Jan-Jan Van Essche is afgelopen lente toegetreden tot de officiële kalender van de Fédération de la Haute Couture et de la Mode, de organisatie achter de Parijse modeweken. Op zich brengt dat niets op, maar het garandeert doorgaans wel meer aandacht en een zekere legitimiteit.
...

Jan-Jan Van Essche is afgelopen lente toegetreden tot de officiële kalender van de Fédération de la Haute Couture et de la Mode, de organisatie achter de Parijse modeweken. Op zich brengt dat niets op, maar het garandeert doorgaans wel meer aandacht en een zekere legitimiteit. 'Het voelde aan als een erkenning,' zegt de ontwerper met de gigantische dreadlocks, 'en we waren er na tien jaar ook wel klaar voor. Toen we hoorden dat het allemaal in orde was, dacht ik toch: ha, het is voor echt. Net zoals toen ik voor het eerst een kartonnen doos met in plastic verpakte T-shirts naar het buitenland stuurde, of toen ik voor het eerst labels met wasinstructies in mijn kleren zag. Daar stonden we dan op de kalender van de mannenmodeweek, tussen Dior en Junya Watanabe.' Van Essche, van sterrenbeeld Tweelingen, met een dubbele naam én een tweelingbroer, herhaalt tijdens ons gesprek verschillende keren dat hij altijd veel heeft getwijfeld. 'Ik heb lang last gehad van het imposter syndrome, maar intussen weet ik waar ik mee bezig ben, waar ik voor sta, en wat ik kan. Ik heb geleerd dat je altijd jezelf moet blijven. Als je je eigen verhaal vertelt, dan is er geen twijfel mogelijk, want dat is jouw verhaal. We trekken al zo lang elk seizoen naar Parijs met onze collecties en de voorbije seizoenen hebben we twee films gemaakt waar we echt heel trots op zijn (de laatste met regisseur Ramy Fouad en choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui, red.). We horen eigenlijk al jaren op die officiële kalender. Tegelijk voelt het ook aan als een doorstart, een nieuw hoofdstuk.' Jan-Jan Van Essche, geboren en getogen in Antwerpen, is afgestudeerd aan de academie in de lente van 2003, een week voor zijn drieëntwintigste verjaardag. Hij vertelt dat hij destijds moeite had om zijn draai te vinden in de modewereld. 'Achteraf gezien was ik te jong. Ik wist het allemaal niet goed.' 'Mijn fantasie als kind was: een eigen collectie maken. Mijn beeld van mode is gekleurd door de Belgische mode. Ik zou er niet zijn zonder de Antwerpse Zes. Ik keek ook wel naar de Armani's van de wereld, maar de vonk, die kwam van de Zes. Ik heb mijn droom lang niet durven uit te spreken, zelfs niet voor mezelf. Ik wist niet of ik er wel de guts en de energie voor had.' 'Na de academie word je geacht een paar jaar ervaring op te doen. Dat lukte niet goed. Ik heb veel gesolliciteerd, maar nooit echt een match gevonden. Ik heb kinderkleren ontworpen, een tijd voor een groot jeansmerk gewerkt, en tussendoor ook voor mijn vader, die artdirector is voor film en televisie. Dan reed ik bij wijze van spreken met de camion rond. Dat was fijn, en ook gewoon praktisch. Toen ik dertig werd, begon het toch wel te jeuken.' Eerst openden Van Essche en zijn partner, Pietro Celestina, Atelier Solarshop in een leegstaand pand in de Dambruggestraat, achter het Astridplein, tussen de Afrikaanse haarsalons en Chinese kruideniers. De vorige huurder verkocht er zonnepanelen. Zij maakten er een soort workshop van. Maar ook een restaurant, een pop-upshop, een atelier, een galerie en een coworkingruimte. 'Pietro had bij Louis en Jurgi Persoons gewerkt en hij deed ook castings, voor onder andere Raf Simons. We waren, met andere woorden, compatibel.' Intussen is het atelier verhuisd naar een gigantische loft in de buurt, een voormalige koetsenstalling. Atelier Solarshop is al een paar jaar louter een boetiek, gerund door Celestina, met naast de collecties van Van Essche een selectie elders moeilijk te vinden ontwerpersmerken, zoals het Japanse cultlabel Cosmic Wonder of de Amerikaanse ontwerper Evan Kinori, maar ook vaatwerk en andere bijzondere voorwerpen, door de eigenaars meegebracht van verre reizen. De winkel krijgt soms meer bezoekers van buiten Antwerpen over de vloer dan locals. ' Is Antwerp's Atelier Solarshop the Vibiest Store on Earth?' kopte het Amerikaanse maandblad GQ enkele jaren geleden wildenthousiast. Van Essche werd in hetzelfde artikel 'one of the most exciting emerging designers in fashion' genoemd. Hij besloot alsnog met een eigen merk te beginnen tijdens een reis van tweeënhalve maand door Mali en Senegal. 'Op een bepaald moment kreeg ik daar een openbaring. Ik zag een man en een vrouw in identieke boubous, eigenlijk gewoon een lap stof met een nekgat. En toch zagen ze er door de manier waarop die stof over hun lichaam was gedrapeerd helemaal anders uit. Die eenvoudige lap stof drukte mijn gedachten beter uit dan alles wat ik tot dan toe had geprobeerd.' 'Ik vind tailoring fantastisch,' zegt hij, 'maar dat zit niet in mijn handen. Mijn grootvader en zijn vader waren kleermakers. Ik weet uit boeken hoe je het moet doen. Maar het is niet mijn vormtaal. Wat ik doe, is eigenlijk het tegenovergestelde. Ik gebruik zo veel mogelijk rechte stukken stof, zo weinig mogelijk naden. Ik hou van het idee dat je lichaam je kleren vormt, in plaats van andersom.' Je zou Van Essche kunnen omschrijven als een warme minimalist. 'Zo weinig mogelijk details, zonder de essentie te verliezen.' Zijn kleren zijn vaak minder simpel dan ze lijken. 'Ik teken zelf mijn patronen en in die fase ben ik een beetje een autist. Dan gaat het puur om vorm, niet om stof of kleur.' Hij is zijn label gestart met een paar dozijn T-shirts en sweatshirts. 'Met de opbrengst hebben we een jaar later de eerste echte collectie gefinancierd. Ook de volgende collecties hebben we zo gemaakt. Uiteindelijk zijn we naar Parijs getrokken. We hebben een showroom gehuurd tijdens de modeweek en die ingericht zoals onze winkel, heel huiselijk. Ik wilde een sfeer creëren waarin ik mezelf goed kon voelen. We kregen er die eerste keer meteen zes winkels bij, en we zijn daarna stap voor stap gegroeid, tot een stuk of 35 winkels voor de pandemie.' Het merk ligt bij prestigieuze boetieks als Dover Street Market in Tokio, H. Lorenzo in Los Angeles, Joyce in Hongkong, Stijl in Brussel, en online bij Ssense. Hij is het populairst in Japan. 'Daar begrijpen ze mijn kleren vanzelf.' Van Essche ziet sporen van zijn mode in traditionele klederdracht, in kimono's en Ottomaanse kostuums en Europese gewaden uit de middeleeuwen. Ook hij gebruikt bij voorkeur eenvoudige vormen en is spaarzaam met materiaal. 'Als je met de hand een stuk stof weeft, dan wil je zoveel mogelijk van die stof gebruiken, want daar kruipt veel tijd en moeite in. Een cirkel uit je stuk stof snijden en de rest weggooien, dat is zonde, zeker als je het zelf hebt geweven.' 'Zoveel mogelijk stof gebruiken past in een ecologisch verhaal van minder afval, maar het getuigt ook van respect - voor de wever, voor het materiaal en uiteindelijk ook voor de drager.' Van Essche lijkt de belichaming van slow fashion en dat klopt ook tot op zekere hoogte. 'Ik gaf mijn eerste collectie de titel Yukkuri, wat Japans is voor 'stap voor stap', 'zachtjesaan'. Als ontwerper probeer ik met minimale acties een maximaal bereik te creëren. Ik wil ook geen stijl opdringen.' Zijn ideale kledingstuk versterkt de identiteit van de drager - het is de man, of de vrouw, die de kleren maakt, niet andersom. 'Ik ben misschien net iets te veel een twijfelaar om heel dwingende kleren te maken. Ik maak liever iets dat niet noodzakelijk de aandacht op zichzelf vestigt, maar dat de drager kan transformeren.' Dat betekent dat hij vaak voor neutrale kleuren kiest, al heeft hij nu voor het eerst een paar felrode stukken in de collectie. 'Ik vind het belangrijk dat je mijn kleren kunt blijven dragen, dat ze niet na een seizoen verouderd lijken, en dat je stukken van verschillende seizoenen gemakkelijk met elkaar kunt combineren. Ik wil ook graag dat mijn stukken een lang leven hebben, dat de kwaliteit hoog ligt. De afwerking van binnen, dat is topniveau. Ik steek daar veel tijd in.' 'Tezelfdertijd,' zegt hij, 'is het in ons atelier niet rustig. We zijn op dit moment met een man of negen. We werken hard, het gaat er soms superhectisch aan toe. Je moet alle ballen in de lucht houden, zeven dagen op zeven, en dat brengt soms stress met zich mee. We maken het onszelf ook niet gemakkelijk.' Jan-Jan Van Essche zal zichzelf nooit een duurzame ontwerper noemen. 'Ik gebruik bijna uitsluitend natuurlijke stoffen en er hangt veel beige in de winkel', lacht hij. 'Dus gaan mensen er gemakkelijk van uit dat we een 'groen' label zijn. Maar ik wil niet aan greenwashing doen door te goochelen met marketingtermen en claims die je als klein bedrijf niet kunt controleren en dus ook niet kunt garanderen. De productieketting, van garen tot eindproduct, is gewoonweg te complex.' 'Ik zou kleinere collecties kunnen maken, met minder stoffen en met een kleiner aantal fabrikanten, maar dan maak je eigenlijk geen mode meer. En Jan-Jan Van Essche is nu eenmaal een ontwerperscollectie die in de allereerste plaats om puur esthetische redenen bestaat. Je leest vaak dat mode de tweede of derde meest vervuilende industrie is. Wij zijn klein, we maken geen fast fashion en we vullen geen landfills met afval. We doen wat we kunnen. Maar uiteindelijk zijn we wel een modemerk. We maken dingen die mensen niet echt nodig hebben, aan een relatief hoge frequentie.' 'Ik heb een voorkeur voor natuurlijke stoffen', zegt Van Essche. 'Ik ben daar niet radicaal in. Als ik een fantastische stof vind waar twee procent polyester in blijkt te zitten, is dat voor mij geen dealbreaker. Maar ik hou gewoon niet van het gevoel van synthetische kleding op mijn lijf. En ik vind ook dat je in onze prijsklasse edele materialen moet gebruiken. Als je, zoals ik, met heel eenvoudige vormen werkt, dan is de stof vijftig procent van je boodschap.' 'Ik droom ervan om uitsluitend met natuurlijk geverfde stoffen te werken, zodat al dat gif niet in de natuur moet geloosd worden. Maar zowat de helft van mijn kleren zijn zwart en van alle kleuren is dat de giftigste: dat zijn alle kleuren op elkaar. Ik ken maar één natuurlijke manier om stoffen zwart te verven, een soort modder die je letterlijk met de hand moet aanbrengen. Dat is haalbaar voor enkele couturestukken, maar niet voor industriële productie.' 'Voor natuurlijk, diepblauw indigo geldt min of meer hetzelfde. Daar kun je alleen kleine stukken stof van krijgen, rollen van maximaal vier meter. Dat lukt op onze schaal soms nog.' Hij voegt eraan toe dat hij liever niet veel groter wordt. 'Hoe groter je bedrijf, hoe meer toegevingen je moet doen.' Soms droomt hij ervan om zijn onderneming om te vormen tot een 'productiehuis-slash-opleidingscentrum, waar mensen stages kunnen volgen en crafts kunnen aanleren. Jonge mensen willen geen fabrieksarbeiders meer worden, maar in mijn ogen zijn mensen die goed kunnen stikken geen fabrieksarbeiders. Dat zijn ambachtslui en die hebben we nodig.' 'Je productie uitbesteden,' zegt hij nog, 'is soms frustrerend. Er gaat altijd wel iets verkeerd. Dan is er iets binnenstebuiten gestikt, terwijl we nochtans in het lang en het breed hebben uitgelegd hoe het wel moest, of staan de knoopsgaten plots aan de verkeerde kant. Daar kun je dan meestal niets meer aan doen. Het zou fijn zijn om dat allemaal meer in de hand te kunnen houden. We hebben nu een weefgetouw staan, we hebben in het verleden nog zelf indigo geverfd, we maken heel vaak zelf onze prototypes. Als je iets zelf doet, heb je meer oog voor detail, en dan kun je gemakkelijker overschakelen naar een hoger niveau. Weer wat kleinschaliger worden zou ik wel zien zitten. Hoe dat dan zakelijk moet, weet ik niet. Maar puur als idee lijkt het me wel iets.'