Bédoin, juli 2008
...

Bédoin, juli 2008 we hebben elkaar nog nooit gesproken, maar deze middag zijn mijn gedachten op het terras van Le Grillon in Bédoin vaak bij u geweest. Het is lastig parkeren in het dorpje op de zuidflank van de Mont Ventoux : de fietsers komen er met de auto. Maar het is er ook zalig zitten in de schaduw onder de platanen, vanwaar ik de fietsers rechtsaf zie draaien om de 21 kilometer lange klim naar de top aan te vatten. Ik weet niet wat me in het wielrennen boeit, maar de strijd van de man en zijn eenvoudige machine met de zonovergoten hellingen heeft iets heroïsch en daarom ben ik een trouwe lezer van het kwartaalblad De Muur, waarin de prestaties van de beste renners op literaire wijze in beeld worden gebracht. Aan de uitrusting van de vrijetijdsfietsers kan het alleszins niet liggen. Die zijn immers alle in een truitje met schreeuwlelijke kleuren en namen van obscure verzekerings-maatschappijtjes gestoken. Ook de fietsers zelf getuigen van weinig elegantie, met hun veel te blanke, ongeschoren benen, het hoofd niet zelden in een al even lelijke bandana gestoken. Komen de tijden waarin René Lacoste in een elegante, witte, lange broek en Suzanne Langlen in een sierlijk bewegende lange rok tennis speelden dan nooit meer terug ? De eerste fietser die ik zie, is in een overwegend zwart shirt gestoken en is net de berg afgedaald. Aan de fontein tegenover het restaurant Portail de l'Olivier wordt hij door familieleden omringd. C'était dur ? vraagt een vrouw van middelbare leeftijd en nog voor de rijder kan antwoorden wordt hij door een oudere dame met een andere vraag geconfronteerd. Tu t'es arrêté ?De rijder in het zwart antwoordt niet, hij schept met twee handen een kom water uitde fontein, baadt het gezicht in het koele water en staart voor zich uit. Hij zwijgt, terwijl andere vragen volgen en ik me gegeneerd van hem afkeer. Even had ik nog met de gedachte gespeeld om bij de fietsenhandel een rijwiel te huren (30 euro voor een alu exemplaar, 40 euro voor een vehikel in carbon) maar een mens moet zijn beperkingen kennen. De een probeert bergop te fietsen, de ander een beetje te schrijven. Na de lunch rij ik met de auto de berg op en passeer de mannen en vrouwen die ik eerder heb gezien, meestal alleen, en vechtend tegen de hitte, de helling en de vermoeidheid. Enkelen stappen te voet, de fiets aan de hand. Anderen beklimmen de berg tot drie keer na elkaar, waarbij ze ook langs Malaucène en Sault passeren, de twee andere startplaatsen. En één verbeten zonderling moet dat ooit elf keer na elkaar gerealiseerd hebben. De dorpelingen spreken van les cinglés, de getikten, maar ik zal me niet laten verleiden om een oordeel uit te spreken. De mens blijft ondoorgrondelijk, de drijfveren van zijn daden al evenzeer. Aan het eind van de middag, op het terras van de Cercle Républicain in Gordes, overvalt de vraag me of die heren (m/v) dan geen vrouw hebben met wie ze hun vrije tijd doorbrengen, onder het genot van een stevige fles wijn. En vooral wat een werkeloze halfgod als u nu in zijn vrije dagen in godsnaam uitspookt met al dat talent en die onaangesproken energie. En of er ooit een dag komt dat u opnieuw de vleugels uitslaat als op die gezegende middag in 1999 op de hellingen van La Redoute . Eén keer maar. Pour le plaisir des yeux. Pierre Darge spoort zestien weken snel en ecologisch met de tgv naar het Franse zuiden om er verslag te doen van het leven aldaar. www.nmbs.be Zijn elfde brief is aan wielrenner Frank Vandenbroucke gericht.