De mensen die mij hebben opgevoed, gaven mij een afkeer mee voor oneerlijkheid - zodat ik nu als een onaangepaste rondloop op de wereld.
...

De mensen die mij hebben opgevoed, gaven mij een afkeer mee voor oneerlijkheid - zodat ik nu als een onaangepaste rondloop op de wereld. Neem nu de supermarkt, waar ik mijn leeggoed mee naartoe heb genomen: drie flesjes, goed voor 0,30 euro statiegeld. Ik schuif het ticketje tussen de knip op de kar die is bedoeld voor het vastklemmen van boodschappenlijstjes. Ik hou van sobere winkels, waar ajuinen ajuinen zijn en je niet bekoren in nodeloos veel variëteiten. Ik zet de boodschappen in mijn kar en drentel nietsvermoedend naar de kassa. Daar stel ik vast: mijn leeggoedticket is verdwenen. Het einde van de wereld kun je dat niet noemen, maar niettemin vloek ik. Het gaat om meer dan om die stuiver statiegeld. Niets minder wordt hier op de proef gesteld dan wat mij restte aan vertrouwen in de medemens. Ik tast in broek- en borstzak, verplaats de boodschappen in de kar. Ik kan niet geloven dat het daadwerkelijk weg is. Wie is nu in staat tot zo'n idiote kruimeldiefstal? Een leeggoedticket gappen is zo futiel dat het van een grotere kwaadaardigheid getuigt dan, pakweg, een bankoverval. Het geeft blijk van het verlangen je iets toe te eigenen dat van een ander is, gewoon omdát het van een ander is. Gewoon omdat je het kan. "Kunt u dat nu geloven?", vraag ik aan de mevrouw aan de kassa, die er op een uitgebluste manier moederlijk uitziet. Ik leg de situatie uit. "Dat is niet zo slim van u", zegt zij afkeurend. "Je laat je portefeuille toch ook niet rondslingeren in je kar?" "Het ging maar om drie flesjes", zeg ik nog. "Daar kijken wij allang niet meer van op", haalt zij de schouders op. "U moest eens weten wat wij allemaal zien." Blijkbaar ben ik naïef, dat ik mijn medemens dertig eurocent vertrouwen waard acht. De vrouw neemt mij onderzoekend op. Ze aarzelt tussen de weg van de minste weerstand en de kans om wat spanning te brengen in haar saaie dag. "Ik kan dat ticket nog laten blokkeren", zegt ze listig. "Hoe laat bent u de winkel ongeveer binnengekomen?" Ze haalt er een collega bij. Die begint in de computer de lijst met uitgereikte leeggoedtickets van het afgelopen halfuur uit te vlooien. "Drie flesjes?", vraag ze triomfantelijk. "Hier heb ik het al!" Ik geneer me enigszins. Het was niet mijn bedoeling dat er een klopjacht op touw werd gezet. Maar ergens is het ook wel prettig dat ze die moeite doen. "Uw oorspronkelijke ticketje is nog niet afgegeven aan een kassa", zegt mijn Miss Marple met katachtige blik. "De persoon die het nu in zijn bezit heeft, moet zich dus nog in de winkel bevinden." Ik zou kunnen wachten tot de dader aan de kassa opduikt. Het benieuwt me wel te weten hoe iemand eruitziet die 0,30 euro van je pikt, en tevergeefs dat ticketje aanbiedt. "Pick your fight", zeggen ze echter, en deze strijd is het niet waard. Ik haal mijn tomaten en courgettes uit de kar en bedank de mevrouw voor het geleverde speurwerk. Enigszins luchthartig keer ik terug naar huis. "Zoek de kleine dingen die aan het leven vreugde en voldoening geven", schijnt Confucius te hebben gezegd - al betwijfel ik zijn vertrouwdheid met het concept statiegeld. jean-paul.mulders@knack.be