Sinds 4 augustus 2020, toen de dubbele explosie in de haven van Beiroet een groot deel van de stad verwoestte, staat het leven van Rabih Kayrouz, geboren in het gebergte van Ghazir, op pauze. Zijn wereld werd aan diggelen geslagen. Langzaam geneest hij van zijn verwondingen. Vandaag herleeft hij voorzichtig, met kleine stapjes. 'Ik kan weer glimlachen, voel me iets vitaler nu, maar nog lang niet genoeg', vertelt hij.
...

Sinds 4 augustus 2020, toen de dubbele explosie in de haven van Beiroet een groot deel van de stad verwoestte, staat het leven van Rabih Kayrouz, geboren in het gebergte van Ghazir, op pauze. Zijn wereld werd aan diggelen geslagen. Langzaam geneest hij van zijn verwondingen. Vandaag herleeft hij voorzichtig, met kleine stapjes. 'Ik kan weer glimlachen, voel me iets vitaler nu, maar nog lang niet genoeg', vertelt hij.De ontwerper die als jongeman naar Parijs trok en studeerde aan de Ecole de la Chambre Syndicale de la Couture Parisienne, keerde in 1995 terug naar zijn land en richtte zijn modehuis bijna per toeval op. De ene trouwjurk leidde tot de andere, en de ontmoetingen die daaruit voortvloeiden zorgden voor nieuwe kansen. Het leven was gul voor hem. Vanaf 1997 had hij zijn eigen boetieks en ateliers in de Libanese hoofdstad en vanaf 2008 ook in Parijs. Het modehuis Maison Rabih Kayrouz vierde dit voorjaar zijn twintigste verjaardag zonder feestje, maar met drie hoogtepunten: een defilé in de serre van het Parc André Citroën, een verhuizing naar het sublieme Palais Dagher en een manifest: New Beginning. De couturier was klaar voor een nieuw tijdperk. Hij werkte aan nieuwe ontwerpen, maar zonder thema: 'Dat zou de creativiteit alleen maar beknotten.' Hij blijft altijd trouw aan zijn eerste ontwerpen, die een zekere naïviteit uitstralen. Daarover zegt hij: 'Ik was jong toen ik begon. Als je een techniek niet helemaal beheerst, ben je vrijer, je ziet meer mogelijkheden. Ik had het geluk dat ik klanten had die me daarin vertrouwden. Ik leerde samen met hen. In zekere zin maakten zij de kleren. De elegantie, de stijl, zij brachten dat tot leven. Een kledingstuk wordt altijd door een persoon gedragen en het is mijn taak om die persoonlijkheid vleugels te geven.' Met welk woord, welk beeld zou je het afgelopen jaar beschrijven? 'Ik geloof niet meer dat het jaar eindigt op 31 december. Dit is zo'n onwaarschijnlijk jaar, ik heb er geen woorden voor. We zijn door elkaar geschud. Tijdens de lockdown plooiden we op onszelf terug, een beetje als tijdens een stilte voor de storm. We trokken ons terug om te observeren. Ik probeerde vooral om me niet te laten meeslepen door wat deze golf ecologisch, politiek, economisch en sociaal teweegbracht. Ik probeerde rustig te blijven. Zo leefde ik dit jaar, voor de grote explosie in mijn stad waarbij mijn vrienden en ik gewond raakten. Ook mijn huis en mijn modehuis werden beschadigd. In twee seconden tijd zag ik alles verdwijnen. Ik keek als een vreemde naar wat er gebeurde, het leek of ik er niet bij was. Ik herinner me zelfs niet dat ik pijn of verdriet voelde. Maar ik wist wel meteen dat de afgelopen 25 jaar in Beiroet in één klap werden weggevaagd. Vandaag probeer ik zachtjesaan terug te keren naar... ik weet niet of je het normaal leven kunt noemen, want dat is het niet. Ik denk dus niet dat er op 1 januari een nieuw jaar of een nieuw tijdperk zal beginnen. In Nieuwjaar zit iets kinderlijks, je denkt dat je de klok weer op nul zet. Misschien zorgt dat er ook voor dat je wilt doorgaan. Zoals de cyclus van de seizoenen, de natuur die elk jaar sterft met de herfst en de komst van de winter, maar in de lente een nieuw leven begint en in de zomer weer in volle bloei staat. Misschien beleven we dit alsof het een barre winter is, wachtend op een mooie lente.' In de lente woonde je in je huis in de bergen, in Libanon. Dat gaf rust, zei je. Je trok dus al eerder weg van de mode-industrie, met alle bijbehorende verplichtingen en hectiek? 'Ik had inderdaad al afstand genomen. Intellectueel en inhoudelijk koos ik altijd al graag voor vrijheid en rust, maar soms word ik meegesleept door data, kalenders, modeweken, trends en commerciële beperkingen. In mijn toevluchtsoord vind ik een soort zelfopgelegde kalmte, dieme helpt om na te denken en me de kracht geeft om me niet te laten meeslepen door wat of wie dan ook.' Is daar nog iets van over na de explosies van 4 augustus in Beiroet? 'Het versterkt alleen maar wat ik al dacht: je moet doen wat je graag doet en wat je goed kunt. Ik heb het altijd gezegd, maar niet vaak genoeg, en vandaag wil ik dat bijna uitschreeuwen.' Wat houdt dat in voor jou? 'Ik hou niet van mode, maar ik heb altijd van kleding gehouden. Toen ik klein was, gingen we met onze families naar Jounieh en niet naar Beiroet, want het was oorlogstijd. We gingen erheen voor Kerstmis, Palmzondag, religieuze feestdagen waarvoor we ons goed moesten kleden. Maar denk niet dat we snel snel gingen shoppen. Nee, mijn ouders kochten kwaliteitsvolle stukken. Terwijl ik trendy dingen wilde die ik bij mijn vrienden of neven zag, zoals een T-shirt van Snoopy. Maar niemand kocht dat ooit voor mij. Mijn ouders hielden van kwaliteit en van soberheid. Dat gold ook voor het huis waar ik woonde: er stond niets dat geen nut had, geen snuisterijen, geen versiering. Ik ken de waarde van de dingen.' Wat heb jij van je ouders meegekregen? 'Ik ben net als zij. Ze leerden me om eenvoudig te zijn, om van het leven te houden, om dicht bij de natuur te blijven, om onvoorwaardelijk lief te hebben - het waren geen gecompliceerde mensen. Ik denk veel aan hen, aan mijn grootmoeder die me geleerd heeft om brood te bakken bijvoorbeeld. Ik heb geluk gehad dat ik ouders zoals zij heb gehad. Ik haal er veel kracht uit. Ik hoefde ook nooit opstandig te zijn, voelde me goed bij hen. Wij leefden met onze familie in het moment. Er waren nauwelijks discussies of ruzies, ook niet om spullen, want die waren er niet. Kortom, er was weinig ballast. Daarom ben ik niet iemand die droomt van morgen of blijft hangen in het verleden. Ik leef nu. En die mentaliteit is zeker ontstaan in mijn jeugd. Daarom wil ik ook moderne kledingstukken maken die de tand des tijds doorstaan. Ik ben niet avant-gardistisch, ik word graag modern genoemd, in de mooie zin van het woord: modern blijft en gaat niet uit de mode om later weer terug te komen, dan weer te verdwijnen, enzovoort. Ik hou niet van die cyclus, ik hou van kleding die je wilt houden, doorgeven, dragen.' Vorig jaar vierde je de twintigste verjaardag van je modehuis en kondigde je met vreugde je New Beginning aan. Is die evolutie die je wilt maken vandaag nog relevant? 'Er verandert niets, maar alles evolueert. Ik ben nog altijd gepassioneerd door kleding, wil nog altijd vrouwen kleden en ik wil dat in alle vrijheid blijven doen. Tegelijk ben ik bezig met dé vraag van dit moment: waarom elk seizoen weer een nieuwe collectie maken en de oude achterlaten? Het is bijna oneerbiedig voor de vorige collectie en voor de vrouwen die de stukken dragen. Ik wil deze race vertragen, de tijd nemen om te creëren, om te bewonderen wat we hebben gemaakt. Ik wil dat mijn basisstukken, mijn iconen, blijven bestaan en tegelijk wil ik ook tijd geven aan mijn ontwerpers en naaisters. Werken vanuit respect: voor de stof, de snit, de vrouw die het zal dragen, de fabrikanten, de naaisters en het uiteindelijke kledingstuk.' Je artistieke identiteit wordt bepaald door de twee steden die je hebben gevormd: Parijs en Beiroet. In het midden van de jaren negentig richtte je je modehuis op in Libanon. Waarom trok je in 2008 opnieuw naar Parijs? 'Na mijn studie in Parijs ging ik in 1995 terug naar Beiroet. Het was eigenlijk de eerste keer dat ik die stad echt ontdekte, de vernieuwing was volop aan de gang. Ik wilde er zijn, ik was jong, ik dacht er helemaal niet over om een modehuis te beginnen en moest mijn militaire dienstplicht nog vervullen. Op een bepaald moment ontmoette ik een vrouw die me vroeg om haar trouwjurk te maken, en zo begon het. Ik heb op een heuvel boven Jounieh, in Ghazir, een atelier opgezet en daarna vond ik een appartement in Beiroet, in de rue du Liban, waar toen nog niets was en waar ik mijn eerste salon de couture opstartte. In 2008 wilde ik mijn horizon verbreden. Ook al was ik ondertussen erg bedreven in het ontwerpen van trouwjurken en deed ik dat nog altijd graag, toch besefte ik dat ik het liefst wilde dat mijn klanten altijd in Maison Rabih Kayrouz gekleed zouden zijn en niet alleen op hun trouwdag. Ik wilde prêt-à-porter maken, droomde ervan te verhuizen, Libanon was te klein geworden. Het leek me logisch om naar Parijs te gaan, de stad die een bijzondere plek had in mijn hart en waar ik zoveel geleerd had. Toen belandde ik op een plek met zoveel mogelijkheden: het voormalige Théâtre de Babylone, waar ooit Becketts toneelstuk Wachten op Godot voor het eerst werd opgevoerd, op de boulevard Raspail. Daarna ontmoette ik al die bijzondere mensen met wie ik een team zou vormen: Angelo, Anna Luisa, Constance, Heba, Cécile. Je doet nooit iets alleen. Hala, Nizar, Fawzi, Sophie en Flavie kwamen later bij de 'familie' om van ons modehuis een echte thuis te maken.' Hoe verenig je je oosterse en westerse achtergrond in je werk? En schuurt dat soms? 'Ik wil niet iemand zijn die ik niet ben. Ik ben Rabih Kayrouz, geboren in Libanon, in Ghazir, in de bergen. Toen ik het Oosten verliet, was ik geen stadsmens. Ik trok naar Parijs, een Europese stad, en ik voelde me daar goed, de stad ontving me met open armen. Ik bén die mengeling, ze voedt mij: de poëzie, de sensualiteit, de warmte van het Oosten en de Middellandse Zee, maar ook het strakke, de structuur, de architectuur van een westerse stad. Stadsbewoners amuseren me, bergmensen geven me kracht. Ik koester evenveel bewondering voor een betonnen straat als voor een bos. Ik ben twee culturen. Ik vertaal dat in mijn collectiesdoor de snit van een blazer, die een oosterse souplesse en sensualiteit krijgt en tegelijk een strakke, stadse touch die Europees is. Het is een mengeling van zacht en stevig.' Je hebt een stichting opgericht, Starch, om jonge Libanese ontwerpers te promoten die daar op dit moment grote behoefte aan hebben. Je bent ook de sponsor van de modeafdeling van de Académie Libanaise Des Beaux-Arts. Zal de jeugd ons redden? 'Ik zie in Libanon een nieuwe generatie opstaan na wat we hebben meegemaakt: de economische crisis, de revolutie in oktober, de pandemie en de explosie. Ik voel hun creativiteit in hun werk en in hun strijd. Ik voel een interessante, nieuwe energie bij deze jonge mensen die hebben geleden en die nu willen opbouwen en vooruitkomen. Ik voel het ook in hun creaties, of het nu gaat om designers of modeontwerpers. Er gaat een zekere vrolijkheid van uit. Dat geeft hoop. Zien dat er jonge mensen zijn met een politiek bewustzijn dat we twintig jaar geleden niet hadden, omdat mijn generatie de generatie is die oorlog heeft meegemaakt en met de heropbouw bezig moest zijn. Terwijl de jeugd van vandaag wil meedoen. Ik steun dat: praten is één ding, je moet ook handelen. En deze jonge mensen doen dat.' Zowel tijdens de revolutie als na de verwoesting van je stad gaven de Libanezen blijk van moed en vastberadenheid. Toch hou je niet van het woord 'veerkracht'. 'We willen dat woord niet meer horen, het klinkt als een goed excuus om opnieuw klappen te krijgen. Dit volk geeft niet op: de jongeren, de iets ouderen, de Beiroetse bevolking. De stad is niets zonder hen. Ze kwamen op straat om het puin op te ruimen zonder de hulp van de regering, de politie, politici. Ik ben trots op hen, trots om deel uit te maken van dit volk. Deze explosie is zeker het gevolg van de nalatigheid en incompetentie van degenen die beweren onze leiders te zijn. Geen van hen verontschuldigde zich, terwijl het volk doorgaat met de wederopbouw. Ik wil dat deze kracht een nieuw Libanon en een nieuwe heersende klasse creëert, in plaats van deze verrotte klasse waar we onder lijden. Natuurlijk hebben we ervoor gestemd, maar het is tijd om ervan af te komen. De Libanezen verdienen beter dan dat, ons land verdient beter dan dat.'