Annemie Struyf / Foto's Lieve Blancquaert
...

Annemie Struyf / Foto's Lieve BlancquaertVrijdagochtend, inschepen in AveiroZeg nooit 'boot' tegen een schip, en zeker niet tegen de Zenobe Gramme, want dan krijg je gegarandeerd de bemanning tegen. Dat leerden we al in Zeebrugge, toen we onze instructies kregen. "Een boot heeft geen dek", legden ze uit, en meteen begrepen we dat het een kwestie van eer was. We knikten vol begrip en spraken af dat we, zonder pardon, aan alle aspecten van de boordroutine zouden deelnemen: wachtlopen als roerganger, uitkijk en dekmatroos, scheepsonderhoud, schoonschiproutine, keukenhulp, assistentie bij zeil-, navigatie- en kaartwerk. Leuk leek ons dat, en ook niet al te moeilijk. Maar nu we ingescheept zijn, blijken we hardleers en ontsnapt ons nog geregeld het woord 'boot'. Dan krijgen we zwijgende blikken, beleefde maar besliste afkeuring. Nochtans doen we erg ons best om ons aan het matrozenleven aan te passen. En heus, als journaliste en fotografe krijgen we geen voorkeursbehandeling. Daar zien de anderen wel op toe. Met tien matrozen (acht militairen en wij tweeën) zijn we om, onder leiding van de vaste bemanning, het wacht- en karweiensysteem te verzekeren. Lieve en ik behoren tot de gele ploeg die, netjes volgens de kleuren van de Belgische vlag, een elementaire spoedcursus krijgt. Eerste thema: "Hoe overgeven aan boord?" (Antwoord: "Op één knie, met één hand vaste steun zoeken, en dan: hoofd over de reling.") Verder komen aan bod: het onheilspellend wachtsysteem, de karweiendienst, de afwasbeurten. Ziekte blijkt nooit een reden tot afwezigheid: aan het roer of naast de afwasbak kan altijd een emmer bijgeschoven worden. In ijltempo spijkeren we ook onze woordenschat bij met termen als fok, bezaan, val, schoot, neerhouder, boom, giek, bulletouw, kikkers, lier, smeerrepen. Verder leren we nog snel het verschil tussen stuur- en bakboord, mijlen en knopen, in de wind en aan de wind, halve wind en ruime wind, afvallen en oploeven, deinzen en gijpen. Ik probeer het allemaal te onthouden, maar als ik op het dek sta en naar de strakgespannen zeilen kijk, zie ik slechts de schoonheid van dit tuig. En denk ik terug aan mijn schooltijd, en aan die schrijver (zijn naam ben ik helaas vergeten) die drie momenten van sublieme schoonheid beschreef. Eén: de aanblik van een zeilschip op zee. Twee: het spel van de wind doorheen een korenveld. Drie: een moeder met een kind aan de borst. Na een halve dag, meen ik, naïeve en onervaren lichtmatroos, de romantiek van het zeeleven al te vatten. Het hoofd laten leeglopen, en schommelen op de langgerekte deiningen van de Atlantische Oceaan. Vrijdagavond, ter hoogte van Penedo da SaudadeVan achttien tot twintig uur lopen we onze eerste wacht. Niet lang dus, en bovendien op het mooiste moment van de dag. Stralend weer, mild en warm. In een beurtrolsysteem - om het half uur lossen we elkaar af - werken we drie taken af: aan het roer, op de uitkijk, in de kaartenkamer. Aan het roer bedenk ik dat dit wellicht de mooiste job is. Mooi rechtop, de benen lichtjes gespreid, met een houten roer in de hand. Nu eens voel ik mij Captain Haddock, dan weer Popeye, en ja, zelfs Mao, de Grote Roerganger. Voor wie niet beter weet (ik dus), lijkt het alsof de roerganger als God de Vader het vaartuig in handen heeft. Een illusie natuurlijk, want je houdt het schip niet zelf overeind, maar probeert slechts de juiste koers aan te houden. Als je onhandig stuurt, begint het schip vervaarlijk te deinen, tot groot ongenoegen van de andere opvarenden die maar al te goed voelen of er een goede of slechte roerganger aan het werk is. Mijn tweede taak is: uitkijken. En nu ik hier, in Titanic-positie, in de zon en met de wind in mijn haren, op de boeg van het schip sta, weet ik zeker dat deze job de allermooiste is. Kijken zo ver je kan, op zoek naar contact, zoals ze dat hier zo mooi zeggen. Dan kan je plots een stuk afval, een vissersboei of een schip opmerken. Of dramatischer: een walvis of een vlot met drenkelingen. Dan ga je naar de brug en zeg je, letterlijk: "Officier van wacht, contact aan stuurboord, op dertig graden." Vervolgens ga je verder turen, speuren en spieden tot je hoofd helemaal leeg is, je hart gevuld met melancholie, en de derde taak lonkt. Ook de kaartenkamer waar de koers wordt uitgestippeld, bevat een charme die niet te versmaden is. Beslist het allermooist als de nacht koud en zonder enig contact is. Lekker warm, heerlijk rustig, af en toe de positie van het schip bepalen, tijd voor een koffietje, kletsen met de officier van wacht. Vrijdagnacht, ter hoogte van Cabo da Roca, LissabonOm twintig uur is onze wacht afgelopen, tot halfvier mogen we slapen. Mijn lichaam, nog ontregeld door een venijnige jetlag (dinsdag terug van New York, donderdag naar Portugal), ziet het even niet meer zitten. Stel je voor, om 21 uur naar bed om wat te slapen. Natuurlijk lukt dat niet in een veel te warme kajuit en een nis waarin ik onophoudelijk heen en weer lig te rollen. Bovendien lijkt het alsof mijn maag de nog niet verteerde maaltijd in een opwaartse beweging naar mijn hoofd stuwt. En, o jee, de gedachte aan zeeziekte komt in me op en maakt me misselijk. Ik overweeg een pilletje tegen reisziekte te nemen, maar de hoeveelheid cafeïne in dat preparaat doet me twijfelen, bang om deze nacht geen snipper slaap te vatten. Een slaapmiddel dan, zeurt het na drie uur rusteloos woelen door mijn hoofd. Pas rond twee uur sukkel ik in een lichte, vaak onderbroken slaap. Het doet pijn om wat later alweer gewekt te worden. Om halfvier, stel je voor. Wat een ellendig, beestachtig uur. Voor het eerst stel ik mij die ene vraag: waarom, in godsnaam, doe ik dit? Want ik wil slapen, min of meer regelmatig leven, fit zijn, de hele dag. En hier doe ik net het omgekeerde. Wat later in de kaartenkamer leg ik mijn hoofd op tafel en val in slaap. Tot Lieve in mijn schouder knijpt: "Hé, scheepsmaatje, tijd om het roer over te nemen." Rillerig ga ik naar buiten waar ik eindelijk wakker word, kordaat gewekt door wind en kou. Gelukkig beheers ik het roerwerk al een beetje. Geen grote, jachtige bewegingen meer, maar rustig de koers aanhouden. Tot ik word afgelost en braafjes aan de officier van wacht vraag of ik even naar beneden mag. Daar trek ik een extra trui, muts, sjaal en handschoenen aan, om daarna opnieuw de Titanic-positie in te nemen. Al minder romantisch deze keer, in de bijtende kou. Ik kijk en kijk, speur en tuur en verbeeld me een enorm silhouet te zien. Een groot piratenschip, zo lijkt het. Ik roep mezelf tot de orde, wend mijn blik naar andere horizonten, maar blijf met tussenpozen het piratenschip ontwaren. Is dit droom of werkelijkheid? Realiteit of begoocheling? Ik stap naar de brug, de verrekijker brengt uitsluitsel: een gigantisch vrachtschip verschijnt aan de einder. En ik, ik voel me zielsgelukkig: voor het eerst contact op zee! Zaterdagochtend, ter hoogte van SinesOm acht uur is onze wacht afgelopen, maar rust is ons niet gegund. Misselijk van vermoeidheid, een lege maag, de kou en de deining ga ik ontbijten: boterhammen met chocopasta of speculaasjes. Daarna, om halfnegen, is het karweientijd. Lieve moet de keuken en de gang poetsen, ik de wardroom en de trap. De wardroom is het officiersverblijf: de mess van de vaste bemanning. Hier zijn tijdelijk opvarenden beleefd niet-welkom. Het vervelende aan die wardroom is het vele koperwerk: deurlijsten, gedenkplaatjes van vroegere races, deurslotjes, veiligheidshaakjes, knoppen, randjes, ringen. En allemaal moet ik ze met koperpoets bewerken. Zeker dertig jaar is het geleden dat ik nog koper heb gepoetst: in mijn grootvaders huis. Maar je verleert het nooit, merk ik. Eerlijk: het is met tegenzin dat ik hier stofzuiger, dweil, zeemvel en koperpoets hanteer. In mijn eigen huis kom ik aan zulke klussen zelden toe en hier sta ik, verdomme, doodmoe na een slapeloze nacht de wardroom te poetsen. Niet echt benijdenswaardig. En als de Premier - de tweede in bevel, na de Commandant - na een uur mijn werk komt inspecteren, en diep onder de zitbanken een verborgen richeltje zoekt waar hij met zijn vinger triomfantelijk een laagje stof opstrijkt, kan ik alleen maar heel diep zuchten. En dan naar bed, om even te bekomen. Daar val ik als een blok in slaap en ben ik mij, twee uur lang, zalig onbewust van de karweien die ik op die manier - ongewild, echt waar! - ontloop. Aardappelen schillen en het dek schrobben heeft Lieve in mijn plaats gedaan. Zaterdagnamiddag, ter hoogte van Cabo Sanda[{sum}]We krijgen zelfs les aan boord. Met Jan, de chef van de machinekamer, spelen we Uw beste vriend (een exploratie van de wondere wereld van het reddingsvest), Man overboord en Verlaat het schip. Spannend maar ook geruststellend. Want in geval van nood - brand, een lek, een aanvaring - beschikken we niet alleen over een gemotoriseerde reddingsboot, maar ook over twee uitklapbare vlotten, allerlei noodsignalen en alarmsystemen, zelfs een vernietigingsinstallatie: een soort zelfmoordcommando voor de Zenobe Gramme. Sven, de navigator, initieert ons in enkele rituelen en gebruiken op zee. Dat konijnen en vrouwen aan boord ongeluk brengen, geloven ze bij de Belgische marine allang niet meer, in tegenstelling tot hun Franse collega's die aan boord nooit konijn eten, sterker nog, het woord zelfs niet uitspreken. Alleen als het echt niet anders kan, spreken ze over les petits cousins du lièvre of, gedurfder, over les larpins. "Nee, wij zijn niet bijgelovig", benadrukt Sven, al geeft hij toe dat fluiten aan boord nog steeds not done is: "Dat brengt wind!" Bij Frank, de telegrafist, probeer ik een e-mailmomentje te versieren. "Zo modern zijn we niet," grinnikt hij, "geen e-mail, geen gsm. Met moeite krijgen we af en toe radiocontact met de kust." En hij legt uit dat dit de oude manier van varen is. Een leven dicht bij de elementen. Wind, zon, lucht, water. Heel fysiek, ambachtelijk, zelfs primitief. Het einde van een tijdperk, wellicht. Zeker voor hem, want in september verlaat hij het schip. "En daar zal ik om wenen", besluit hij stil. Zaterdagnacht, ter hoogte van Cabo de Sa[{sum}] VicenteAls er één eigenschap is waar ik mannen om benijd, is het hun vermogen om te slapen als de kans zich voordoet. Een man legt zich neer en droomt weg, in tegenstelling tot een vrouw: die woelt en wacht tot de slaap wil komen. Dat bedenk ik in onze kajuit, waar wij, vrouwen, van 's avonds halfnegen tot halftwaalf een tuk mogen doen. Maar het schip kreunt zo jammerlijk onder de steeds hardere wind dat ik de slaap niet kan vatten, en maar wat begin te lezen in Naval Blunders, het boek dat ik van de Commandant geleend heb. Over vreselijke ontberingen op woelige zeeën, rampzalige stormen, wormen in voedselvoorraden, overtochten zonder drinkbaar water, scheurbuik, gele koorts, overlijden aan boord en permanente dronkenschap als remedie tegen het ondraaglijke zeemansbestaan. Intussen begint de Zenobe Gramme vervaarlijk te deinen, zwellen de Atlantische winden aan en beginnen de zeilen vervaarlijk te fluiten. Dus is het bijna een opluchting als we om halftwaalf uit onze kajuit gezet worden om de wacht over te nemen. Goretex-jassen en veiligheidsvesten moeten aan deze keer, want windkracht zeven op volle zee is geen lachertje. Koppig helt het schip naar stuurboord over, zodat het mij de grootste moeite kost om overeind en aan boord te blijven. Daarom word ik aan het roer vast gekluisterd, zwaar steunend op mijn arme rechterbeen dat zich flink schrap moet zetten. Vreemd, je vastklemmen aan een roer dat je tegelijkertijd beheersen moet. Niet dat de zee zo wild is, maar de wind is fel, fel, fel. In het pikdonker jagen we door de nacht, in een grote boog rond de zuiderse westhoek van Portugal. Snel, snel, snel gaat het, zonder motor, maar met strakke, strenge zeilen. Dreigend, maar ook opwindend vind ik het, en als de maan doorbreekt, zelfs wondermooi. Zondagochtend, ter hoogte van Cabo de Santa MariaGeen medelijden: om zeven uur, na nauwelijks drie uur slaap, wordt op de deur gebonkt en strompel ik met een joekel van een ochtendhumeur naar de keuken om mijn ontbijt te halen. De kok is lief, vraagt hoe ik mijn eitje wil, maar ik raak niet wakker of milder gestemd, en vraag mij alweer af wat ik in godsnaam op dit schip doe, waar ik nooit mag slapen als ik moe ben en gewekt word als ik eindelijk ingedommeld ben. En ook, heel even maar, waarom ik als vrouw, en niet als man geboren ben. De karweien na het ontbijt breken me nog zuurder op dan anders. Opnieuw de wardroom poetsen en deze keer veeg ik zelfs op de onmogelijkste richeltjes het stof weg. Ik boen het koper tot het schittert, ik veeg de tafel, stofzuig de matten, dweil de trappen, en ga ten slotte nederig aan de Premier vragen om mijn werk te inspecteren. En o jee, deze keer tilt hij de mat op die ik zo netjes gestofzuigd heb en wijst triomfantelijk op enkele broodkruimels. Gelukkig hoef ik het werk niet over te doen. Gewoon aardappelen schillen en daarna snel mijn bed in, waar de bemanning van de Zenobe Gramme al snel in mijn dromen opduikt. Met de Commandant ga ik roomsoesjes kopen, met de Premier een leeuw temmen, met de chef van de machinekamer de zeilen hijsen, met de telegrafist een roltrap op en neer, met de navigator door het oerwoud, met de kok in New York op café. Alleen de piepjonge stagiair Damien slaat, net als op het schip, altijd op de vlucht. Zondagavond, ter hoogte van CadizNog een uurtje voor mijn wacht begint. Heerlijk rustig zeetje. Mooi zonnetje. Stabiele koers. Dolfijnen dollen rond het schip. Kopje duikelen, een sprongetje hier, een buiteling daar, onder het schip door, wat kreetjes, zo idyllisch. Gebrek aan privacy, dàt leek mij, voor het vertrek, de zwaarste dobber. Maar, alles welbeschouwd, valt dat best mee. Oké, louter rekenkundig gezien is de bewoonbare oppervlakte hier minimaal, maar nergens vind je zoveel ruimte, lucht en vrijheid. Bovendien krijgt het begrip 'privacy' hier een heel andere invulling dan aan wal. Gordijntje toe en in een mum van tijd wordt je bed een huis, je toilettas een badkamer, je lade een schatkist, je kussen een knuffel. Op zee worden woorden ook minder belangrijk, en wint de lichaamstaal aan belang. Op het dek merk je meteen wie zin heeft in een praatje, en wie niet. Misschien zijn mannen op dit vlak ook wel makkelijker dan vrouwen, bedenk ik. Duidelijker, met minder omwegen, eenvoudiger in de omgang. "Het mooiste beroep ter wereld", zucht de Premier, plots naast mij. "Zeker op deze manier. Zoveel authentieker dan op die grote, grijze schepen: de mijnenjagers en fregatten. En dan te bedenken dat jonge mensen deze job niet meer aantrekkelijk vinden." We kletsen wat en hij vertelt me dat hij jarenlang een trouwe Times-lezer was. Tot er in dat blad een merkwaardig artikel verscheen: 150 beroepen, gerangschikt volgens aantrekkelijkheid. Prostitutie stond op de 122ste plaats, het zeemansleven scoorde nog lager, op 124. Geschokt las en herlas hij het stuk, en altijd opnieuw bleven zijn ogen aan die weinig eervolle cijfers vastkleven. Tot in het diepst van zijn ziel kwetste het hem, dat zijn beroep zo laag gerangschikt stond. Sindsdien heeft hij zijn Times-abonnement opgezegd en het blad nooit meer ingekeken. En terwijl hij mij dit verhaal vertelt, springen de tranen in zijn ogen. Maandagochtend, Straat van GibraltarPure idylle is het om op een doordeweekse maandagochtend, onder een stralende zon, de Straat van Gibraltar binnen te varen, alweer geflankeerd door enthousiaste groepjes dolfijnen. Spanje aan bakboord, Marokko aan stuurboord. Op de maritieme snelweg naast ons varen de grote tankers voorbij, terwijl wij langs de zijbermen de Spaanse wateren binnenglijden. "Hierom doen wij het", mompelt de Commandant. Op dit moment begrijp ik hem, want ook ik voel mij nu, netjes aan het roer, perfect gelukkig. De betovering van deze ochtend lijkt vertrouwelijkheid op te roepen, en ik luister naar verhalen over het zeemansleven. Over de lange afwezigheden van huis, het verre lief, de zwangere vrouw, de opgroeiende kinderen. Off the record beantwoorden ze mijn nieuwsgierige vragen over zeemansliefde, seksblaadjes en vermeend prostitutiebezoek, maar ik beloof niets over dit onderwerp te schrijven. Niet dat ze zo'n liederlijk leven leiden, maar seks en relaties blijven heikele thema's. Voor wie niet trouwens? Arme mannen, denk ik, na het beluisteren van al die verhalen. Iedereen verdenkt zeelui van een ruig en losbandig leven, maar veel vaker komt de moegevaren zeeman thuis om te ontdekken dat zijn vrouw in andere armen troost gevonden heeft. Dinsdagochtend, ter hoogte van AlmeriaOver de ochtendblues wil ik het niet meer hebben, al blijft het moordend om, na een wacht van middernacht tot vier, om zeven uur wakker gebonkt te worden. Liever snijd ik een ondubbelzinnig positief thema aan. De kok en de keuken bijvoorbeeld. Dat ze hem maar soigneren, daar bij de marine, want zo'n kok als Gerd krijgen ze nooit meer te pakken. Exquise maaltijden, tweemaal warm per dag, nooit hetzelfde, voorgerechtje hier, dessertje daar. Heeft de beste opleiding genoten, in gerenommeerde restaurants gewerkt. Waarom blijft zo'n man bij de marine? Omdat hij, naar eigen zeggen, hier al zijn passies combineert: koken, reizen, de wereld zien. Uit pure liefde voor de keuken, die magische plek die maag en hart verwarmt, vertrouwen inboezemt en confidenties losweekt. Iedereen passeert er en strooit, vaak onbewust, zijn kleine en grote zorgen tussen de pannen. Soms wat wrevel, soms een klachtje, een klein gemis, een groot verlangen. En de kok roert en luistert, kruidt en mengt. Bij stille zee vult hij zijn pannen rijkelijk, bij woelige wateren zwalpt hij heen en weer in zijn keukentje terwijl hij weet dat er nauwelijks gegeten zal worden. Ook over zeeziekte kan hij meepraten, al heeft hij zelf nooit de diepste bodem van deze miserie gezien. Zelfs nooit misselijk geweest? Jawel, maar na een uurtje platte rust was het leed geleden. Niks dus, in vergelijking met de vreselijke verhalen van wie ooit echt ziek is geweest. "Ter plekke sterven", zo heet het. "Bij storm en ontij in je eigen braaksel over het dek rollen." Zoals die vriend van Gerd. Toen ze samen in een nieuw Antwerps restaurant gingen eten, origineel uitgebouwd in de vorm van een schip, sloeg de vriend prompt geel en groen uit en begon te kokhalzen. Neen, zeeziekte is geen lachertje, maar Gerd heeft andere problemen. Ziek van verliefdheid is hij sinds het vertrek, gek van verlangen naar zijn vriendin met wie hij in september gaat samenwonen. Ik sluit een deal met de Premier. In ruil voor vrijstelling van onze karweien werken wij de hele voormiddag als keukenhulpjes. En in ruil voor persoonlijke bediening aan tafel slepen wij voor elk bemanningslid een glas wijn in de wacht. Gerd blijkt een schatje. Want natuurlijk is hij het die onze eer redt, het bladerdeeggebakje met rode uienconfituur en geitenkaas in elkaar knutselt, de steak provençal met gratin dauphinois prepareert en het Dessert Zenobe uit zijn hoed tovert. Wij verzorgen hups de bediening aan tafel en krijgen de complimenten. Al weet natuurlijk iedereen dat de kok ons geheime wapen is. Dinsdagnamiddag, ter hoogte van Cartagena Voor het eerst slaag ik erin een uurtje in de zon te liggen, een boekje te lezen, zonnecrème en ijskoud drankje binnen handbereik. Kort shortje, nieuw topje, de bikini blijft wijselijk ingepakt. Blijkbaar raak ik stilaan toch gewend aan de ongewone arbeid, de buitenlucht en vooral de voortdurende verstoring van mijn bioritme. Zelfs de deining van de golven die de eerste dagen zo onaangenaam was, is nu een streling geworden. In bed voel ik mijn maag niet langer keren, maar geef ik mij met graagte over aan het gewiebel. Hard of zacht, mij maakt het niet langer uit. Sterker nog, na vijf dagen kan ik mij nog amper vaste grond onder de voeten voorstellen. En laat ik mij maar al te graag door het schip in slaap wiegen. Woensdagnamiddag, ter hoogte van Santa Pola" On sent la fin du voyage", zucht een collega-matroos naast mij, terwijl hij stil voor zich uit zit te staren, zoals we dat hier allemaal zo vaak doen. In de loop van de namiddag zijn we, ter hoogte van Santa Pola, voor anker gegaan - de gunstige winden van de afgelopen week hebben ons ruim een dag voorsprong op het vaarschema gegeven - en het was vreemd om vast te stellen hoe de drukte op het schip meteen wegebde. Nu het wachtsysteem eindelijk haar ijzeren greep heeft gelost, is het boordleven grondig ontregeld en wordt het een vreemde avond vol stille overpeinzingen. Donderdagnamiddag, aankomst in Alicante Een psychologisch experiment was het om een week lang, zonder aan te meren, met z'n zeventienen op een zeilschip te leven. Na enkele dagen - ik weet, het klinkt als een cliché - kom je gegarandeerd jezelf tegen. Je ergernissen en frustraties, je sterktes en zwaktes. Zo vond ik het ellendig om te moeten luisteren naar loeiharde muziek die ik niet zelf gekozen had. Nog steeds duld ik geen inbreuk op de gouden stelregel van mijn moeder zaliger: "Iemands slaap is heilig." Bevelen verdragen wij slecht, in tegenstelling tot de andere opvarenden, militairen die zich daar verrassend vlot naar plooien. Humor is onbetaalbaar als je in een kleine ruimte leeft. Eten is voedsel, maar vooral zorg en liefde en affectie. Roddel is gif, verdraagzaamheid een zegen. Water spoelt en lucht verfrist, letterlijk, maar vooral figuurlijk. Maar voor ik helemaal melig word, wil ik nog vertellen dat het aanmeren in Alicante een precisiewerkje was dat perfect werd uitgevoerd. En dat landziekte wel degelijk bestaat! Want met onvaste zeebenen sta ik nu aan wal, zwijmelend en vechtend tegen een lichte misselijkheid. En, heel even, moet ik de neiging onderdrukken de loopplank weer op te rennen, terug naar het schip, die veilige, wiegende baarmoeder.Vanaf Alicante neemt de Zenobe Gramme deel aan de spectaculaire 'Cutty Sark Tall Ships Race', met tussenstops in Malaga, La Coruña, Lastres, Laredo, Santander, Portsmouth en, op 21 augustus, aankomst in Zeebrugge. In het kader van ' Sail Brugge 2002' zijn alle deelnemende zeilschepen tot 25 augustus in Zeebrugge te bezichtigen.