Ik ben altijd een kind van de rock gebleven. Ik was twaalf toen klasgenoten me David Bowie, AC/DC, Motörhead en Iron Maiden leerden kennen, maar het ging me nooit alleen om de muziek, het was ook hun fuck you naar de goegemeente die me aantrok. Later ging ik met new wave- en punkoutfits zelf de rebelse toer op, maar die tijdgeest is weg. De angst om beoordeeld en uitgesloten te worden is groter geworden, ook in het modebeeld. Mensen die te allen tijde zichzelf zijn en zich echt niets aantrekken van anderen, zijn zeldzaam.
...

Ik ben altijd een kind van de rock gebleven. Ik was twaalf toen klasgenoten me David Bowie, AC/DC, Motörhead en Iron Maiden leerden kennen, maar het ging me nooit alleen om de muziek, het was ook hun fuck you naar de goegemeente die me aantrok. Later ging ik met new wave- en punkoutfits zelf de rebelse toer op, maar die tijdgeest is weg. De angst om beoordeeld en uitgesloten te worden is groter geworden, ook in het modebeeld. Mensen die te allen tijde zichzelf zijn en zich echt niets aantrekken van anderen, zijn zeldzaam. Kapper worden was allesbehalve mijn droom. Als kind zat ik vaak in het salon van mijn mama in Eeklo, maar het was pas toen ik op mijn dertiende een C-attest behaalde dat ik besloot om naar de kappersschool te gaan - niet omdat ik dat zelf zo graag wilde, maar om thuis de pil te verzachten. Mettertijd ontdekte ik dat een kapper niet alleen maar krulspelden draait of permanenten zet, maar met zijn creativiteit mensen echt kan veranderen, en dat trok me aan. Het grootste gevaar van succes is dat je op automatische piloot gaat werken. Je staat aan de top, alles lijkt vanzelf te gaan, waarom zou je iets veranderen? In die zin ben ik blij dat ik in 1997 naar Londen ben getrokken, het mekka van de snitcultuur. Ik kende nauwelijks Engels, moest mijn bezittingen verkopen om uiteindelijk in een schoenendoos te wonen en te knokken om mijn plaats bij Toni & Guy te veroveren, maar ik zal nooit iets als vanzelfsprekend beschouwen. Een van mijn beste beslissingen was om niet naar mijn boekhouder te luisteren. Na tien jaar Londen zat niemand in Antwerpen op mij te wachten, terwijl mijn aanpak hier niet evident was. Een voorafgaande consultatie om de persoonlijkheid en de stijl van de klant te leren kennen, een geometrische snit, een kapper die een patroon tekent voor hij knipt: mijn eerste klanten begrepen er niets van. Bovendien was de mentaliteit hier minder extravert dan in Londen. "Wat zullen mijn collega's zeggen, mijn man?" Het ging over alles, behalve over creativiteit. Het eerste jaar was dus de hel, maar ik wilde het op mijn manier doen, en dat had tijd nodig. Het verleden komt niet terug. Ik ontdekte Londen midden jaren negentig en dus in de glorieperiode van de britpop, maar de ruige concertzalen van toen zijn allemaal weggevaagd door de modernisering. Ook in Antwerpen moeten we opletten om niet op het verleden te teren. We hebben een ijzersterke reputatie in de mode- en de kunstwereld, maar de crowd die daarvoor zorgt, is klein, ook omdat veel jong talent na de modeacademie naar het buitenland trekt. Ik heb altijd voor mijn job geleefd. Vroeger was dat vermoeiend omdat ik de gebruiksaanwijzing van mijn brein nog niet kende, nu kan ik daar beter mee omgaan. Als ik 's nachts een idee krijg, hoef ik maar naar het notitieboekje op mijn nachtkastje te grijpen. In Londen was de impact op mijn sociale leven trouwens nog groter, want daar gaat niemand naar huis zonder een pint in de pub. Daar is dat de plek waar je ideeën uitwisselt, plannen smeedt en deals sluit, en dat mis ik nog altijd. Leeftijd betekent niets voor mij. Ik ben in het salon omringd door klanten die jong van geest blijven, en zo ken ik ook mijn ouders: mijn vader werkt op zijn 72ste nog dagelijks in de horeca, en als het aan haar ligt, start mijn 68-jarige mama zo weer een nieuwe zaak. De quarantaine was een eyeopener. De verplichte sluiting was moeilijk, maar ze deed me ook inzien dat ik al een tijdje op reserve werkte en er door het voortdurende reizen niet altijd ben voor mijn omgeving. Samen met mijn vrouw Justyna heb ik dan ook een keuze gemaakt: ik blijf werken voor Kevin Murphy, maar van de zaak maken we een internationale academie met een online opleidingsplatform en een boetieksalon dat alleen nog een snitcultuur aanbiedt. De grootste zijn is niet belangrijk, zonder compromissen een eigen merk uitbouwen wel. Iedereen krijgt de klanten die hij verdient. Voor mij staat ons vak op één lijn met dat van chef-koks en modeontwerpers, maar het verschil in geloofwaardigheid is enorm. Anderzijds missen veel kappers de technische bagage om artistieke waardering te verdienen. Ik weet dat ik soms te vooruitstrevend ben en de dingen te veel op scherp stel, maar op een bepaald moment gaat het niet meer alleen om jezelf: iemand moet de vinger op de wonde leggen. vanloenhout.be