Het gebeurt me weinig, maar ik was meer dan een uur te vroeg voor een afspraak. Dus zat ik alleen in het café aan het raam, te soezen door het serre- effect. Ik roerde in mijn thee, vastbesloten me deze keer noch te verbranden, noch opgescheept te zitten met net-te-lauwe vloeistof. Een doelstelling die me helemaal opslorpt. Theedrinken vereist een concentratie die je helemaal ontspant. Ik zat boven mijn dampende kop, in de wolken.
...

Het gebeurt me weinig, maar ik was meer dan een uur te vroeg voor een afspraak. Dus zat ik alleen in het café aan het raam, te soezen door het serre- effect. Ik roerde in mijn thee, vastbesloten me deze keer noch te verbranden, noch opgescheept te zitten met net-te-lauwe vloeistof. Een doelstelling die me helemaal opslorpt. Theedrinken vereist een concentratie die je helemaal ontspant. Ik zat boven mijn dampende kop, in de wolken. En plots liep je daar. Zoals je altijd al liep, de neus vooruit, alsof hij de rest van je lichaam wou meesleuren. Armen en benen die liever in mijmeringen bleven hangen, dan op pad te gaan naar nieuwe avonturen. Die tegenkrachten zorgen ervoor dat je vertraagd lijkt te bewegen, ondanks je onmiskenbaar stevig staptempo. Ik had je al zo lang niet meer gezien. Maar net als fietsen, verleer ik je niet. Of toch? Anders dan vroeger, ruiste er niets in mijn lijf. Geen versnelde hartenklop, geen speeksel dat plots doorgeslikt moest worden. Zelfs mijn huid bleef vlak. Dat was ooit anders. Ooit was jouw glimp, geur of gedachte genoeg om mijn zintuigen te laten verstillen - heel even, om dan in een oorverdovend gejuich uit te barsten. Mijn vingertoppen herinnerden zich dan prompt de stoppels op je kaaklijn, mijn tenen haastten zich te vertellen hoe ze het draagvlak werden van mijn hele gewicht, om je zo te kunnen kussen. Mijn neusvleugels fladderden onstuimig rond in de madeleinegeur van je oksels en mijn ogen sloten zich vanzelf terwijl mijn lippen gelijktijdig van elkaar gingen, geopend bij de gedachte aan het prevelen van je mond tegen de mijne. Dat was toen. Nu blijft het stil in mijn hart, hoofd en lijf. Mijn handen trillen niet rond mijn thee. Mijn ademhaling wordt niet gejaagder - prooidier en stroper tegelijkertijd. Je beent door het decor van mijn leven, niet langer met de volgspot, geen cruciaal deel van het schouwtoneel. Hoe vreemd, dat iemand die ooit zo belangrijk voor me was, van protagonist tot figurant degradeert. Degene die ik het eerst belde als ik ongelukkig was, of juist doldwaas blij. Hoe kan iets, dat toen elke vezel van mijn leven vervulde, geruisloos door de mazen glippen? Was het toen dan niet echt? Ik ontmoette je op een kruispunt van mijn leven. Ik aanbad je. Wie ik was en waaraan ik dat verdiend had, wist ik niet, maar ik voelde me voor het eerst in lange tijd iémand. Mijn inhoud kon ik nog niet naar waarde schatten, mijn vorm wel - geliefde zijn van. Ik kweet me naarstig van die taak, en liet jou een pleister op vele wonden zijn. Bloedingen werden gestelpt, hechtingen geheeld. Jij had het nodig voor iemand te zorgen en hoe meer ik aansterkte, hoe zwakker de aantrekkingskracht. Op een dag schudde ik mijn windsels af en vloog uit. Jij had al een ander in je hart en armen gesloten. Vandaag zie ik je lopen, een stuk uit mijn verleden. Het meisje dat ik vroeger was, beent nog steeds in je schaduw. Ik zwaai naar allebei tot ze weer verdwijnen. Mijn thee is koud. Maar vanbinnen heb ik het warm. katrijn.van.bouwel@knack.be Katrijn Van Bouwel"Mijn vingertoppen herinnerden zich prompt de stoppels op je kaaklijn"