooral met als kind alleen thuiszitten. Mijn vader, een sportjournalist, ging elk jaar de Tour de France verslaan. Dat betekende telkens drie weken legendarische verhalen voor hem en drie weken verveling voor mij.
...

Ik kom uit de Kempen. Dat betekent hetzelfde als opgegroeid zijn tussen de koersfietsen. Zolang ik me kan herinneren, zijn mijn beide ouders aangesloten bij een wielerploeg. Begrippen als 'demarreren' en 'vals plat' associeer ik dus vooral met als kind alleen thuiszitten. Mijn vader, een sportjournalist, ging elk jaar de Tour de France verslaan. Dat betekende telkens drie weken legendarische verhalen voor hem en drie weken verveling voor mij. Na de Tour gingen we met andere gezinnen naar Frankrijk of Italië. Onze ouders reden de bergen in, wij kinderen bleven met een babysit achter aan het zwembad. Als enige puber van het gezelschap werd ik ook weleens ingezet om met de chronometer te meten hoe snel iedereen de Mont Ventoux op klom. Leuk. De rest van de zomer fietste het peloton ons tegemoet vanuit de tv. Maar hoezeer mijn ouders ook juichten om al die beaderde kuiten, toeters, bellen, gele en rodebolletjestruien, het hele circus van helikopters, legendarische wielerhelden (al dan niet vol doping), kusjes van modellen en champagnedouches, het interesseerde me geen zier. Ik zag vooral extatische commentatoren met onvervulde jongensdromen en zogenaamde helden die geen AN konden praten. Maar dan kwam de lockdown.Een paar vrienden vormden een fietsploegje en meedoen werd plots een goed excuus om hen te kunnen blijven zien. Bovendien kreeg ik een Eddy Merckx-fiets in de schoot geworpen. Écht een goed merk, zo werd mij gezegd. De plusdochter van mijn plusvader deed hem weg en ik mocht hem hebben. Je leest het, een ingewikkelde familie hebben, dat loont soms. Qua bonding met mijn ouders kan het ook tellen. Ik kreeg het laatste jaar al meer advies dan in de 32 jaar daarvoor. Na mijn coming-out als wielrenster drukten ze me op het hart welke framegroottes, fietspompen, snelheidsmeters, fietsknooppunten, proteïnerepen, hartslagmeters en kledingmerken ik nodig had. Beginnen met wielrennen is alsof je een andere taal leert. Maar het beste aan deze nieuwe wereld is dat ik België herontdek. Na de Kempen verhuisde ik naar Antwerpen en hier leid ik een gelukkig leven, maar wel een tussen beton en appartementsblokken. 's Zondags daarentegen, op weg naar Temse, Duffel of Sint-Job, kruis ik toverachtige boerderijen, korenvelden en kastelen. Door de slogans langs de weg ('Scharreleieren', 'Hoeve-ijs', 'Hooi te koop') voel ik me de hoofdrolspeler in een oude Man bijt hond-aflevering, want met de wind in de rug vlieg ik voorbij allerlei absurde taferelen. Ik kruis een visser in legertenue met de mond open snurkend in zijn campingstoel, ik ontwijk op het nippertje een vlucht ganzen wanneer ze me blazend aanvallen en ik help een fietser in panne met het juiste inbussleuteltje. Terwijl ik mijn ogen de kost geef, spannen mijn spieren zich aan en vullen mijn longen zich met gezonde buitenlucht. Beter wordt het niet. De seizoenen beleefde ik nog nooit zo bewust. Vorige herfst reed ik over bladeren in dieprode kleuren, in de winter moest ik een kwartier douchen voor er weer kleur in mijn tenen kwam. Nu het lente is, zie ik de lammetjes, veulens en eendenkuikens elke week groeien. Ondanks mijn rode haar en bleke huid hoop ik bij het minste beetje zon al op tan lines, veroorzaakt door aanspannende wielertenues. Vroeger vond ik die lycra pakjes afschuwelijk, nu tel ik veel geld neer voor een short waarmee het lijkt of ik een luier draag. Ach! Deze zomer zet ik me in zo'n blinkende outfit op een terras met een trappist voor mijn neus - een wielertraditie die ik wegens corona pas uitgesteld zal beleven. Na een dik halfjaar als een bezetene België te hebben doorkruist, kwam in december de kers op de taart - zie het als mijn eerste communie - in de vorm van een fietsvakantie. Mijn fietsbuddy Stijn en ik zijn gebrand op wat zon en de Canarische archipel is op dat moment de enige groene plek in Europa, covidgewijs dan toch, want de natuur bestaat vooral uit zwart gesteente. Het wordt Lanzarote, het eiland waar de Belgen ter voorbereiding van Tokio 2020 op stage gingen. Hun Olympische Spelen vielen door covid in het water, onze reis wordt erdoor gevormd. Anders dan pakweg Tenerife en Gran Canaria bleef Lanzarote gespaard van de kitscherige vakantieparken waarin zonnekloppende Duitsers en Britten zichzelf te braden leggen. Kunstenaar, architect en visionair César Manrique liet op Lanzarote - Lanza voor de vrienden - een aantal bouwregels vastleggen waardoor de oorspronkelijke charme bewaard bleef. De huizen die we passeren zijn allemaal witgekalkt en niet hoger dan vier verdiepingen. Manrique creëerde ook zelf tal van bezienswaardigheden. Het zijn de ideale pauzes tijdens het fietsen, of een leuke halvedaguitstap erna. De eerste dagen verblijven Stijn en ik in Yé, een dorpje in het noorden van het eiland, waar de wegen steil zijn en de uitzichten ver. Casa Nube Blanca heet ons guesthouse . Het bestaat uit vijf kamers en wordt gerund door twee zussen en hun broer. Ze hebben het minimalistisch ingericht met wat de natuur te bieden heeft. Ik zou het drietal zo inhuren voor het decoreren van mijn droomhuis. Door de routeplanner in mijn premiumaccount van de Strava-app - nog zo'n gadget dat je volgens mijn entourage écht moet hebben - kunnen we meteen de leukste routes uitstippelen. Stijn heeft zijn gps mee, hij neemt de leiding. Komt goed uit, want zo'n gehuurde fiets is even oefenen. Anders dan ik als beginneling gewend ben, zitten er klikpedalen op. Vlak voor ons vertrek liep ik dus nog snel even een fietswinkel binnen om échte fietsschoenen te kopen. Want een voet die zit vastgeklikt, kan ook trekken tijdens het klimmen. Of ik voor een SPD-systeem (kliksysteem voor mountainbikers, iets zwaarder, maar wel makkelijker wandelen) of SPD SL-systeem (lichtere wielerschoenen, maar met van die plaatjes waardoor je als een pinguïn loopt) moet kiezen, vormt het begin van een buitenproportionele discussie in WC De Luciens, de WhatsAppgroep van mijn wielervrienden, genoemd naar Lucien Van Impe. De mening van de verkoper, toch de échte expert in dit verhaal, geeft de doorslag. Het wordt SPD SL. Voor vertrek schetst mijn moeder me de grootste horrortaferelen - in haar verhalen hangen mijn benen nog maar nét aan mijn romp - maar vastgeklikt fietsen lukt best goed. Tijdens de hele reis val ik geen enkele keer. Met dank aan de goede coördinatie tussen mijn ledematen door de vele jaren balletles, toen ik wielrennen nog megabelachelijk vond. Waarom dit eiland zo populair is bij wielrenners behoeft geen uitleg, maar ik geef 'm toch. In België is het in december berekoud, op Lanzarote ademen we lentelucht. Het eiland ligt ter hoogte van de Kreeftskeerkring, zoals de Bahama's. De wegen op Lanzarote zijn lekker effen, de auto's zijn het gewend om ze te delen en de natuur is opvallend divers. Tijdens een rit rijden we tussen cactusplantages, wijngaarden, uitgespuwde lavabrokken en langs de kust. De hoogtemeters op de gemiddelde rit op Lanzarote zijn op bepaalde stukken pittig, maar zeker niet onoverkomelijk. Reken op een gemiddelde van duizend hoogtemeters voor ritten tussen de vijftig en tachtig kilometer. Voor het beste uitzicht van Lanzarote klimmen we naar de Mirador del Río, een ruimteschipachtige taverne die door César Manrique in de bergwand werd gebeiteld. Voor ons ligt, met slechts een glazen wand ertussen, La Graciosa, een kleiner, autoluw eilandje voor Lanzarote's kust. Je kunt er blijkbaar goed mountainbiken, maar wij blijven op Lanzarote en op dunne bandjes. Net als de Mirador del Río ligt Manrique's Jameos del Agua in het noorden, een must-see op het eiland. We rijden er 's namiddags vanuit Yé met de auto heen, maar een fietstocht langs zowel de Mirador del Río als Jameos del Agua had ook gekund. Tijdens de tweede helft van de week logeren we in Tías, in het midden van het eiland. Van hieruit fietsen we richting het zuiden, door La Geria, Lanza's wijnstreek. De lavagrond is niet de meest geschikte voor wijn, en de sterke wind die over het eiland waait doet er ook geen goed aan. Toch vonden de inventieve lanzaroteños een oplossing. Hun wijngaarden bestaan telkens uit één wijnstok in een kuil, omringd door grote stenen. Graaf honderden van die kuilen naast elkaar en je komt aan een prachtig patroon dat door het MoMa in New York werd uitgeroepen tot landschapskunstwerk. Stijn en ik zijn stipjes op wielen in een exclusief lappendeken. Onze rit gaat vanuit Tías eerst naar kustdorpje La Santa en van daaruit naar Famara, waar niet wielrenners, maar surfers de plak zwaaien. Tijdens de laatste kilometers naar het dorp hebben we een prachtig uitzicht: rechts van ons liggen imposante bergen, voor ons de oceaan. Zo voelt pure vrijheid dus. En dat in covidtijden. Muchísimas gracias, liefste fiets. Op de voorlaatste wielerdag rijden Stijn en ik via het dorpje Yaiza het Parque Nacional de Timanfaya binnen, waar de vulkanen nog actief zijn. De goed onderhouden gladde weg staat in schril contrast met de ruwe vulkanische brokstukken errond. Alsof er iemand snel even een asfaltbaantje heeft aangelegd op Mars. We klimmen tussen de vulkanen omhoog, maar stoppen af en toe voor een foto van deze waanzinnige omgeving, meteen ook het perfecte excuus om op adem te komen. Tijdens de laatste rit komen we onderweg langs het Casa-Museo del Campesino, een indrukwekkende, boerderijachtige site met her en der werktuigen waarvan je het doel niet kunt raden. In het restaurant serveren oude, knorrige obers heerlijke, traditionele specialiteiten. We bestellen de zeebaarskroketjes met koriandermayonaise en gegrilde octopus. En terwijl we gehuld in lycra van de zon genieten, besef ik: er was geen ontkomen aan. Ik ben mijn ouders geworden. Op hen hef ik het glas. Hopelijk kunnen ze wat chronometreren, want ik demarreer straks de bergen in.