Ik loop nu vaak de kathedraal binnen, minder om religieuze redenen dan wel omdat ik door fotografie gepassioneerd ben.
...

Ik loop nu vaak de kathedraal binnen, minder om religieuze redenen dan wel omdat ik door fotografie gepassioneerd ben. De kathedraal is een dankbare plek voor foto's. Hij heeft nissen en cryptes, waterspuwers en wijwatervaten. Hij heeft brandramen en geheimzinnige kapellen, betaald door schijnheilige middeleeuwers. Na een zondig leven hoopten ze op de zwarte markt alsnog een ticket voor het paradijs te kunnen kopen. Soms geraak ik in de kathedraal aan de praat met iemand. Het nadeel van een open gezicht te hebben is dat mensen je altijd geld en de weg komen vragen. Het voordeel is dat mensen je ongevraagd hun leven vertellen. Soms voel ik mij zo'n groene gft-container waarin je alles kwijt kunt: geheimen, hartstochten, uitgebloeide bloemen en aardappelschillen. Gisteren was het een studente met forse kuiten die vanuit Peru naar hier was gekomen. Vandaag is het een meisje van drieëntachtig, dat al haar hele leven in de stad woont. Ze pakt gretig mijn arm om de marmeren trappen af te dalen. Voor de kathedraal, op het plein dat al naar herfst ruikt, praten we over suikerziekte en over politici die ons teleurstellen. We praten over de jeugd, die volgens haar te vaak op het voetpad fietst. "Maar ik ga niet opzij. Ik zeg: 'Dat is hier het plankier en ik heb het recht om hier te lopen.'" Ze zegt dat ze elke dag naar de kathedraal komt, sinds haar man een paar maanden geleden het tijdelijke voor het eeuwige heeft ingeruild. "Hij wist hoe alles in elkaar zat, of het nu een koe was of een dieselmotor. Op dezelfde manier wist hij dat het met hem gedaan was. Buikpijn. Vierentwintig uur later was het afgelopen." Ze zijn een halve eeuw getrouwd geweest. Hij was geen slechte vent. Hij zorgde voor zijn gezin en had een mooie positie bij de spoorweg. "Wel een loper in zijn jonge dagen. Het mocht geen rok dragen of het moest eraan geloven. Zelfs mijn zuster. Maar in die tijd ging je niet weg als je drie kinderen had." Ze heeft hem laten verassen en de as in een zandloper laten gieten. Ze giechelt. "Hij is altijd al een man van de klok geweest." Haar ogen lichten op als de zon langs haar gezicht strijkt. "Soms draai ik hem om. Om een eitje te koken, of gewoon omdat ik daar zin in heb. Ik draai hem dan om en zeg: 'Toe jongen, loop nog maar eens.'" En dat doet hij. Alsof zijn leven ervan afhangt.