Eind jaren negentig was Meryll Rogge nog een tiener. Dol als ze was op Europese modebladen en op de Canadese televisieserie Fashion File, maakte ze toen al een lijstje met de drie ontwerpers voor wie ze later het liefst wilde werken: Marc Jacobs, Dries Van Noten en Miuccia Prada. Hoewel ze pas in 2008 afstudeerde aan de modeafdeling van de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, mag Meryll Rogge (amper 35) al twee van de drie namen op haar lijstje afvinken. Na haar studie verhuisde ze naar New York om er zeven jaar te werken voor Marc Jacobs, eerst als stagiaire en uiteindelijk als een van de ontwerpsters in de damesmode. Nadien verkaste ze naar Antwerpen, waar ze drie jaar Head of Women's Design was bij Dries Van Noten.
...

Eind jaren negentig was Meryll Rogge nog een tiener. Dol als ze was op Europese modebladen en op de Canadese televisieserie Fashion File, maakte ze toen al een lijstje met de drie ontwerpers voor wie ze later het liefst wilde werken: Marc Jacobs, Dries Van Noten en Miuccia Prada. Hoewel ze pas in 2008 afstudeerde aan de modeafdeling van de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, mag Meryll Rogge (amper 35) al twee van de drie namen op haar lijstje afvinken. Na haar studie verhuisde ze naar New York om er zeven jaar te werken voor Marc Jacobs, eerst als stagiaire en uiteindelijk als een van de ontwerpsters in de damesmode. Nadien verkaste ze naar Antwerpen, waar ze drie jaar Head of Women's Design was bij Dries Van Noten. In 2019 was het tijd voor een nieuwe stap, maar Meryll Rogge ging niet voor de hattrick, maar besloot haar eigen label in de markt te zetten. Haar uitvalsbasis? Niet Milaan, New York of Antwerpen, maar een negentiende-eeuwse schuur in het Oost-Vlaamse Deinze. Het gewitte en door weelderig groen omgeven gebouw - ooit een koeienstal, nu gerenoveerd - staat op een voormalig boerderijtje van twee hectare, waar haar familie al woont sinds Meryll zes jaar was. In 2004 verbouwden haar ouders de stal tot een ruimte voor feestjes en familiebijeenkomsten, de oppervlakte bedraagt bijna 80 m2 en het plafond is 7 meter hoog. Vorig jaar trok Rogge erin. Er kwamen legplanken voor rollen stof, rekken propvol stalen en patronen in mousseline en in het midden een lange, houten werktafel. Toen we elkaar eind maart spraken, zat ze er helemaal alleen en keek ze toe hoe haar buurman, een melkveehouder, met zijn tractor de nabijgelegen velden aan het bewerken was. Huurgeld uitsparen en die centen investeren in stoffen en productie waren de initiële redenen om niet te kiezen voor een metropool, maar voor het platteland. Algauw bleek de rust van 'de buiten' haar prima te bevallen. 'Ik zit hier in mijn eigen bubbel en ik blijf gefocust', klonk het. Vorig jaar in september ontwierp ze haar eerste collectie, samen met een team van freelance patroonmakers en borduurwerk- en textielontwerpers, die af en toe vanuit hun thuisbasis Parijs of Antwerpen voor een dag naar Deinze kwamen afgezakt. 'Ze waren wég van deze plek. Voor hen voelde het als een fikse teug frisse lucht', zegt ze. In februari, nog voor West-Europa grotendeels in lockdown ging, reisde Meryll Rogge naar Parijs om die collectie voor te stellen tijdens de modeweek: een eclectische mix van breigoed met retrotrekjes (losjes gestreepte wollen sweaters en oversized cardigans), ruimvallende, mannelijk aandoende items (jasjes met twee rijen knopen, broeken in gestreepte wol en met scherpe vouw) en verleidelijke partyoutfits (een strakke zwartfluwelen jurk waarvan de spaghettibandjes versierd zijn met edelstenen, een witleren kokerrok met een duizelingwekkende split). De inspiratiebronnen voor de collectie waren het mondaine nachtleven in New York in het begin van de jaren tachtig en de ietwat melancholische personages die in haar verbeelding tot het ochtendgloren door de straten van de stad dwaalden. Meryll Rogge vergelijkt de eerste fase van een nieuwe collectie - het bedenken ervan dus - met een speurtocht of schattenjacht. In dit geval bestudeerde ze de weinig verhullende topjes en de fit-and-flare-jurken die Chloë Sevigny en Kate Beckinsale droegen in The Last Days of Disco. In die film uit 1998 bracht Whit Stillman hulde aan de New Yorkse clubscene in het begin van de jaren tachtig. Ze vond ook inspiratie in het boek A Double Life (1994) van David Armstrong en Nan Goldin, een collectie van portretten die de twee fotografen maakten van hun vrienden en geliefden. De manier waarop de geportretteerden via hun outfits uiting gaven aan hun individualisme, sprak haar aan. 'Ze omarmden echt alles wat ze droegen en kleedden zich heel spontaan', zo klinkt het. Hun talent om vrouwelijke silhouetten te mixen met geleende mannenkleding, vaak met vintagesnit, rijmt met haar eigen eksterachtige benadering van stijl zoals ze die vastlegde in het lookbook dat bij haar collectie hoort. Voor de foto's, in en rond Antwerpen genomen door de Franse fotograaf Anthony Seklaoui, mixt Rogge contrasterende silhouetten en kleuren tot schijnbaar spontane, verrassende combinaties: een blauwgroen overhemd in glanzend satijn onder een zwartfluwelen topje; een ruige trui in fluogeel en -roze op een witleren rok en met een accessoire dat de ontwerpster zelf bestempelt als haar 'handschoenboa': een sjaal van Italiaanse, felrode, dubbelzijdige duchesse, die op het einde uitloopt in een paar oversized handschoenen. Ondanks de jeugdige energie achter haar label is Meryll Rogge gepokt en gemazeld in de wereld van de luxemode en bezit ze de gave om vertrouwde vormen en modellen om te toveren tot gulle, begeerlijke items. Rustieke, losjes vallende wollen cardigans worden gevoerd met kasjmier of zachte merinoswol. Een jas die tot halverwege de kuit valt, bestaat uit stroken vintagebont. De jas in aardetinten, van zand tot kastanjebruin, werd manueel vervaardigd door een gepensioneerde bontwerker die vroeger voor Chanel heeft gewerkt. En om de rozenprint te ontwerpen die in neongeel of perzikkleur opduikt op haar jurken in viscose, schakelde ze een textielfabriek uit Lyon in, die eigendom is van het luxemerk Hermès. 'Toen Dries in Parijs langskwam om de collectie te bekijken, zag hij het duchessesatijn. 'Ik merk dat je je hebt laten gaan', zei hij', vertelt ze lachend. 'Er zijn veel stoffen die lijken op satijn, maar dezelfde diepe kleur hebben ze nooit.' Sinds ze haar collectie voorstelde, liepen er al bestellingen binnen van winkels zoals Bergdorf Goodman en Net-a-Porter. Maar doordat bijna de hele mode-industrie - van productie tot detailhandel - stilviel door de pandemie, moest ze haar productieschema bijstellen. Wellicht zal haar herfstcollectie pas in september in de winkel liggen. Maar aan het creatieve deel van haar vak is amper iets veranderd: het was altijd al haar bedoeling om in relatieve afzondering te werken. Ooit hopen zij en haar vriend - ontwerper en omgevingspsycholoog Clement Van Vyve - zich zelfs nóg verder van de Europese modehoofdsteden te vestigen. 'Onze ultieme droom? Een eigen plek aan de Atlantische kust, in Spanje of in Portugal, en een aantal mensen van het team dan een week of twee naar ginder laten komen. Mensen opsluiten in een kantoor is volgens mij geen goed idee. It kills the spirit. We gaan proberen om zo lang mogelijk op deze bevrijde manier te blijven werken.'