Bangladesh prijkt op de tweede plaats, na koploper China, van grootste exporteurs van kleding ter wereld. De textielsector is goed voor tachtig procent van de totale exportinkomsten van het land. De kans dat er in je kledingkast items hangen die in Bangladesh geproduceerd zijn is dus heel groot.

Het Bangladesh-akkoord, dat in het leven werd geroepen om kledingfabrieken in Bangladesh veiliger te maken, zou op maandag 31 mei aflopen. De onderhandelingen tussen kledingbedrijven, vakbonden en de Bengaalse overheid verlopen echter zo stroef dat het akkoord met drie maanden werd verlengd. Dit koopt de voorstanders van het akkoord tijd om verder te strijden voor eerlijke ketenzorg.

Wereldnieuws

Toen op 24 april 2013 het acht verdiepingen tellende Rana Plaza-gebouw instortte, lieten meer dan 1100 mensen het leven en werden 2500 textielarbeiders gewond. Tussen het puin werden kledingetiketten gevonden van de westerse modemerken, zoals Primark, die hun kleding hier lieten produceren. De ramp werd wereldnieuws en de onveilige werkomstandigheden van textielarbeiders in Bangladesh werden eindelijk aan de kaak gesteld.

Het werd ook duidelijk dat modemerken niet altijd goed op de hoogte zijn van waar hun bestellingen precies geproduceerd worden en in welke omstandigheden. Het belang van transparante communicatie rond de productieketen wordt sindsdien door verschillende organisaties, zoals de Clean Clothes Campain en Fashion Revolution, in de spotlight geplaatst. Alles begint immers bij correcte informatie.

Verantwoordelijkheid

Na de ramp stelden kledingmerken en ngo's een akkoord op, waarin afspraken werden opgetekend om de omstandigheden in de textielfabrieken te verbeteren. Een tweehonderdtal, voornamelijk Europese, kledingmerken en -retailers, onder andere Inditex (de koepel boven onder meer Zara, Pull&Bear, Berschka en Massimo Dutti), de H&M Group, C&A en Adidas, schaarden zich samen met internationale en nationale vakbondsfederaties achter het Bangladesh-akkoord.

Volgens het akkoord moeten kledingmerken ervoor zorgen dat de fabrieken veiligheidsmaatregelen doorvoeren en hen daarbij financieel steunen. Ook worden fabrieken gecontroleerd door onafhankelijke inspecteurs. De voorbije acht jaar werden ruim 1600 fabrieken geïnspecteerd en is meer dan negentig procent van de vastgestelde veiligheidsgebreken opgelost. De fabrieken die de geëiste verbeteringen niet implementeerden werden uitgesloten van het akkoord, wat inhoudt dat de aangesloten merken hier geen kleding meer inkopen.

Modemerken en fabrieken zijn volgens het huidige akkoord ook verantwoordelijk voor het compenseren van werknemers tijdens de onderhoudswerken die moeten gebeuren als gevolg van de inspecties.

Succesverhaal

Het Bangladesh-akkoord wordt als succesvol beschouwd omdat het een bindende overeenkomst is met echte boetes en straffen voor merken en fabrieken die niet genoeg actie ondernemen. De regering van Bangladesh en de lokale werkgeversorganisatie verklaarden echter dat ze het akkoord niet langer nodig hebben en de inspecties zelf willen regelen. Volgens de Schone Kleren Campagne, medeondertekenaar van het akkoord, willen ook sommige merken de controle overlaten aan een nationaal Bengaals orgaan, waar vakbonden en werknemersorganisaties veel minder in de pap te brokken hebben.

Niet wettelijk bindend

De vervanger van het akkoord is een kledingraad, de Ready Made Garments Sustainability Council. Het bestuur van deze nieuwe kledingraad heeft achttien zetels die gelijk verdeeld zijn over groeperingen die strijden voor arbeidsrechten, internationale merkvertegenwoordigers en fabriekseigenaren, die een groot deel van het politieke establishment van het land uitmaken.

Organisaties die het Bangladesh-akkoord en de overgang naar de kledingraad op de voet volgen, maken zich zorgen. Er is nog heel wat werk aan de winkel en door het akkoord af te schaffen, kunnen betrokkenen de hete aardappel weer doorschuiven in plaats van actie ondernemen en betalen voor verbeteringswerken. In tegenstelling tot zijn voorganger heeft de nieuwe kledingraad immers geen wettelijke bevoegdheid. Vakbondsleiders en non-profitorganisaties zoals de Schone Kleren Campagne zijn dus bezorgd dat de voorwaarden van de raad niet bindend genoeg zijn om merken en fabriekseigenaren te dwingen om de arbeiders te beschermen.

Het Bangladesh-akkoord, dat in het leven werd geroepen om kledingfabrieken in Bangladesh veiliger te maken, zou op maandag 31 mei aflopen. De onderhandelingen tussen kledingbedrijven, vakbonden en de Bengaalse overheid verlopen echter zo stroef dat het akkoord met drie maanden werd verlengd. Dit koopt de voorstanders van het akkoord tijd om verder te strijden voor eerlijke ketenzorg. Toen op 24 april 2013 het acht verdiepingen tellende Rana Plaza-gebouw instortte, lieten meer dan 1100 mensen het leven en werden 2500 textielarbeiders gewond. Tussen het puin werden kledingetiketten gevonden van de westerse modemerken, zoals Primark, die hun kleding hier lieten produceren. De ramp werd wereldnieuws en de onveilige werkomstandigheden van textielarbeiders in Bangladesh werden eindelijk aan de kaak gesteld. Het werd ook duidelijk dat modemerken niet altijd goed op de hoogte zijn van waar hun bestellingen precies geproduceerd worden en in welke omstandigheden. Het belang van transparante communicatie rond de productieketen wordt sindsdien door verschillende organisaties, zoals de Clean Clothes Campain en Fashion Revolution, in de spotlight geplaatst. Alles begint immers bij correcte informatie. Na de ramp stelden kledingmerken en ngo's een akkoord op, waarin afspraken werden opgetekend om de omstandigheden in de textielfabrieken te verbeteren. Een tweehonderdtal, voornamelijk Europese, kledingmerken en -retailers, onder andere Inditex (de koepel boven onder meer Zara, Pull&Bear, Berschka en Massimo Dutti), de H&M Group, C&A en Adidas, schaarden zich samen met internationale en nationale vakbondsfederaties achter het Bangladesh-akkoord.Volgens het akkoord moeten kledingmerken ervoor zorgen dat de fabrieken veiligheidsmaatregelen doorvoeren en hen daarbij financieel steunen. Ook worden fabrieken gecontroleerd door onafhankelijke inspecteurs. De voorbije acht jaar werden ruim 1600 fabrieken geïnspecteerd en is meer dan negentig procent van de vastgestelde veiligheidsgebreken opgelost. De fabrieken die de geëiste verbeteringen niet implementeerden werden uitgesloten van het akkoord, wat inhoudt dat de aangesloten merken hier geen kleding meer inkopen.Modemerken en fabrieken zijn volgens het huidige akkoord ook verantwoordelijk voor het compenseren van werknemers tijdens de onderhoudswerken die moeten gebeuren als gevolg van de inspecties.Het Bangladesh-akkoord wordt als succesvol beschouwd omdat het een bindende overeenkomst is met echte boetes en straffen voor merken en fabrieken die niet genoeg actie ondernemen. De regering van Bangladesh en de lokale werkgeversorganisatie verklaarden echter dat ze het akkoord niet langer nodig hebben en de inspecties zelf willen regelen. Volgens de Schone Kleren Campagne, medeondertekenaar van het akkoord, willen ook sommige merken de controle overlaten aan een nationaal Bengaals orgaan, waar vakbonden en werknemersorganisaties veel minder in de pap te brokken hebben.De vervanger van het akkoord is een kledingraad, de Ready Made Garments Sustainability Council. Het bestuur van deze nieuwe kledingraad heeft achttien zetels die gelijk verdeeld zijn over groeperingen die strijden voor arbeidsrechten, internationale merkvertegenwoordigers en fabriekseigenaren, die een groot deel van het politieke establishment van het land uitmaken.Organisaties die het Bangladesh-akkoord en de overgang naar de kledingraad op de voet volgen, maken zich zorgen. Er is nog heel wat werk aan de winkel en door het akkoord af te schaffen, kunnen betrokkenen de hete aardappel weer doorschuiven in plaats van actie ondernemen en betalen voor verbeteringswerken. In tegenstelling tot zijn voorganger heeft de nieuwe kledingraad immers geen wettelijke bevoegdheid. Vakbondsleiders en non-profitorganisaties zoals de Schone Kleren Campagne zijn dus bezorgd dat de voorwaarden van de raad niet bindend genoeg zijn om merken en fabriekseigenaren te dwingen om de arbeiders te beschermen.