De stad gloeit in de zon, ik dartel over het trottoir en kom een vriend tegen. We tronen elkaar mee naar een terras. We prijzen onszelf en elkaar gelukkig en drinken op het goeds dat ons te wachten kan staan.
...

De stad gloeit in de zon, ik dartel over het trottoir en kom een vriend tegen. We tronen elkaar mee naar een terras. We prijzen onszelf en elkaar gelukkig en drinken op het goeds dat ons te wachten kan staan. We hebben het over onze kinderen, het tennistoernooi van de een en de orkeststage van de ander, en in de ronde van onze tieners draait plots een kind van Sarajevo mee, het meisje met het bloedende oog of helemaal geen rechteroog meer dat we op een krantefoto leerden kennen. De moeder knelde het kind in haar armen en rende ermee naar het ziekenhuis. Het meisje droeg een ringetje, zo'n dingetje dat mijn dochter ook zou willen. "Ik ben ziek van Bosnië", zegt mijn vriend, een man die het wel en wee van de wereld volgt vanuit een hoofdkwartier van Amnesty International. Over de hoofden van de vechtende partijen heen richt hij zijn geschut naar de internationale organizaties en politieke leiders die besluiteloos palaveren, in naam van ons allemaal, die machteloos toekijken. Op het soldaat, potentaat, psychopaat spelen dat escaleert en escaleert, zonder dat een wijzere buitenstaander intervenieert. Het is alsof het kind van Sarajevo aan ons tafeltje komt zitten. Het is alsof we weer in de jaren zeventig zijn, toen tussen vakantiegangers op het strand een Vietnamees werd neergelegd die bloedde uit de vele kogelgaten in zijn magere lijf. Naast de man dabde een peuter in het zand, aan zijn andere kant lag een vrouw met een minieme bikini te soezen. Haar breedgerande zonnehoed legde een schaduw over haar gezicht, de driehoekige zonnehoed van de Vietnamees was van zijn hoofd gegleden. "Vakantie 1972" stond tussen de schelpjes en zeesterren gedrukt, want ik heb het over de cover van een weekblad, een tekening van Gal. Hij hekelde de onverschilligheid van de zorgelozen en prentte het rake beeld onuitwisbaar in mijn geheugen. Mijn vriend en ik bekijken het meisje van Sarajevo vol medeleven, en gruwen om het lot van de doden, gevangenen en vluchtelingen van Srebrenica. Maar we weten geen blijf met onze betrokkenheid, geraken niet veel verder dan de vergelijking van de plaatselijke en menselijke belangen in Bosnië met de internationale en materiële belangen in Koeweit, moeten ervandoor, naar onze dagelijkse zorgen, boeiende bezigheden. Thuis wacht me een prentkaart van een vriend die het wel en wee van de wereld volgt vanuit de redaktielokalen van een krant, maar nu met zijn vrouw Vietnam bereist. "Vietnam anno 1995 is ongelooflijk innemend en prachtig", schrijft zij. "Je moet zo dom zijn als een Fransman of een Yank om te denken dat je de mensen hier iets anders kan laten doen, laat staan denken, dan wat ze zelf willen", oppert hij. Moet de wereld de Balkanvolkeren dan hun gang laten gaan ? Ze hebben zoveel weet van leed en vervolgen toch hun vendetta. Ik beeld me in hoe me ooit op een prentkaart wordt bericht hoe prachtig Sarajevo is, anno zero. BRIGITTE RASKIN