Dag 1 - 22 graden - 1 Beaufort

Natuurlijk had ik al passief van het zeilen geproefd en genoten, en daarom sta ik op een maandagmorgen in Nieuwpoort met twee andere cursisten op de ponton. Jacques is 70 en pezig, en heeft lang geleden aan kleinzeilerij gedaan, Kristine is 36 en ongeveer zo onervaren als ikzelf. Instructeur Christian heeft 40 jaar zeilervaring, hij heeft dus andere kneuzen aan het werk gezien.
...

Natuurlijk had ik al passief van het zeilen geproefd en genoten, en daarom sta ik op een maandagmorgen in Nieuwpoort met twee andere cursisten op de ponton. Jacques is 70 en pezig, en heeft lang geleden aan kleinzeilerij gedaan, Kristine is 36 en ongeveer zo onervaren als ikzelf. Instructeur Christian heeft 40 jaar zeilervaring, hij heeft dus andere kneuzen aan het werk gezien. In het weekend heb ik de 36 bladzijden van de syllabus afgeprint en doorgenomen en ben er behoorlijk door in verwarring gebracht. Tientallen nieuwe namen tollen in mijn hoofd wanneer we geconfronteerd worden met ons werkmateriaal : een 30 voet lange kajuitjacht met kiel. "We zullen eerst de taal leren om elkaar later met een blik in de ogen te verstaan", had Eric van Audenrode, de chef van de Vlaamse Zeezeilschool, mij toevertrouwd, en ik begrijp hem nu maar al te goed : wat zijn reefknuttels en dukdalven toch, waarom is er een preekstoel aan boord en noemt men de gaten kousen ? Aan dek wemelt het van de touwen, met allemaal verschillende namen. Er zijn vallen en schoten, landvasten en wanten, elk met een eigen functie. Maar het zomert en er staat weinig wind : ideaal om in slow motion de knepen te leren. Na een beetje theorie en een halve dag voorbereidend werk zeilen we tegen de middag de Noordzee op en varen scherp aan de wind (tegen de wind, zou ik vorige week nog gezegd hebben), leren overstag gaan (draaien door de wind) en krijgen daarbij de magische formule "klaar om te wenden ?" in de oren geknoopt. Als we klaar zijn, spreekt de roerganger de al even magische formule "ree !" uit, en gaan we als bezetenen aan het werk om synchroon ons eerste maneuver uit te voeren. Vandaag zeilen we voor de wind en dat valt niet mee. De boot lijkt wel op een schaatsbaan voort te bewegen, ik voel hem gewoon niet. We leren gijpen (draaien met wind achter), een noodstop uitvoeren (makkelijk en spectaculair), bijdraaien (zodat de boot stil ligt en we rustig onze boterhammen kunnen eten) en een voorzeil wisselen. Dat laatste is geen simpele koek op een dansend voordek, en tot overmaat van ramp krijgen we de leuvers niet los omdat het voorzeil wat te strak gespannen staat. Ik ben wat blij dat Christian en Kristine komen helpen, vrees even dat ik straks zeeziek op het dek zal liggen, maar de concentratie houdt me op de been. Vele golven later kunnen we fier de kleinere fok hijsen. Ik snap maar niets van de verschillende knopen, maar geraak al wijs uit de touwen : schoten die voor de laterale beweging van de zeilen zorgen, en vallen voor de verticale. En ik begin van de efficiëntie, de discipline en de hiërarchie van het zeilvak te houden. Als we 's avonds op de ponton de zeilen opvouwen doen we dat al op zo'n manier dat ze 's anderendaags op de meeste efficiënte wijze uitgerold kunnen worden. Er staat een zeldzame aflandige wind en daardoor zijn er haast geen golven en hebben we alle tijd om het geoefende te herhalen. Ik haat het om voor de wind te zeilen, maar een onverwachte gebeurtenis kleurt onze dag : als Jacques' pet overboord waait, denkt Christian er niet aan om niets te doen. Hij mindert vaart, draait en keert het scheepje. We zien de pet op ons af komen, onder de kiel verdwijnen, weer opduiken, het klepje fier in de wind. Bij een derde poging haalt Jacques hem met de bootshaak binnen. Christian straalt, de rest van de bemanning is gelukkig. Terwijl de pet droogt, eten we onze boterhammen, zes mijl uit de kust, schijnbaar moederziel alleen. We zien nauwelijks de haven waar tweeduizend zeiljachten aangemeerd liggen, waarvan er vandaag misschien dertig zijn uitgevaren. Er staat steeds minder wind en de terugtocht schiet niet op. Een snelle berekening leert dat we vier tot zes uur nodig hebben om de haven te bereiken. Terwijl we traag vorderen, luister ik naar het klotsen van het water en geniet van de ruimte die de zee ons geeft. Rond halfvier helpt de gekeerde stroming ons een stukje vooruit maar enkele keren moet de motor aan. Als we om halfzeven aankomen zijn we bekaf, de handen geschroeid door het aantrekken van de schoten. Het is bloedheet aan wal en de zeilen mogen op het schip blijven want straks varen we uit voor een avondtocht. "We doen het rustig aan", zegt de skipper, als we onder een ontluikende sterrenhemel tot voor Middelkerke zeilen en dan terugkeren. Ik geraak steeds meer verslingerd aan het zeilen, maar ben blij dat we de verworven kennis vier dagen kunnen laten bezinken. In het weekend oefen ik thuis met een schoenveter de mastworp, de paalsteek, de schootsteek, de platte knoop en het opschieten. De Helena is nieuw en sportief, ligt laag in het water, bezit een heerlijk grote kuip maar het is weer even wennen aan de wirwar van touwen. En voor we uitvaren verliezen we twee uur met het monteren van een pen in de lummel. Tegen twaalven varen we met windkracht 3 beaufort voor de wind, de Helena is een juweeltje. We leren reven (het grootzeil verkleinen) en even later zet Christian de spinnaker op en voelen we ons echt in ons element. Overstag gaan lukt steeds beter, maar het gijpen hebben we echt niet onder de knie. 's Avonds, als we uitgeteld koffie bestellen aan de bar, laat Eric zich ontvallen : "Zeilen is improviseren."Vandaag zeilen we met de Soetkin, die een rolfok heeft. Dat valt een stuk handiger uit, zodat de boot sneller opgetuigd geraakt. We leren de rol van de stroming kennen wanneer we de merklijn oefenen : we proberen met de boot naar twee boeien te zeilen die we op één lijn moeten zien te houden, terwijl de boeg toch in een andere richting wijst. Zoals een vliegtuig naast de landingsbaan mikt om te landen. Verwarrend en fascinerend. Als de wind helemaal gaat liggen, oefenen we met Christian onze knopen, varen we op motor terug naar de havengeul, maar net voor we binnenlopen steekt de wind weer op. We maken rechtsomkeer, zetten koers naar de boeien, waar we ons eerste achtje draaien. Als we goed bezig zijn komt er een dreigend onweer aan, stappen we in de zeilpakken en laten de regen over ons neerkomen. Christian zegt dat we geen koers houden, niet genoeg geconcentreerd zijn. Dat klopt, als we aan het kletsen zijn, niet als we opletten. Hij is een competitiemens die van uiterste precisie houdt, terwijl wij gewoon willen genieten. In de zon zeilt de Helena prachtig, al staat er weer weinig wind. Een paar keer succesvol een paalsteek gelegd, enkele achtjes gedraaid. We zijn kranen geworden in het overstag gaan, zelfs het gijpen lukt al aardig. Maar voor de wind varen blijft moeilijk. Als finale zeilen we onder spinnaker de vaargeul binnen voor het laatste rondje : maneuvers in de haven met een ouwe kist, zonder zeil. Niet opwindend, niet mooi, een beetje vervelend. Bij een koffie krijgen we de evaluaties. We hebben alle drie goede resultaten behaald, maar krijgen een onvoldoende voor de maneuvers, ook voor het overstag gaan. We zitten er wat versuft bij. Mijn twee maten proberen wat tegen te sputteren, ik denk aan Björn Borgs woorden over betwiste ballen : discussies zorgen voor tijd- en concentratieverlies. We vinden zelf dat we al prima zeilen en we hebben zes prachtige dagen achter de rug. Vijf weken lang laten we ons inwijden, telkens in een andere sport. Vijf redacteurs, absolute leken in de discipline, vertellen over hun avontuur : onder zeil, te paard, op de golfbaan, tegen een rotswand of vliegend met de paramotor. Door Pierre Darge / Foto's Michel Vaerewijck