Wie tegenwoordig een verhalenbundel met de titel ?Vrouwen en hun lichaam? ter hand neemt, moet al van een andere planeet komen om niet te veronderstellen dat het om een portie erotische lectuur gaat. Maar wie met dit soort verwachtingen de onlangs bij Meulenhoff verschenen bloemlezing met gelijknamig opschrift openslaat, staat een teleurstelling te wachten. De vrouwelijke auteurs schrijven wel over hun eigen lichaam, maar meestal is daar iets mis mee, en zijn ze er ontevreden of ongelukkig over, of in sommige gevallen zelfs doodongerust.
...

Wie tegenwoordig een verhalenbundel met de titel ?Vrouwen en hun lichaam? ter hand neemt, moet al van een andere planeet komen om niet te veronderstellen dat het om een portie erotische lectuur gaat. Maar wie met dit soort verwachtingen de onlangs bij Meulenhoff verschenen bloemlezing met gelijknamig opschrift openslaat, staat een teleurstelling te wachten. De vrouwelijke auteurs schrijven wel over hun eigen lichaam, maar meestal is daar iets mis mee, en zijn ze er ontevreden of ongelukkig over, of in sommige gevallen zelfs doodongerust. In vier van de elf verhalen leveren vrouwen strijd met een of andere vorm van kanker. In ?Ogentroost? beschrijft Nelleke Noordervliet aangrijpend hoe ze worstelde met een oogtumor, en vooral hoe onmogelijk de opdracht was zichzelf te accepteren met ?een uitpuilend oog?. Ga haar niet vertellen dat de inhoud telt en niet de vorm, of dat schoonheid van binnen komt. Dit soort beschouwingen doet ze af als flauwekul. En dan al die goedmenende mensen die sussende woorden spreken. ?Valt best mee.? Of : ?Wij zíen het niet eens meer.? Noordervliet had er geen boodschap aan. Haar oog stond altijd in de weg. Bij elke communicatie, bij elk oogcontact was zij er zich van bewust dat de ander dat oog zag, en dat de gevoelens van die ander voor haar altijd doorkruist werden door een lichte afkeer of nieuwsgierigheid. ?Weg argeloosheid en vertrouwen, weg recht op liefde.? Deze schrijfsters vertellen elk op hun manier over de complexe relatie met hun eigen lichaam, dat meer dan eens als te dik of te dun wordt ervaren. De een schrijft al lichtvoetiger dan de ander, de een kampt ook met een groter probleem dan de ander. De beschrijving van een chemotherapiekuur kan bezwaarlijk vrolijke lectuur genoemd worden. Toch zullen mensen die zich dagelijks voor de spiegel ergeren aan een al dan niet vermeend mankement (en wie heeft niét een pukkel, een haar, een welving of een kromming op de verkeerde plaats ?) zichzelf glimlachend herkennen in deze vaak openhartige getuigenissen. En misschien zullen ze zelfs besluiten dat het met henzelf nog zo erg niet is gesteld. Zo is ?Lach maar?, de bijdrage van Patricia Stevens, in meer dan één opzicht lezenswaardig. Als vrouw van bijna vijftig raakte ze geobsedeerd door beginnende rimpels boven haar mond. De verticale geultjes hebben in haar hoofd de afmetingen van ravijnen, en roepen vooral het schrikbeeld op van haar tachtigjarige tante Olga bij wie de lipstick langs die geultjes naar boven kroop. O ramp, was dit het lot dat haar te wachten stond ? Licht hilarisch beschrijft ze haar pogingen om van die ravijnen af te komen. Chemische peeling ? Collageeninjecties ? Uiteindelijk werd het een peeling met zuur. Niet alleen moest ze bij het verlaten van het ziekenhuis haar gezicht verbergen achter een tijdschrift vanwege de resterende ?melksnor?, bovendien bleek na enige tijd dat de behandeling niks had uitgehaald. Maar haar obsessie was wél weg, zeker na ontvangst van de rekening. Ze besluit dan maar dat die rimpels nu eenmaal bij haar horen en dat er niks meer aan te doen is. Meer nog dan aan het verouderingsproces wijt Patricia Stevens de rimpels op haar gezicht aan overmatig zonnen in haar jonge jaren. Sinds de huidarts haar een paar jaar geleden vertelde dat op haar linkerschouder een basale-cellen-carcinoom zat, schuwt ze de zon als de pest. ?Maar toen was het al te laat?, schrijft ze. Het carcinoom kon worden behandeld, de rimpels waren er en bleven er. In de jaren zestig, toen ze alsmaar in de zon lag, had ze wel gehoord dat je rimpels kreeg van de zon, en van roken ook, maar dat had haar niet van deze geneugten weggehouden. ?Vaak bakte en rookte ik tegelijk. (...) Ik heb honderden, duizenden uren verspild met in de zon te liggen roosteren, en al geef ik het niet graag toe, ik voelde me lekker, zo bruingebrand.? Nu vraagt ze zich af waarom : ?Dacht ik echt dat ik zo een goede man zou vinden ?? Met heimwee terugdenkend aan de superkorte afgescheurde spijkerbroek van weleer, ziet ze op de eerste zonnige voorjaarsdag van het jaar dat de geschiedenis zich herhaalt. ?Prachtig !? vindt ze die jonge vrouwen, met hun rimpelloze huid en hun cellulitisloze dijen, maar als ze hen ziet liggen ?als worstjes op een grill?, heeft ze af en toe de neiging om hen te zeggen : ?Kijk eens wat er gebeurt terwijl je je tijd verspilt. Je krijgt rimpels. Kijk maar.? Maar ze doet het nooit. Wat zouden die meiden wel denken ? Van die rimpelige oma die alleen nog met een spijkerbroek tot aan haar enkels de deur uitdurft ? Jo Blommaert Illustratie : Sandra Schrevens