Wie Yoko Ono ernstig neemt, is volgens velen van lotje getikt, maar verkeert wel in goed gezelschap. David Bowie noemde haar werk ooit "gevaarlijk, omdat het weleens tot nadenken kan leiden en in een mening kan ontsporen", en choreograaf Mark Morris looft haar om haar "primaire felheid". Polly Harvey en Björk vinden haar trots terug in hun artistieke stamboom en Sonic Youth selecteerde in 1999 een Ono-compositie voor hun Goodbye 20th Century, de bloemlezende cd waarop de New Yorkse groep ook andere muzikale avant-gardisten als John Cage en Steve Reich salueerde.
...

Wie Yoko Ono ernstig neemt, is volgens velen van lotje getikt, maar verkeert wel in goed gezelschap. David Bowie noemde haar werk ooit "gevaarlijk, omdat het weleens tot nadenken kan leiden en in een mening kan ontsporen", en choreograaf Mark Morris looft haar om haar "primaire felheid". Polly Harvey en Björk vinden haar trots terug in hun artistieke stamboom en Sonic Youth selecteerde in 1999 een Ono-compositie voor hun Goodbye 20th Century, de bloemlezende cd waarop de New Yorkse groep ook andere muzikale avant-gardisten als John Cage en Steve Reich salueerde. Yoko Ono krijgt nog meer soortgelijke fanmail, maar het baat niet echt. Het lijkt wel alsof kinderen nog steeds op school moeten leren hoe ze de vier Beatles koudweg uit elkaar dreef en als een toverkol het hoofd van John Lennon volpropte met halfzachte mystiek. Dat velen niet aan Ono willen raken, heeft wel zijn voordelen. Haar soloplaten belanden meteen in de dozen van tweedehandswinkels en de (schaarse) boeken over haar kunstactiviteiten in de ramsj. Wie haar dus ernstig neemt, is vooral goedkoop af. Yoko's muziek is vergiftigd, te vreemd voor de afdeling pop, te naambekend voor het experimentele hoekje. Het grootste struikelblok is haar stem, die op het eerste gehoor, en ook op het tweede, vaak vals klinkt, of toch onbeholpen. Haar keelgeluid debuteerde eind jaren zestig meteen voor een miljoenenpubliek, via de soloplaten van haar wereldbekende echtgenoot. Rechtschapen rockliefhebbers die zich in '68 de elpee Two Virgins aanschaften, moesten eerst omheen de blote piemel van Lennon en dito borsten van Ono en kregen dan wazige geluidsfragmenten en atonaal gegil te horen. Hetzelfde op The Wedding Album, uit '69, dat huwelijksfoto's op de hoes had en lukraak gestamel in de groeven. Lennon en Ono maakten later nog wat platen samen, hand in hand in de studio maar met aparte songs. Zonder John lukte het haar ook: vooral in de eerste helft van de jaren zeventig bracht ze albums bij de vleet uit, stuk voor stuk afgekraakt door de populaire pers, die het objectief recenseren van haar muziek sindsdien heeft opgegeven. Het auditieve Ono-oeuvre is, toegegeven, flink bedekt door wildgroei, maar na wat wieden liggen de parels voor het rapen. De 45-toeren Walking On Thin Ice bijvoorbeeld, een popklassieker, meteen na de moord op Lennon uitgebracht en waarin ze 128 keer na elkaar het woord ice krijt. Of Death Of Samantha, uit '73, haar beste single, ideaal voor de nachtradio en voor bange uren. En Kite Song en Woman Power, allebei uit datzelfde jaar, het eerste een snerpende honky-tonk, het andere een vlammend feministisch protestlied, een Ono-specialiteit. Voor gevorderden is er Don't Worry Kyoko ('70) , een alarmerende schreeuwsymfonie opgedragen aan haar ontvreemde dochter uit haar pre-Lennon-huwelijk met de filmproducer Anthony Cox, en I'm Dying, een al bij al recent nummer ('95) waarin ze herinneringen aan Hiroshima nogal bloedstollend evoceert. De elpee Seasons Of Glass ('81) is in zijn geheel de moeite waard, hoewel de geschiedenis de strakke, aan John gerichte afscheidsliedjes blijft overschaduwen. Misschien heeft de huidige lichting van popjournalisten de altijd met Ono geassocieerde oorstokjes daadwerkelijk gebruikt: enkele weken geleden kreeg haar nieuwe, als vanouds volstrekt eclectische langspeler Blueprint For A Sunrise, opgenomen met haar zoon Sean Lennon, zowaar een zeven op tien in het Britse muziekweekblad NME, een wonder. Wie desondanks nog steeds niet naar Yoko wil luisteren, collectioneert toch maar beter haar oude platen, vanwege de prachtige hoezen ( Fly, uit '71, voorspelt en illustreert de hele esthetiek van Martin Margiela in één enkel beeld), of koopt haar boek Grapefruit, nu het weer kan. Grapefruit is de beste en meest logische introductie tot de Wondere Wereld van Yoko Ono, hoewel de titel even moeilijk te klasseren valt als haar muziek. Officieel is het a book of instructions, feitelijk een samenvatting van haar kunstwerken (events, films, dans enzovoorts) die ze maakte in de tijd voor ze voortdurend de voorpagina's haalde. Het is een klein, vierkant boekje. Behalve wat kinderlijke tekeningen staan er geen prentjes in. Alleen teksten, als haiku-achtige gedichten op de bladspiegel geplaatst: elke pagina bevat de beschrijving van weer een ander kunstwerk dat niet uitgevoerd of gevisualiseerd kan worden, tenminste niet in de letterlijke zin. Sun Piece, uit '62, luidt "Watch the sun until it becomes square", Map Piece, uit '64, vraagt "Draw a map to get lost", Throwing Piece, zelfde jaar, beveelt "Throw a stone into the sky high enough so it will not come back". Deze, en honderden andere, soortgelijke werken, dateren uit de tijd dat de conceptuele kunst de wereld van het juk van het eenduidig picturale en het oppervlakkig functionele wilde bevrijden, op gelijk welke manier. Voorlopers als Duchamp en John Cage deden het met readymades en atypische concerto's, sixties-artiesten als George Macunias en Joseph Kosuth met absurde performances en tekstinstallaties, en Yoko Ono, als los-vast lid van de Fluxus-beweging, met handleidingen die zo gemakkelijk lezen dat de weerhaken niet meteen opvallen. In tegenstelling tot het gros van de conceptuele kunst houdt Grapefruit zich niet bezig met nestbevuilende antipropaganda, en ook niet met obscurantisme, wat de lange adem van het boekwerk verklaart. Ono publiceerde het in 1964, in eigen beheer. Sinds ze op Lennon botste, is het nog een paar keer van de persen gerold, volgens de officiële annalen voor het laatst in 1971. Grapefruit is door de jaren heen een mythisch want haast niet te vinden cultartefact geworden; behalve wat slecht gedrukte nepversies was er haast drie decennia lang geen spoor van te vinden in de boekhandels. Tot vandaag: de heruitgave is ei zo na authentiek, inclusief de introductie die Lennon in '70 aan de band toevoegde (in zijn totaliteit: "Hi! My name is John Lennon. I'd like you to meet Yoko Ono"). Maar bovenal is het weerzien welkom en actueel: Ono's instructieve werken beogen participatie, of tenminste een dialoog, en spreken vaak over vrede, empathie en berusting. Niet voor niets stockeren New Yorkse boekwinkels Grapefruit versie 2001 voor hun afdeling zelfhulpboeken. Daarnaast hoort het werk in het schrijn van vroegere en ook hedendaagse conceptualisten, want Grapefruit is erg invloedrijk gebleken, voor andere kunstenaars en voor alledaagse, oprechte drop-outs. Het maakt niet uit dat veel Ono-imperatieven in het ijle hangen, wegens te psychedelisch, onpraktisch of in het ergste geval te veel à la Phil Bosmans. Misschien blijven ze beter op papier staan, want zo niet dreigt de kans dat ze wereldnieuws worden, zoals de fameuze bed-in van Yoko en John, een idee van Ono. Grapefruit is aldus niet alleen door associatie rock-'n-roll, want er is een geheel freewheelende geest nodig om intuïtief de uitgang uit het labyrint van Yoko's woordenkunst te vinden. Wie te veel van Grapefruit snoept, wordt flink licht in het hoofd en krijgt toch honger naar meer, wat enigszins de bedoeling is van Kunst. Ter staving nog een Ono-isme, om het af te leren en bij te leren: "Think that snow is falling. Think that snow is falling everywhere all the time. When you talk with a person, think that snow is falling between you and on the person. Stop conversing when you think the person is covered with snow" ( Snow Piece, 1963). Yoko Ono, 'Grapefruit', uitgeverij Simon & Schuster, ISBN 0-7432-0110-8. 'Blueprint For A Sunrise', Capitol Records, 2001.Peter De Potter