Ik zie, nu toch al zo'n twee decennia, elk jaar tientallen defilés. Mijn geheugen is niet echt scherp, nooit geweest. Maar in de grijze zee van vage herinneringen drijft hier en daar een taai stuk wrakhout. De modellen van Jurgi Persoons, elk afzonderlijk in een glazen doos, op het dak van het Centre Pompidou; het Parijse debuut van Raf Simons (en zijn shows in La Villette en een verlaten fabriek in de buitenwijk Vitry); de Vlaamse primitieven in de versie van Patrick Van Ommeslaeghe; een presentatie van Marina Yee in een kleine hotelkamer. Dries...

Ik zie, nu toch al zo'n twee decennia, elk jaar tientallen defilés. Mijn geheugen is niet echt scherp, nooit geweest. Maar in de grijze zee van vage herinneringen drijft hier en daar een taai stuk wrakhout. De modellen van Jurgi Persoons, elk afzonderlijk in een glazen doos, op het dak van het Centre Pompidou; het Parijse debuut van Raf Simons (en zijn shows in La Villette en een verlaten fabriek in de buitenwijk Vitry); de Vlaamse primitieven in de versie van Patrick Van Ommeslaeghe; een presentatie van Marina Yee in een kleine hotelkamer. Dries Van Noten, Bernhard Willhelm, Stephan Schneider, Xavier Delcour. Behoorlijk wat wrakhout, eigenlijk. Ik zag mijn eerste shows als kind: Yohji Yamamoto en Comme des Garçons, respectievelijk in de Ancienne Belgique en een tent op het Sint-Katelijneplein (het kan ook omgekeerd zijn geweest). De Japanners waren naar Brussel gebracht door Jenny Meirens, enkele jaren voor ze naar Parijs trok met Martin Margiela. Ik kan me er niets van herinneren. Zoals ik me ook niets herinner van David Bowie, toen hij in dezelfde periode met zijn Let's Dance-tournee naar Brussel kwam. Ik was elf of twaalf, en ik was er: dat moet volstaan. De uitnodiging voor de show van Comme des Garçons heb ik jarenlang bijgehouden: een verfrommeld, met goud bedrukt stuk papier in een transparant plastic doosje, een ontwerp van Gorik Lindemans. Achteraf beschouwd waren die shows significant: ze trokken een lijn tussen de Japanse avant-garde en de Belgische. Een paar jaar later zag ik in Antwerpen indrukwekkende shows van Walter Van Beirendonck en, denk ik, Lore Ongenae, in het Felix Pakhuis, dat toen leegstond en met afbraak was bedreigd. In 1993 ben ik naar Parijs verhuisd. Mijn eerste grote interview als freelance correspondent van De Morgen was er een met Veronique Leroy. Leroy is misschien wel de meest miskende Belgische ontwerper: ze is een kwarteeuw later nog altijd even relevant. Mijn eerste shows in Parijs? Martin Margiela in een verlaten supermarkt, en de megaspektakels van Van Beirendoncks W.&L.T. in de televisiestudio's van La Plaine Saint-Denis, voorbij de Porte de la Chapelle (ik lieg: mijn allereerste show was er een van Paul Smith, maar met Belgische mode heeft die niets te maken). Intussen is de Belgische mode geëvolueerd, van avant-garde tot vaste waarde. Ik schrijf deze regels in New York, de dag na de show van Raf Simons voor zijn eigen label, en het laatste rendez-vous van een maand mannenmode. Het was meteen ook, wat mij betreft, de beste show van het seizoen. Ik ben doorgaans geen vaandeldrager: ik heb de neiging om wat ver van mijn bed gebeurt interessanter te vinden dan wat er zich afspeelt onder mijn kerktoren. En toch denk zelfs ik weleens dat de mode Belgisch is, of anders niets.