Ik hoor het mijn moeder nog zeggen, in de winter van 1980 : "Die vent heeft al veel zwarte sneeuw zien vallen." Het was zo'n uitdrukking die mij frappeerde, een mooie omschrijving van iets lelijks - zo ongeveer als een engeltjesmaakster.
...

Ik hoor het mijn moeder nog zeggen, in de winter van 1980 : "Die vent heeft al veel zwarte sneeuw zien vallen." Het was zo'n uitdrukking die mij frappeerde, een mooie omschrijving van iets lelijks - zo ongeveer als een engeltjesmaakster. Wie de vent in kwestie was, weet ik allang niet meer, maar ik herinner mij dat het geheimzinnige weersverschijnsel zo tastbaar in mijn geest gestalte kreeg, dat ik mijn handen maar moest uitstrekken om ze te kunnen opvangen : grote vlokken zwarte sneeuw. Ik was twaalf en wist in feite nog niet wat het was, zwarte sneeuw. Het was mij bekend dat er zoiets als armoede bestond, wel zeker, en ik had een buurvrouw dood weten gaan, de oude Marie, maar die was dan ook al 93. Er bestond een heel scala aan zwarte sneeuw waar ik later nog zou moeten achterkomen, en dat varieerde van fijne poedersneeuw tot dikke hagelblokken die dwars door een huis konden vallen om de bewoner, die op dat moment op de benedenverdieping nietsvermoedend een kop koffie stond te drinken, ter plekke dood te slaan. Onbeantwoorde liefdes en zweetvoeten, aambeien en auto-ongevallen, je vrouw die er onverwacht vandoor gaat met de ijskast en de broodrooster, rusteloze benen die je 's nachts beletten te slapen en het in de netten van religieuze bedriegers verstrikt geraken : het valt allemaal onder de noemer 'zwarte sneeuw zien'. Zeker ook de drank, die er altijd wel bij kwam maar waarover in het bijzijn van kinderen geheimzinnig werd gedaan. Daardoor heb ik het lang eigenaardig gevonden dat volwassenen over iemand zegden : "Hij drinkt." Iederéén dronk toch ? Zonder drinken kan een mens niet leven. Blijkbaar was het niet dàt soort drinken dat hiermee werd bedoeld. Het was het drinken van Guido, de echtgenoot van de pennenvriendin (ach, de heimwee die in dat woord ligt besloten, ondanks de sindsdien zo belachelijk tussen gefoefelde 'n') uit mijn moeders tienerjaren. Eén keer per seizoen kwam die op bezoek, in het gezelschap van Guido, van wie gezegd werd dat hij dronk. Ik was twaalf en vastbesloten het drinken van Guido te testen. "Nog een pintje, Guido ?" vroeg ik poeslief, zodra ik zag dat het vorige leeg was. Waarop Guido tot mijn verbijstering ja blééf zeggen. We zaten in de tuin, de zon scheen en mijn moeder vreesde dat ze de een of andere gevaarlijke ziekte onder de leden had, ik heb het nooit anders geweten. En Guido zat daar maar onder de dennenbomen en hij rookte en hij dronk. Hij dronk tot het bierkrat bijna leeg was en hij uiteindelijk naar het toilet waggelde en alsnog kotste, iets wat mij teleurstelde in hem. Ongeveer in dezelfde periode was daar het tragische verhaal van Tony, de buurman van mijn grootmoeder die zo aan de drank was, dat hij zelfs een fles ontstoppingsmiddel soldaat maakte. Hij werd ijlings naar het ziekenhuis afgevoerd, waar geen hulp meer kon baten. Het gebeuren werd aan mij voorgesteld als een pijnlijke vergissing van een man die zoveel dorst had te lessen, dat hij in zijn haast zelfs vergif aan de mond had gezet. Ik geloof dat mij werd wijsgemaakt dat de droogte in zijn keel te wijten was aan het eten van te veel paprikachips de avond tevoren. Hoeveel keren ben ik zo als kind in het ootje genomen ? Toen er uit het appartement boven het onze smartelijke geluiden kwamen, zei mijn grootmoeder dat die veroorzaakt werden door onze buurman Muys, die zijn ringbaard probeerde af te scheren, wat zoals bekend erg pijnlijk was ingeval van stugge haren. Vele jaren later pas begrijp ik dat de klaaglijke geluiden veroorzaakt moeten zijn geweest door seks, en kan ik alleen maar de brille en de tegenwoordigheid van geest bewonderen waarmee mijn grootmoe het verhaal over de pijnlijke scheerbeurt verzon. Ik geloofde het, en voelde zelfs medelijden met die arme mijnheer Muys. Later is hij naar een villawijk verhuisd maar of hij daar gelukkig is geworden, weet ik niet. Ik durf hem niet op te zoeken om het hem te vragen, omdat het verhaal van de baard hem al te bizar zal lijken en omdat ik contact met mensen die ik dertig jaar niet meer gezien heb in het algemeen schuw. Het confronteert mij te direct met de teloorgang die ons allen te beurt valt, of we zwarte sneeuw hebben gezien in ons leven of niet. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders