Naar kantoor: dit zijn de werkplekken van Julien Dossena van Paco Rabanne, Olivier Theyskens en Marine Serre

© MICHEL FIGUET

“Toon me je kantoor, en ik zeg wie je bent.” Bij creatievelingen geldt dit adagium des te meer. Want het is in die intieme bubbel dat een ontwerper zijn collecties bedenkt, zijn inspiratie omzet in schetsen, zijn eerste pogingen op de paspop speldt. Wij mochten in Parijs op bezoek bij Julien Dossena van Paco Rabanne, Olivier Theyskens en Marine Serre.

Julien Dossena, bij Paco Rabanne

Een bijna klinische ruimte en een ontwerper in sportshort: het is niet meteen wat je verwacht in een couturehuis van respectabele leeftijd. Julien Dossena moet erom lachen. De lente-zomer ’23-show voor Paco Rabanne is achter de rug, de collectie is klaar, de ontwerper kan even ademhalen tussen twee drukke periodes in. “Ja, dit kantoor ziet er erg ‘kantoor’ uit”, bevestigt hij. “Ik wilde het heel puur, met een lila tapijt, een bureaumeubel van Norman Foster, en daarachter gewoon het uitzicht op de stad.” Hoog in dit vlaggenschip kijk je uit op de gebouwen van de rue François 1er, afgetekend tegen de lucht, zoals het Parijs van Haussmann er in je fantasie uitziet. “Hier doen we de pasbeurten,” legt de ontwerper uit, “en wanneer de eerste stukken arriveren, is dat telkens zo’n rijkdom aan materialen, glans, kleuren… dat het niet slecht is om ze te bekijken in een neutrale ruimte met koude tinten.”

Dit kantoor ziet er erg kantoor uit, klinisch bijna. Ik wilde het puur

Al tien jaar belichaamt Dossena de ziel van Paco Rabanne door, zonder aan zelfcensuur te doen, de archetypen van het revolutionaire huis te vernieuwen, inclusief de materialen. De bijna-veertiger kan er prat op gaan dat hij het merk heeft doen groeien. “In het begin waren we met twaalf man, nu met ongeveer honderd.”

© MICHEL FIGUET

Maar vandaag is het tijd voor vakantie. De enige herinnering aan het harde werk van de afgelopen weken is een doos vol knopen, haken en oogjes. En veel metaal, we zijn tenslotte bij Paco Rabanne. Binnen handbereik liggen Dossena’s potloden, netjes gerangschikt en perfect geslepen, want om zijn ideeën uit te leggen aan het team tekent hij. “Dat doe ik wanneer het even duurt om uit te leggen welke richting ik uit wil, als het te abstract is.” Hij wijst naar de Stockman-paspop waarop een latex jurk hangt. “Vanaf een afstand zou je denken dat ze van geglaceerde zijde is, maar we hebben het materiaal op ambachtelijke wijze herwerkt. Ik wilde het gevoel creëren dat we er een emmer gekleurde latexverf tegenaan hebben gegooid, met de energie van de beweging zoals bij Pollock of Cy Twombly.”

Voor Julien Dossena zijn beelden belangrijk, maar woorden nog meer. Hij voedt zich met literatuur, citeert Maupassant, Annie Ernaux, Joan Didion… En al staat hier geen enkel boek, toch ontwaren we op het glazen bureau de Go-Sees van Juergen Teller, 462 portretten van modellen, die de fotograaf op de stoep van zijn atelier vastlegde. “Het is een vrij zeldzaam boek. Je ziet er alle meisjes in die in de jaren 1990-2000 naar hem toe kwamen voor een casting, in hun dagelijkse kleren. Hoe ze er dan uitzien, vind ik zeer inspirerend.”

© MICHEL FIGUET

In zijn creaties schemert ook altijd het maatschappelijke door. Dat verklaart waarom de huidige wintercollectie sereen is en die van zomer ’23 elektrisch geladen, alsof er een zekere woede in zit. “Voor dit seizoen wilde ik mezelf én de mensen een plezier doen. We kwamen uit een periode waarin we veel hadden moeten doorstaan, ik was hoopvol, dacht dat er een zacht einde aan de crisis zou komen. Maar dat bleek niet het geval. Daarom is de collectie van volgende zomer scherper, met het idee van een gewapende vrouwelijke krijger. We leven immers in donkere tijden.”

Marine Serre

Ze had voor de gelegenheid haar kantoor willen opruimen, maar ze had geen tijd. Ze verontschuldigt zich voor de rommel, al heerst er allerminst chaos. Wel is er een berg aan inspiratie die wacht om te worden omgezet in ideeën. Vier verdiepingen en duizend vierkante meter in de rue d’Aubervilliers dragen het intussen welbekende logo van Marine Serre: de maan. Die kreeg hier een plek om te stralen.

© MICHEL FIGUET

In haar werkhoek, niet meer dan achttien vierkante meter groot, wordt de stilte slechts af en toe verstoord door het geluid van spelende kinderen op de speelplaats van de naburige school. Ze koos bewust deze ruimte als kantoor en noemt het ‘een plaats van gedeelde intimiteit’. De plek doet haar denken aan de keuken van The Oracle in de filmreeks The Matrix, vertelt ze. Ze creëerde een cocon achter een gordijn – een patchwork van zijden sjaals die ze een nieuw leven heeft gegeven – dat de poort tot het huis vormt. Tweedehands meubelen – een bureau, stoelen, een bank – servies en een kleine jungle van planten met bananenbomen en sanseveria’s maken de sfeer af. Onder het raam staat de mand van Soma, haar acht maanden oude staffie, die nog moet leren dat hij niet de baas in huis is. Een bonte verzameling objecten, van geluksbrengers, een kitscherige waterleliekaars, een postzegelverzameling, sleutelhangers en boeken tot een Japans stripverhaal, ligt er niet ter versiering, maar dient als inspiratie. Die put ze ook uit The Companion Species Manifesto van Donna Haraway, een boek dat ze koestert “omdat het ons aanzet om vragen te blijven stellen”. In de bibliotheek staan de catalogi van La Cambre, waar ze studeerde, en haar notitieboekjes, waarin ze schetsen en aantekeningen maakte.

© MICHEL FIGUET

Vandaag zijn de kleine boekjes vervangen door een moodboard, een vorm die beter past bij de structuur van het bedrijf Marine Serre, dat in vijf jaar erg is gegroeid. “We werken er vandaag met tachtig, ik moet mijn inspiratie met zoveel mensen delen en daarvoor zijn notitieboekjes niet zo geschikt.” Op haar tafel getuigt een Japanse Shozaburo-schaar – “zeer licht en zeer scherp” – van haar wil om de controle te behouden en sterke kleding te creëren, trouw aan haar ethische principes en haar esthetisch universum. Haar kantoormeubilair ziet ze dan ook als een snijtafel: “Het is belangrijk voor mij om nog zelf de schaar te hanteren.” En wanneer het tijd is voor de pasbeurten, de fittings, opent ze het zijden gordijn naar de hanger, legt beslag op de hele oppervlakte en werkt op de vloer. Ze spreidt haar materialen uit, zorgvuldig gesorteerd, en vindt ze opnieuw uit. Ze is vastberaden om de mode-industrie te veranderen, Marine Serre is een huis dat werkt aan transformatie.

© MICHEL FIGUET

Zelf is ze niet alleen ontwerpster, ze is ook algemeen directeur. Ze wil aantonen dat je creatief kunt zijn en tegelijk een zaak kunt runnen. Amper dertig is ze, maar ze kan het.

Op een salontafel ligt de analoge filmcamera die ze blijft bewaren, naast haar smartphone waarmee ze filmt wat haar raakt. De laatste keer was dat de avond voor de show in juni. Het hele team werkte samen, bijna religieus, aan de laatste stukken van de lente-zomercollectie ’23. Ze organiseerde het defilé in een stadion, om te benadrukken dat het een ongebonden gemeenschap is, vrolijk en open voor iedereen.

© MICHEL FIGUET

Olivier Theyskens

Hij wist dat verhuizen hem deugd zou doen. Het was het einde van de lockdown, hij had te veel spullen en voelde de nood om het Parijse herenhuis te verlaten waar hij zich had gevestigd. “De Directoire-stijl werd een beetje zwaar”, zegt hij.

Dus pakte Theyskens zijn dozen in, verzamelde de fraaie stalen van stoffen die hij in de loop der jaren vergaarde, en de Stockman-buste waarop hij al werkte toen hij nog student was aan La Cambre. Hij verhuisde alles naar een voormalige kunstgalerie in Le Marais, een lichte en open ruimte. “De verandering stimuleerde me, ik ontdekte nieuwe creatieve terreinen waar ik dingen ging doen die ik niet had verwacht van mezelf. Deels door deze nieuwe plek ging ik met kleur en patchwork werken.”

© MICHEL FIGUET

Olivier Theyskens heeft geen apart kantoor. Meer dan de kale vloer heeft hij niet nodig. Daar spreidt hij de stukken organza, zijde en wol op uit, om vervolgens plaats te nemen aan de tafel met naaimachine. Naald en draad heeft de ontwerper nooit ver weg liggen. Met dank aan de vertraging tijdens de lockdown verdiepte hij zich in de artisanale aanpak en assembleerde hij geduldig honderden monsters van verschillende kleuren tot een nieuwe stof die hij daarna in biais verwerkte, iets waarin hij altijd bijzonder sterk is geweest. “Het kost mij uren, het is een tijdrovende techniek,” beaamt hij, “maar het resultaat zijn echte designerstukken, waarop intensief is gewerkt op kleur, volume en de manier waarop alles is samengebracht. De eerste collectie en de eerste patchworks kostten me een jaar, het was een labyrint waarin ik een weg moest zoeken om tot een resultaat te komen dat me beviel. Het ging met vallen en opstaan en het kostte tijd, veel tijd.”

© MICHEL FIGUET

Tijd, hij kent de waarde ervan en springt er zorgvuldig mee om. Hij werkt ook met passie. Soms komt hij hier in het weekend, voor de rust en om de hele ruimte in beslag te nemen. Die is ingericht met een bank hier, een kast daar, zonder enige andere logica dan die van hemzelf. Er zijn naar eigen zeggen “enkele objecten die deel uitmaken van het verhaal van Olivier Theyskens”: modeboeken in kratten, een zwartgeverfde kleerkast, enkele foto’s aan de muur als getuigen van zijn afgelegde weg. “Ik sta nogal los van objecten. Dit atelier is een werkplek, ik vind makkelijker creatieve vrijheid als ik ergens ben waar geen referenties zijn. Ik hou ervan de lucht te klaren na de presentaties, niet te veel voorwerpen vol connotaties om me heen te hebben.”

© MICHEL FIGUET

Toch ligt elke lade van elk meubel vol met dergelijke objecten. Maar hij weet waar alles ligt. Behalve misschien zijn kleurpotloden en stiften, die uitgedroogd zullen zijn, want hij tekent alleen nog op zijn iPad. Nooit zal hij stoppen met werken op de buste. “Ik weet nog dat ik, helemaal in het begin, wist hoe ik moest draperen omdat ik als kind had gespeeld met lakens en lapjes stof. Ik wist als vanzelf hoe een kledingstuk valt en ik ben er zeker van dat dit voortkwam uit mijn kindertijd.” Een kwarteeuw later is hij daar nog steeds rotsvast van overtuigd. Tot slot deelt hij nog zijn advies: “Je moet niet bang zijn om jezelf te zijn en je hand het werk te laten doen.”

© MICHEL FIGUET

Partner Content