De antichrist van Silicon Valley wordt Andrew Keen (52) genoemd, niet het minst door hemzelf. De Brits-Amerikaanse schrijver studeerde geschiedenis en politieke wetenschappen in zijn geboortestad Londen en in Berkeley, voor hij midden jaren negentig het internetmuziekbedrijf Audio-cafe.com oprichtte. In 2007 ontpopte Keen zich tot een van de felste critici van de internetcultuur met The Cult of the Amateur, over de culturele invloed van user-generated content en de 'wijsheid van het volk' zoals die regeert op sites als Wikipedia en YouTube. Die ondermijnen elk gezag voor experts en autoriteit, stelde de erg polemische Keen toen, en doen ons afglijden naar een apencultuur.
...

De antichrist van Silicon Valley wordt Andrew Keen (52) genoemd, niet het minst door hemzelf. De Brits-Amerikaanse schrijver studeerde geschiedenis en politieke wetenschappen in zijn geboortestad Londen en in Berkeley, voor hij midden jaren negentig het internetmuziekbedrijf Audio-cafe.com oprichtte. In 2007 ontpopte Keen zich tot een van de felste critici van de internetcultuur met The Cult of the Amateur, over de culturele invloed van user-generated content en de 'wijsheid van het volk' zoals die regeert op sites als Wikipedia en YouTube. Die ondermijnen elk gezag voor experts en autoriteit, stelde de erg polemische Keen toen, en doen ons afglijden naar een apencultuur. Begin oktober verschijnt bij Meulenhoff de Nederlandse vertaling van Digital Vertigo ( De digitale afgrond), waarin Keen zijn pijlen richt op sociale netwerken als Facebook, Twitter, LinkedIn, Foursquare en Pinterest, om er maar enkele te noemen. Ook nu weer moet het commerciële model van internetondernemers als Mark Zuckerberg het ontgelden, per slot van rekening verkopen ze onze persoonlijke gegevens aan adverteerders. Maar Keen maakt vooral brandhout van hun mantra dat sociale netwerken een hechtere, gelukkigere samenleving creëren. Integendeel, volgens de auteur verandert het "digitale tijdperk van het grote exhibitionisme" ons in asociale voyeurs die hun medemens wantrouwen en zichzelf niet meer kennen. "Ik ben niet tegen het internet of vooruitgang", benadrukt Keen. "Maar iemand moet mensen wel doen nadenken over waar ze mee bezig zijn op Facebook en Twitter. We dreigen te vergeten wat het betekent om mens te zijn." Andrew Keen : Niet alleen maar, in ieder geval. Ook momenten van autonome reflectie horen bij het mens-zijn. Alleen zijn, privacy en geheimen onderscheiden ons van anderen en spelen een belangrijke rol bij onze identiteitsvorming en zelfontwikkeling. Dat innerlijke leven bepaalt wie we echt zijn, maar daarvoor is er amper nog ruimte in onze so-cialenetwerkwereld. Privacy en afzondering bestaan gewoon niet meer. Zelfs lezen, de individuele bezigheid bij uitstek, wordt een publiek spektakel. Dat klopt, maar het internet biedt dat menselijke trekje nu wel een eindeloos platform. We stoppen zoveel tijd en energie in ons externe, sociale leven dat de technologische middelen stilaan onze individuele vrijheid en autonomie bedreigen. Altijd maar schaven aan die digitale beeltenis van onszelf, nooit eens in alle rust en onafhankelijkheid je gedachten en emoties op een rij zetten, alsof ons leven een grote Truman Show is : je zou voor minder vergeten wie je bent. Hoe kun je jezelf zijn als je nooit met rust gelaten wordt, als iedereen voortdurend over je schouder meekijkt ? Willen we ons vermogen om zelfstandig te denken en handelen bewaren, dan moet de toekomst helemaal niet sociaal zijn. Dat zeggen mijn tegenstanders ook voortdurend. Alleen geloof ik niet dat we nog een echte keuze hebben. In de digitale 21ste eeuw is absolute transparantie haast de norm geworden en delen een nieuwe religie. Jezelf niet uitdrukken via een sociaal netwerk is nu haast onacceptabel. Nog belangrijker dan die culturele omwenteling is echter de overgang van een industriële wereld met een strakke hiërarchie naar een kenniseconomie waarin werknemers steeds vaker zelfstandig opereren en iedereen voortdurend zijn betrouwbaarheid, waarde en creativiteit moet aantonen. Wie ben je nog als je jezelf niet promoot op Twitter en LinkedIn, als je jezelf niet in de kijker werkt en de aandacht trekt ? Het internet is nu de eerste plaats waar bedrijven sollicitanten opzoeken, en wie niet meteen terug te vinden valt, is verdacht. Dan moet je wel iets te verbergen hebben. Uiteindelijk kunnen enkel de superrijken het zich veroorloven om afstand te nemen van die aandachtseconomie waarin alles om zelfpromotie en reputatie draait. In 2020 zullen meer dan 50 miljard intelligente apparaten ons met elkaar verbinden. Dan is de wereld helemaal een glazen huis vol alziende ogen. Nu al hebben we de technologische macht om elkaar voortdurend te begluren. Want we richten de camera niet alleen op onszelf, als voyeurs houden we ook alle anderen in de gaten. Die nieuwe vorm van sociale tirannie dwingt ons tot reputatiemanagement en permanent wantrouwen, we weten immers nooit wie meekijkt en wat er met onze persoonlijke gegevens gebeurt. Dat is een context waarin sociale conformiteit gedijt. Alles wat we online doen of posten, laat immers een spoor na, en we horen er liever wel bij dan niet. Gluren en kuddedenken zijn trouwens maar een deel van het probleem. Zeker in tijden van sociale en economische crisis vrees ik dat het internet heel wat antisociaal gedrag stimuleert, van geroddel, vernedering, intolerantie en wraak tot reputatiebeschadiging. Dat is allemaal niet zo moeilijk tegenwoordig. Vriendschap zelf is een heel ander concept geworden, nu het aantal connecties en volgers onze status en invloed bepalen. Uiteindelijk staat het eigenbelang centraal, waarbij supernetwerkers en hogeropgeleiden duidelijk in het voordeel zijn. Er is trouwens geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het internet ons toleranter, empathischer of gelukkiger zou maken, wat de oprichters van sociale netwerken ook beweren. Uiteindelijk besteden we meer tijd aan de technologie dan aan elkaar. Sociale netwerken en toepassingen staan nog in de kinderschoenen, over tien jaar kunnen we ons wellicht niet meer voorstellen dat activiteiten als lezen of studeren ooit niet sociaal waren. Als het aan de ondernemers in Silicon Valley ligt, zullen we er ons zelfs niet meer bewust van zijn dat we persoonlijke informatie en ons ganse leven aan het delen zijn. Anderzijds valt het me toch op hoeveel jongeren Facebook de rug toekeren. Jonge mensen die zich zorgen maken over alles wat een publiek leven en een digitale identiteit met zich meebrengen. Zelf kun je al heel veel doen door je vriendenkring nauwgezet te beheren, erop te letten welke informatie je prijsgeeft en wat daarmee gebeurt, en door al eens de tijd nemen om niet gelezen te worden. Data literacy is het nieuwe codewoord : verstandig omgaan met de digitale sporen die we achterlaten. Ik ben blij dat men daar in Europa meer voor ijvert, maar ik verwacht meer heil van oplossingen van de markt zelf. Sociale netwerken die van privacy een onderdeel van hun positionering en dienstverlening maken bijvoorbeeld, al dan niet tegen betaling. Consumenten moeten zich er bewust van worden dat het gratismodel van Facebook een illusie is. Uiteindelijk is niets gratis, want in ruil voor je lidmaatschap verkoopt zo'n netwerk je persoonlijke gegevens aan adverteerders. Een ander gat in de markt wordt software die een houdbaarheids- datum toekent aan je berichten, foto's of locatiegegevens, en toepas-singen die je hele digitale leven uitwissen. Ook dat maakt echte mensen van ons : het vermogen om te vergeten, onszelf opnieuw uit te vinden en een nieuw leven op te bouwen. Info : www.ajkeen.com/blog/. DOOR WIM DENOLF"Ons innerlijke leven bepaalt wie we echt zijn, maar daarvoor is er amper nog ruimte"