Lens, eind november. Een werkman schildert een witte pijl op een muur tegenover het treinstation. Achter de pijl rijst de ruïne van een oude feestzaal (later cinema) in art-decostijl, de Apollo. Josephine Baker heeft er ooit opgetreden, maar vandaag blijft alleen de façade overeind. Er zijn vage plannen voor de Apollo. Misschien komt er een winkelcentrum, allicht ook een hotel. Maar in afwachting doet de eenzame gevel dienst als een reusachtige wegwijzer. De pijl op de Apollo wijst naar links.
...

Lens, eind november. Een werkman schildert een witte pijl op een muur tegenover het treinstation. Achter de pijl rijst de ruïne van een oude feestzaal (later cinema) in art-decostijl, de Apollo. Josephine Baker heeft er ooit opgetreden, maar vandaag blijft alleen de façade overeind. Er zijn vage plannen voor de Apollo. Misschien komt er een winkelcentrum, allicht ook een hotel. Maar in afwachting doet de eenzame gevel dienst als een reusachtige wegwijzer. De pijl op de Apollo wijst naar links. Louvre-Lens, het eerste filiaal van 's werelds grootste museum, bevindt zich op een tiental minuten stappen van het treinstation, weg van het centrum. De omgeving verrast : vergeleken met rue de Rivoli, de verkeersader langs het Parijse moederhuis van het museum, is rue Paul Bert een andere wereld. Eenvoudige arbeiderswoningen, krakkemikkige garageboxen, twee uitgebluste kruidenierszaken en een café, Chez Cathy. En dan, achter een bocht : het nieuwe Louvre. Half futuristisch ruimteschip, half fata morgana in een woestijn van baksteen. Het museumcomplex van de Japanse architectenpraktijk Sanaa is gebouwd over een voormalige steenkoolmijn (schacht 9), op een verhoogd plateau van twintig hectare. Het ligt voorlopig nog in een reusachtige modderpoel, omringd door een stoet vrachtwagens, tientallen werkmannen in fluo uniformen. Een adembenemend zicht. Lens is een fantoomstad, inderhaast heropgebouwd in het gruis en de griezel van de Eerste Wereldoorlog. Tussen 1914 en '18 werd de stad volledig verwoest door het Duitse leger : straat per straat, tot er geen gebouw, boom of lantaarnpaal overbleef (de bevolking werd in 1916 naar België geëvacueerd, slechts de helft kwam terug). Aan het eind van de oorlog was Lens gereduceerd tot een soort maanlandschap. Het werd deels opgekuist door Chinese arbeiders, die nog voor het einde van 1918 collectief ten prooi vielen aan de Spaanse griep. De wederopbouw was summier. In Lens was de macht sinds het midden van de negentiende eeuw in handen van een mijnbedrijf. En dus werd eerst de industriële infrastructuur met spoed heringericht. In de schaduw van zijn negentien steenkoolmijnen ontwikkelde de Compagnie des Mines de Lens (het grootste bedrijf in de sector) achttien min of meer identieke arbeiderswijken : lange slierten van bakstenen eengezinswoningen, met telkens een eigen jongensschool, een meisjesschool, een winkeltje, een kerk en een ziekenboeg. In één op de drie huisjes woont nog een gewezen mijnwerker of zijn weduwe ; de rest dient als sociale woningen. Van de mijnen zelf blijft minder over (de laatste sloot in 1986). Eén complex, de 11/19, kreeg de voorbije jaren een nieuwe bestemming als centrum voor duurzame ontwikkeling. Opvallend in het landschap zijn twee terrils, met 186 meter de hoogste van Europa. Je ziet ze van ver : een koppel piramiden van het pays noir. Ze bevinden zich op wandelafstand van het Louvre, en dienen als park (in de hele mijnstreek resten er van de 300 afvalbergen nog 120 ). Het gigantische directiegebouw van de Compagnie de Lens uit 1930, dichter bij het centrum, heeft iets van een art-decokasteel. Het is sinds het verscheiden van de industrie overgenomen door een universiteit. Voor het hoofdkwartier van de mijnwerkersvakbond, opgericht na de mijnramp van Courrières in 1906, bestaan renovatieplannen (met als uiteindelijk doel een archief van het mijnwerkersleven). Het treinstation uit 1926 is een beschermd monument. Het heeft de vorm van een locomotief, en muurschilderingen van gespierde werkers en fabrieksschoorstenen. Ten slotte is er het legendarische Stade Félix Bollaert van RC Lens, een club die destijds is opgericht ter vertier van de mijnwerkers. Het voetbalstadion naar Engels model heeft meer zitplaatsen (41.800) dan de stad inwoners heeft (37.000). De eerste incarnatie ervan werd eind de jaren twintig gebouwd door de allereerste werklozen van de mijnindustrie. Zorgt het Louvre straks voor een lange karavaan toeristen naar Lens ? Dat zou kunnen. Voor het Guggenheim Museum er in 1997 neerstreek, was Bilbao een verlepte industriestad in het midden van nergens, net als Lens. Een wonder geschiedde : Bilbao werd een toeristische trekpleister. Sindsdien wil elk achtergesteld gehucht zijn eigen signaalgebouw. Het Centre Pompidou, dat andere Parijse kunstwalhalla, opende twee jaar geleden al een regionale antenne (ontworpen door een andere Japanse architect, Shigeru Ban). Pompidou Metz, dat uitsluitend tijdelijke tentoonstellingen programmeert, wordt beschouwd als een succes. Het eerste jaar kreeg het meer dan een miljoen bezoekers over de vloer. Het Louvre-Lens rekent voor het eerste jaar op zo'n zevenhonderdduizend bezoekers (de toegang blijft het hele jaar gratis) en op langere termijn een half miljoen per jaar. ?We richten ons in eerste instantie op de lokale bevolking", zegt museumdirecteur Xavier Dectot. ?Dit is hún museum, en we willen hen er koste wat het kost bij betrekken." Het park van het Louvre (van landschapsarchitect Catherine Mosbach) wordt allicht een publiekstrekker, en dat geldt ook voor de reserves, die vanachter vensters kunnen worden bekeken (en ook van dichterbij geobserveerd, in groepen van zeventien personen, reserveren is daarvoor verplicht). In het Louvre van Parijs komen meer buitenlanders dan Fransen, Chinezen en Brazilianen op kop. In Lens worden veel meer Fransen verwacht. En Belgen, Britten, Nederlanders (de signalisatie in het museum is opgesteld in het Frans, Engels en Nederlands). Lens is relatief goed gesitueerd. Rijsel ligt dertig kilometer noordwaarts. België en Groot-Brittannië zijn dichte buren. Er is een rechtstreekse treinverbinding met Parijs (zeventig minuten met de tgv). Met de auto rijd je in anderhalf uur van Brussel naar Lens. Met de trein duurt het ongeveer even lang, overstaptijd in Rijsel niet inbegrepen. De toeristische infrastructuur is nog beperkt. Het hotelaanbod spreekt bijvoorbeeld niet echt tot de verbeelding. Maar misschien is dat niet zo'n probleem : Lens zal allicht vooral dagtoeristen aantrekken. ?Voor 1998 had Lens niet eens een toeristische dienst", zegt woordvoerder Marlène Virey. ?Dat jaar is hier een aantal wedstrijden van de Wereldbeker voetbal gespeeld. In de reglementen stond dat gaststeden in een office de tourisme moesten voorzien. En dat is gebeurd : omdat het nu eenmaal moest." De stad trok het voorbije decennium vooral de kaart van erfgoedtoeristen. ?Dat ging om een beperkt aantal mensen," zegt Virey, ?de notie van toerisme is betrekkelijk nieuw voor Lens." En dus houden de Lensois hun adem in. ?Met het Louvre kunnen we nog meer de aandacht vestigen op het mijnverleden van Lens. Dat is waar we vandaan komen, onze identiteit. Een formidabele kans."DOOR JESSE BROUNSLens is een fantoomstad, inderhaast heropgebouwd in het gruis en de griezel van de Eerste Wereldoorlog De expositie vat in één zaal de kunst-geschiedenis samen van 3500 voor onze tijdrekening tot 1848