Zondag 16 juli: Donker Dakar

Annemie : Aankomst in Dakar, in het holst van de nacht, met mijn oudste dochters. Het is hun eerste reis buiten het oude, vertrouwde Europa en alles is nieuw voor hen. Hun eerste vlucht. De zwoele, tropische nacht. De chaos op de luchthaven. Buiten staat een grote, zwijgzame man in een wit gewaad ons op te wachten. Het is Oussé, die ons naar het Baobabhuis brengt. Dat is een initiatief van de Belgische vzw Baobab, die microkredieten verleent aan Senegalezen die zelf een zaakje willen opstarten. Op die manier heeft Oussé zijn eigen taxi aangekocht. Ik ben gelukkig, omdat ik een week lang met mijn dochters zal optrekken.
...

Annemie : Aankomst in Dakar, in het holst van de nacht, met mijn oudste dochters. Het is hun eerste reis buiten het oude, vertrouwde Europa en alles is nieuw voor hen. Hun eerste vlucht. De zwoele, tropische nacht. De chaos op de luchthaven. Buiten staat een grote, zwijgzame man in een wit gewaad ons op te wachten. Het is Oussé, die ons naar het Baobabhuis brengt. Dat is een initiatief van de Belgische vzw Baobab, die microkredieten verleent aan Senegalezen die zelf een zaakje willen opstarten. Op die manier heeft Oussé zijn eigen taxi aangekocht. Ik ben gelukkig, omdat ik een week lang met mijn dochters zal optrekken. Josefien : Het is nacht in Senegal en ik begrijp niet dat er nog zoveel mensen op straat rondlopen. Volgens Oussé is dat normaal, maar zo normaal vind ik dat niet. Mijn eerste indruk is dat alles anders is dan in dat kleine, rijke België. Donkere mensen die lachen en roepen. Een taal die ik niet versta. Krotten waar mensen in slapen. Mooie, jonge meisjes die aangesproken worden door een groep mannen. Wat gaat er gebeuren ? Gelukkig valt onze kamer goed mee. We hebben een proper bed, een badkamertje en water. Na het ontbijt vertrekken we met een jeep-camion. We zijn nu met tienen : een chauffeur, onze gids Justin en een ander Vlaams gezin met drie kinderen : Bram (12), Thomas (10) en Eva (7). De rest van de week zullen we samen doorbrengen. Eerst rijden we door Dakar, een stad waar ik helemaal stil van word. In vergelijking met België lijkt alles onderontwikkeld. Mensen leven in krotjes, kinderen dragen vieze en gescheurde kleren, vrouwen met baby's op hun rug torsen zware pakken op hun hoofd. De baby's hangen met hun hoofdje gevaarlijk uit de draagdoek. Mannen staren ons aan alsof we wezens van een andere planeet zijn (wat we eigenlijk ook zijn). Vuilnis ligt aan de kant van de weg. Gammele busjes puilen uit van de passagiers. Graatmagere paarden worden als trekdieren gebruikt. Ik voel mij hier niet op mijn gemak, en ben blij als we eindelijk de stad uit zijn. Dan wordt gelukkig alles anders. De mensen die we nu tegenkomen, lachen en wuiven, en de natuur is fantastisch. Plots rijden we langs een meer met rood water, stel je voor. Johanna : Lac rose (of Lac Retba ) is een groot zoutmeer, en de roze kleur ontstaat door de werking van speciale bacteriën in het water . De vrouwen lopen zomaar het water in om het zout in grote manden te scheppen. Allemaal hebben ze huidwonden door de bijtende werking van het zout. Naast de zoutwinning is dit meer ook bekend als eindpunt van de fameuze rally Parijs-Dakar. Terwijl we naar het rode water kijken, laat onze chauffeur de banden van de vrachtwagen een flink stuk leeglopen. Zo kunnen we gemakkelijker op het strand rijden. Op de vloedlijn - half in zee, half op het strand - rijden we naar Saint-Louis. De wind in mijn gezicht, het opspattende water, picknicken op het strand. Aperitief, broodjes én dessert. Alles is super ! In totaal rijden we zo'n 250 km langs op de vloedlijn, langs kleine vissersdorpjes waar kinderen en volwassenen enthousiast naar ons wuiven. Nu weet ik hoe Filip en Mathilde zich voelen als ze urenlang naar mensen moeten zwaaien en lachen. Het is leuk, maar ook vermoeiend. Pas als het donker wordt, komen we aan in Saint-Louis, de vroegere hoofdstad van Senegal. In La Maison Rose, een sprookjesachtig hotel (vroeger was het een koloniaal havengebouw, nu een beschermd monument) worden we op djembégeroffel en mangosap getrakteerd. In onze kamer voelen we ons prinsessen. Ons terrasje komt uit op een binnenplaats vol tropische planten en zonder dak. Als ik daar, in het donker naar boven kijk, zie ik miljoenen sterren. Josefien : 's Ochtends rijden we met paard en kar door Saint-Louis. Vroeger was dit eilandje bekend om de slavenhandel, nu is het een gezellig stadje dat tot Werelderfgoed is uitgeroepen. In het noorden van de stad wonen de christenen, in het zuiden de moslims, die vormen hier een grote meerderheid. We zitten samen in één kar met Justin die ons enkele woordjes Wolof (de taal van hier) leert. We zijn allemaal dol op Justin. Met ons, de kinderen, zorgt hij voor gekte en ambiance, en met de volwassenen hoor ik hem ook over ernstige dingen praten. Justin : Overleven in Afrika blijft ontzettend moeilijk. Daarom wil haast elke Senegalees het land uit. Elke dag opnieuw worden hier grote prauwen gebouwd, uitgerust voor honderd man. De prijs voor een overtocht naar de Canarische Eilanden bedraagt duizend euro. Reken maar uit. Dat is een goudmijn voor de mensen die zo'n overtocht organiseren. Elke vluchteling weet dat hij vijftig procent kans heeft op geluk, en vijftig procent kans op de dood. Dat risico neemt hij. Want als de overtocht lukt, vindt hij meestal wel zijn weg naar een of ander familielid in Europa. En als hij na enkele jaren terugkomt, heeft hij meestal voldoende geld om een huis te bouwen dat groter en hoger is dan dat van zijn buren. "En jij ? Denk jij soms aan vluchten ?"Justin : Neen, want dankzij het toerisme heb ik niet alleen een behoorlijk leven, maar ook een toekomst. ( lacht) En dat geldt ook voor Saint-Louis. Johanna : 's Avonds, op het strand, krijgen we djembéles van een goedlachse man. Met de blote voeten in het zand en dan alles geven tot je handen rood zien en pijn doen. Dat helse geroffel maakt dat alle Bob Marleys uit de buurt bij ons komen zitten, hun rasta's wapperend in de wind. Een andere man leert ons Afrikaans dansen. Wat hebben ze hier een vreemde dansstijl. Heel kort en hevig springen op het ritme van de trommels. Heel wat mensen lachen zich een breuk als ze ons zien dansen, maar geven ons daarna toch complimentjes. Johanna : De koranschool in Saint-Louis is een betonnen gebouw van drie verdiepingen hoog. Het lijkt wel een ruwbouw van bij ons. Geen glas in de ramen, muren zonder bepleistering, geen vloeren. In elke ruimte zitten honderden kinderen van drie tot vijfentwintig jaar oud. En allemaal dreunen ze de koranverzen op die op houten plankjes geschilderd staan. Duizend vierhonderd (!) leerlingen zitten hier in grote groepen, dicht op elkaar gepakt. Alle meisjes zijn gesluierd, alle jongens bijna kaalgeschoren. De grote maraboet is trots op zijn school, en straalt veel macht uit. De leraren kijken hem met angst in de ogen aan. Hij hoeft maar met zijn vingers te knippen en de honderden kinderen zijn muisstil. Trots vertelt hij dat dit een van de bekendste koranscholen van West-Afrika is, en dat zelfs kinderen uit Europa hier les komen volgen. Als ik deze school met mijn eigen school vergelijk, snap ik dat echt niet. Hier zijn zelfs geen banken of stoelen, geen bord en krijt, geen schriften en pennen. Josefien : Na het zwemmen gaan we naar een dorpje in de brousse. Daar neemt de dorpschef ons mee naar de speelplaats (een grote zandvlakte, meer is dat niet), waar ik word overrompeld. De dorpelingen hebben stoelen klaargezet waar wij als eregasten mogen plaatsnemen. Op de schoolbanken (die ze in een grote cirkel hebben gezet) zitten de moeders en de kinderen. Niet zoals bij ons, twee per twee. Neen, hier zitten ze met tienen te wringen op één bank. Dan beginnen de kinderen, van klein tot groot, voor ons te zingen en dansen. Wat een ambiance. Ik ben vrolijk en superblij, en wil op dit moment nergens anders dan hiér zijn. Bijna vraag ik mij af of ik in Afrika zou willen wonen. Op het einde komen de speeches : van de dorpschef, de schooldirecteur, Justin, en ook mama moet een toespraak houden. Daarna moeten wij, de kinderen, laten zien hoe goed we al Wolof kunnen praten. Gelukkig heeft Justin ons al heel wat woordjes geleerd : tank (voet), lokho (handen), nope (oor), bakén (neus), bat (hals), beut (oog), guémine (mond). Johanna : Met een pirogue, een typische boot van hier (lang, smal en met felle kleuren) varen we naar de Langue de Barbarie , een schiereiland vlak bij Saint-Louis. Deze smalle duinenstrook tussen de zee en de Senegalrivier is beschermd natuurgebied met duizenden vogels. Justin noemt Vlamingen trouwens Flamingo's. In een restaurantje naast de zee, onder een enorm tentzeil, vallen we allemaal in slaap. Wat later trekken we met quads de woestijn in, naar een plek waar geen jeep of truck ooit kan komen. Ik zit bij mama achterop, maar ze rijdt zo slecht (remmen, stoppen, remmen, stoppen) dat ik de hele tijd doorheen wordt geschud. Als we even stoppen, word ik overdonderd door het prachtige, fantastische, oogverblindende uitzicht. We staan op een hoge zandberg, en kijken uit over een landschap dat zo mooi is dat ik het niet kan beschrijven. Misschien lijkt het nog het best op de landschappen uit De leeuwenkoning. Nog leuker wordt het als ik zelf mag rijden met mama achterop. Ik vertrek heel zachtjes én zonder schokken. Het is zalig om zelf door de mooiste landschappen te kunnen rijden. Blijkbaar voelt mama zich veiliger bij mij dan bij zichzelf, want ik mag chauffeur blijven ( haha). Stel je voor, tijdens onze tocht komen we zelfs apen en een hele kudde dromedarissen tegen. Zoiets kun je je in België toch niet voorstellen. Josefien : In Guet N'dar, de visserswijk van Saint-Louis, zijn we uitgenodigd op een dorpsfeest met dans en muziek. Eén man danst alsof hij de duivel in zijn lijf heeft. Met de benen hoog in de lucht en de armen breed zwaaiend, nodigt hij de dorpsmeisjes uit om mee te doen. Plots duikt er een enge man op, bijna naakt, vol schelpen en witte verfstrepen. " Le lion", gillen de mensen. Ik vind hem angstaanjagend, maar hij loopt recht op mij af en trekt mij mee om met hem te gaan dansen. Ik wil niet, ik ben bang, maar dan breekt de Senegalese furie in mij los. Heftig, kort en krachtig spring ik in het rond en sla ik met mijn armen. Ik weet niet meer wat ik doe, maar één ding is zeker : het lucht ontzettend op. En als ik eindelijk stilval, juicht iedereen mij toe. Dan komt er onder luid gekrijs een grote, zwarte vrouw met een heel dikke poep naar voren. " La dance du ventilateur," gilt iedereen. Met wijd gespreide benen draait de vrouw haar billen naar ons toe en begint er razendsnel mee te schudden en te draaien. Op en neer, op en neer, sneller en sneller. Iedereen lacht en roept en gilt, en ik moet zeggen : ik heb nog nooit in mijn leven iemand gezien die zo snel en zo goed met haar achterwerk kan shaken. Josefien : Na een lunch à la Sénégalaise (dat betekent : met de handen eten, in een kring op de grond) vertrekken we met de vrachtwagen naar le désert de Lompoul, een woestijngebied tussen Saint-Louis en Dakar. In de boekjes ziet de woestijn er mooi uit, maar in werkelijkheid is ze nog honderd keer mooier. Omdat het al begint te schemeren, ren ik de hoge zandbergen op en laat ik me weer naar beneden rollen. Overal is zand, zand, zand, en in het licht van de ondergaande zon kleurt alles warm en wonderlijk rood. Onze tent is primitief, maar wel gezellig. Drie matrassen met een muskietennet, en nog een beetje plaats voor onze bagage. Een eindje van onze tent staat een broussedouche : daar kun je in de open lucht douchen met je voeten in het zand. 's Avonds wordt er alweer getrommeld en muziek gemaakt, en ik ben bang dat ik opnieuw moet dansen (al vond ik dat vorige keer zo geweldig). Mama zegt me dat er niets is om bang voor te zijn, want het is hier fantastisch en zo'n nacht in de woestijn maken we nooit meer mee. De schrik valt stilletjes van mij af, en tot mijn eigen verbazing begin ik samen met de zwarte vrouwen de ventilateur te dansen .Josefien : Vandaag gaan we op dromedaristocht. Als ik de anderen zie opstijgen, doe ik bijna in mijn broek van het lachen. Tot het mijn beurt is natuurlijk, want mijn beest zit vervaarlijk te roepen terwijl er groen slijm (!) uit zijn bek loopt. " J'ai peur," jammer ik tegen de Senegalese dromedarishoeder, maar hij begrijpt geen Frans. Tijdens onze tocht merk ik gelukkig dat die dieren aan elkaar vasthangen. Dus denk ik : mijn dromedaris zal er wel niet op zijn eentje vandoor gaan. Later, onderweg naar Dakar, stoppen we nog even in het dorpje Lompoul. Een zwangere vrouw trekt met een grote bidon water uit een put. Ze heet Mama en maakt grapjes met mijn mama. Annemie : "Weet je waarom Afrikaanse vrouwen zulke grote borsten en billen hebben ?" grapt de vrouw aan de waterput. "Kijk maar hoe wij water uit de put halen. Voorovergebogen, met de billen achteruit. Zo oefenen wij de hele dag onze borst- en bilspieren." Ik lach om haar grapje, en ze neemt mij mee naar haar huis. Een lemen hut, een rieten dak, een slapende man op de grond, wat eenvoudige huisraad. "Wanneer komt de baby ?" fluister ik. "Binnenkort. Nog enkele weken of maanden.""Heb je een goede man ?""Een man zoals alle mannen," lacht ze, "hij houdt mij goed bezig, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar ik laat hem begaan. Nog liever sta ik dag en nacht voor hem klaar en werk ik mij kapot dan dat hij er een tweede vrouw bijneemt."En dan komt haar onvermijdelijke vraag : "Heb je niet wat geld voor mij ?""Neen," zeg ik met een blik op haar blote voeten. "Maar als je wilt, krijg je mijn schoenen."Mijn zwarte slippers zijn stevig en comfortabel, maar zien er stilaan afgedragen uit. Als ik ze nu niet weggeef, zal ik ze thuis nog nauwelijks dragen. De vrouw vliegt me om de hals. "Hoe heet je ?" wil ze weten. "Anne-Marie", zeg ik gemakshalve. "Als mijn kind een meisje is, zal ik haar Anne-Marie noemen. En als het een jongen is ook." "Geen sprake van", protesteert haar man die slaperig uit de hut komt. "Een jongen krijgt een andere naam.""Oké", lacht de vrouw, maar in mijn oor fluistert ze nog snel : "Ik weet zeker dat het een meisje wordt."Door Annemie Struyf / Foto's Johanna en Josefien Struyf