'Ik ben twee keer zwaar ziek moeten worden voor ik kon aanvaarden dat het tijd was voor iets anders. Toen ik op mijn achtentwintigste borstkanker kreeg, was mijn doel: zo snel mogelijk terugkeren naar mijn oude leven als archeologe. Ik was gespecialiseerd in Egyptische keramiek en doctoreerde net aan de KU Leuven. Voor mijn onderzoek deed ik opgravingen in Egypte, een job die ik het summum vond. In de aarde wroeten, veldwerk doen, bestuderen hoe oude objecten gemaakt zijn: ik vind dat fantastisch.
...

'Ik ben twee keer zwaar ziek moeten worden voor ik kon aanvaarden dat het tijd was voor iets anders. Toen ik op mijn achtentwintigste borstkanker kreeg, was mijn doel: zo snel mogelijk terugkeren naar mijn oude leven als archeologe. Ik was gespecialiseerd in Egyptische keramiek en doctoreerde net aan de KU Leuven. Voor mijn onderzoek deed ik opgravingen in Egypte, een job die ik het summum vond. In de aarde wroeten, veldwerk doen, bestuderen hoe oude objecten gemaakt zijn: ik vind dat fantastisch. Bovendien hadden mijn collega's in Egypte net een megavondst gedaan op het moment dat ik in het ziekenhuis in België chemotherapie onderging. In Sheikh Saïd hadden ze een werkplaats opgegraven die nieuwe inzichten kon leveren in de economische activiteiten en de organisatie van de arbeiders die de grote piramides gebouwd hebben. Voor een archeoloog zijn zulke vondsten hoogdagen, dus ik stond te springen om na mijn behandelingen opnieuw aan de slag te gaan. Ik wist dat er honderden zakken op mij stonden te wachten vol te onderzoeken materiaal. Acht maanden na de chemotherapie, mijn borstamputatie en bestraling stond ik weer fulltime in het veld in Egypte. Eigenlijk wou ik al sneller het werk hervatten, halftijds. Mijn artsen gaven me ook het advies om wat te werken, omdat het na kanker mentaal van groot belang is om weer te leren deelnemen aan het normale leven. Maar dat was volgens mijn werkgever onmogelijk. In het contract van mijn werkbeurs stond dat ik vier jaar de tijd had om de beurs te gebruiken voor mijn onderzoek. Mijn werkgever nam dat heel strikt: ofwel was ik honderd procent aan het werk, ofwel honderd procent ziek. Ik mocht niet langzaamaan terugkeren. Dat een advies van het UZ Leuven blijkbaar genegeerd kon worden aan de faculteit Letteren van de KU Leuven, voelde als een slag in mijn gezicht.' Zo heb ik de jaren daarop nog een aantal littekens opgelopen die er uiteindelijk allemaal samen toe hebben geleid dat ik een nieuwe weg ben ingeslagen. Ik had het bijvoorbeeld ook moeilijk met hoe kleingeestig de academische wereld kan zijn, toch binnen de faculteit waarin ik werkte. Egyptische archeologie is een vrij groot mannenbastion, hoewel het vaak vrouwen zijn die de opgravingen recht houden. Ik had vaak het gevoel dat ik extra mijn best moest doen om serieus genomen te worden. Stond ik op een congres een lezing te geven over een nieuwe ontdekking die we gedaan hadden, dan keken mensen mij raar aan omdat ik er niet uitzag als een typische academicus, maar op het podium stond in een roze blouse en op hoge hakken. Waar ik me ook steeds meer aan begon te ergeren, was het gedrag van sommige collega's op het terrein in Egypte. We werkten in Dayr al-Barsha, in Midden-Egypte, wat absoluut geen toeristisch gebied is. De armoede en ongeletterdheid zijn er groot en ik ben dan het type persoon dat, terwijl we daar toch zijn, ook de lokale school wil helpen, of iets voor de lokale bevolking wil doen, maar mijn ambitie werd vaak weggewuifd. Het is natuurlijk een gemakkelijkheidsoplossing om je oogkleppen op te zetten voor andermans problemen. Maar ik had het daar moeilijk mee. En toen ontdekte ik in Egypte dat ik zwanger was. Mijn dokter dacht dat het nog niet kon, zo snel na de chemotherapie. Wel dus. Maar al snel kon ik niet meer lopen van de pijn en bleek de kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap groot, wat een levensbedreigende bloeding kan veroorzaken. Mijn baas zag de ernst van de situatie niet in en een collega moest er uiteindelijk voor zorgen dat ik kon vertrekken van de opgravingen. Ik ben haar daarvoor eeuwig dankbaar, maar toen heb ik nogmaals gemerkt hoe er met mensen gespeeld wordt als je niet voor jezelf opkomt.' Toch moest ik een tweede keer ernstig ziek worden voor ik definitief besloot: nu laat ik niet meer met me sollen. In maart 2013, ik was toen 34, kreeg ik acute leukemie. Ik wist dat dit een mogelijke bijwerking was van de chemotherapie die ik had gekregen, maar de kans daarop was één op ruim honderdduizend. Ik was blijkbaar die ene medische uitzondering. Ik moest een allogene stamceltransplantatie ondergaan waardoor ik een halfjaar in strikte quarantaine moest, eerst in het ziekenhuis en daarna thuis, een heel eenzame periode. Pas toen mijn bloedwaarden weer beter werden, mocht ik voorzichtig beginnen revalideren. Ik sloot me aan bij KanActief, een revalidatieprogramma in Gasthuisberg in Leuven, waar ik me inschreef met als doel om vier kilometer te lopen tijdens de jaarlijkse Corrida-loopwedstrijd. Ik heb altijd een doel nodig om naartoe te werken, dat is een overblijfsel van de jaren dat ik als kind aan competitiesport deed en tenniste op vrij hoog niveau. Maar na die stamceltransplantatie kende ik mijn lichaam niet meer. Ik woog nog amper vijftig kilo en zat in een rolstoel. Toch was ik vastbesloten om weer fit te worden, ook omdat mijn man en ik intussen een adoptieprocedure hadden opgestart en twee kinderen wilden adopteren. Vier maanden later liep ik tot mijn eigen verbazing die vier kilometer, met mijn mondmasker op en met mijn man, mijn schoonzus en schoonbroer rond mij, want eigenlijk mocht ik me nog niet onder een massa mensen begeven. Omdat ik mentaal en fysiek toch nog niet de oude was, sloot ik me nadien aan bij Transplantoux, een vzw die getransplanteerden samenbrengt om sportief te zijn. Daar heb ik echt beseft dat zware ziekte een nieuw begin kan zijn, want dankzij intense begeleiding voltooide ik uiteindelijk een kwarttriatlon. Ik geloof dat veel mensen na ziekte de kracht kunnen terugvinden om weer normaal te leven, maar je moet goed omkaderd worden, en dat is lang niet bij iedereen het geval. Ondertussen kreeg ik te horen dat het niet zeker was of er nog budget vrij te maken was om mijn doctoraat af te maken. De jaren voordien had ik veel onderzoek verricht voor andere doctoraten, waardoor mijn eigen onderzoek dikwijls op de achtergrond was geraakt. Vlak voor ik ziek werd stond ik eindelijk op het punt mijn eigen onderzoek te verdedigen, maar het is er nooit van gekomen. Omdat mijn immuniteit ook nog te zwak was om meteen weer het veld in te trekken, werd mij gemeld dat ik mocht terugkeren naar kantoor om mijn opvolger op te leiden. Dat was de druppel. Op dat moment nam ik me voor mijn leven over een andere boeg te gooien en me nooit meer kapot te werken voor een ander. Ik besloot zelfstandige te worden, wat in mijn omgeving uiteraard op veel gefrons werd onthaald. Maar vijf jaar geleden opende Harvest Club.' 'Mode is altijd mijn tweede passie geweest en ik droomde er ook wel van om een eigen winkel te hebben - in mijn familie is bijna iedereen ondernemer. Dat ik alleen duurzame labels verkoop, heeft verschillende redenen. Na mijn borstkanker, die geen erfelijke oorzaak bleek te hebben, was ik veel bewuster gaan eten: zoveel mogelijk groenten en fruit, rechtstreeks van bij de boer. Ik wou meer controle over wat ik in mijn lichaam stopte nadat mijn dokter me had verteld dat de vervuiling van ons milieu een grote invloed kan hebben op het ontstaan van kanker. Duurzaamheid was daardoor een aandachtspunt geworden. Ook in Egypte, waar we soms meters diep onder het plastic moest graven en waar kanalen vol afval, dode dieren en gebruikte naalden liggen, had ik gezien hoe groot de afvalproblematiek in arme landen kan zijn. Vaak wordt die deels veroorzaakt door de mode-industrie. Bovendien heb ik intussen twee adoptiekinderen uit India en ik mag er niet bij stilstaan hoe vervuilend de kledingsector voor dat land is. Het is een griezelige gedachte dat Kind&Gezin aanraadt om je babykleren te wassen voor het eerste gebruik omdat er zoveel schadelijke stoffen worden gebruikt in het productieproces van kleding. Al die elementen leidden ertoe dat ik een correcte kledingwinkel wou beginnen. Ik zal nooit staan preken over het belang van duurzaamheid, ik probeer wat ik zelf doe gewoon zo goed mogelijk te doen. Voor de labels die ik in Harvest Club verkoop, hanteer ik verschillende selectiecriteria. Een merk als People Tree is ontstaan vanuit een fairtradeverhaal, met arbeiders die een eerlijk loon krijgen en in veilige omstandigheden werken, terwijl een merk als Howlin' zijn wol in Schotland gaat halen en verder zijn hele productieproces in België houdt. Er zijn verschillende manieren om zo eerlijk en ecologisch mogelijk te werk te gaan. Of ik anders in het leven sta na mijn ziektes? Niet echt. Het enige dat veranderd is, is dat ik heb geleerd dat het oké is om je mond open te trekken als iets je niet aanstaat. Sinds die tweede kanker heb ik een enorme strijdlust gekregen. Mijn tijd in Egypte heeft me geleerd dat we heel dankbaar moeten zijn dat we in België geboren zijn. Ginder was ik al drie keer gestorven. Daarom vind ik dat we de kansen die we hier krijgen moeten omarmen, ook al is dat niet altijd evident. Maar ook in België is er nog veel waarvoor gevochten moet worden. Een van de dingen waarvoor ik mee aan de kar wil trekken, is politici bewust maken van het totaalpakket dat nodig is om mensen die langdurig ziek zijn geweest weer aan het werk te krijgen. Patiënten moeten langer begeleid worden. Ik weet dat veel kankerpatiënten hun lichaam opnieuw moeten leren kennen, maar velen komen er nadat ze gestopt zijn met chemotherapie niet toe om vol vertrouwen weer vijf kilometer te wandelen. Want wie gaat hen daarbij helpen? De kinesist die hen eenmaal per week wat oefeningen laat doen? Opnieuw beginnen na kanker, of een andere zware ziekte, is heel moeilijk, want je voelt overal pijn en je weet niet hoe diep je kunt gaan om je lichaam uit te dagen. Toen ik trainde voor de Corrida en kwarttriatlon hielden twee dokters, een kinesist én een hartslagmeter in de gaten hoever ik mocht gaan. Eigenlijk vind ik dat het een standaard moet zijn dat mensen fysiek en mentaal begeleid worden tot op het punt waarop ze hun leven weer in handen hebben. En dan heb ik het nog niet gehad over hoe moeilijk het is om na kanker terug te keren naar de werkvloer. Zo'n totaalpakket zal in het begin een meerkost zijn voor onze maatschappij, maar ik geloof heilig dat het op lange termijn heel wat mensen uit dat eeuwigdurende ziekteproces zal halen.'